Hoofdsom der heilige leer

§ 8. GOD DE SCHEPPER

Doordat God mens is geworden, werd ook dit openbaar en verdient ook dit alleszins in geloof aanvaard te worden, dat Hij niet slechts voor Zichzelf wil bestaan en zo met Zichzelf alleen wil blijven, maar dat Hij een van Hemzelve onder­scheiden wereld haar eigen aanzijn, natuur en vrijheid ver­gunt. Zijn Woord is de kracht van haar creatuurlijk bestaan. Hij schept, onderhoudt en regeert haar als de ruimte voor de openbaring van Zijn heerlijkheid en stelt de mens in haar midden als getuige van deze Zijn heerlijkheid.

Ik geloof in God, de Vader, de Almachtige, Schepper des hemels en der aarde.

Wanneer wij naderen tot de waarheid, die de christelijke kerk met het woord Schepper belijdt, dan komt alles hierop aan, dat wij begrijpen, reeds hier, ja, inzonderheid hier, te staan voor het geheimenis des geloofs ten aanzien waarvan de rechte kennis enkel verkregen wordt door Gods eigen Zelf-openbaring. Het eerste geloofsartikel over God de Vader en Zijn werk kan men niet als een soort “voor­hof der heidenen” beschouwen, een gebied, waarin zich christenen, Joden en heidenen te zamen zouden bevinden en in zekere zin Jn eenheid met elkander zouden staan voor een werkelijkheid, waarbij men elkander misschien zou kunnen vinden door gezamenlijk deze wereld als het werk van God de Schepper aan te duiden. Evenwel, wat dit wil zeggen: God is de Schipper en wat dit inhoudt: Zijn werk is een scheppingswerk, dat is op zichzelf ons mensen niet minder verborgen dan al het andere, dat de geloofsbelijdenis verder bevat. Het is voor ons bijv. niet gemakkelijker om in God de Schepper te geloven, dan daarin, dat Jezus Christus door de H. Geest is ontvangen en uit de maagd Maria is geboren. Het is er niet zo mee gesteld, dat de waarheid, dat God Schepper is, ons .onmiddellijk toegankelijk zou zijn en wij alleen betreffende de waarheid van het tweede artikel openbaring zouden behoeven. Integendeel, zowel hier als daar staan we in dezelfde zin voor het geheimenis van God en Zijn werk. En ook de toegang daartoe kan slechts één en dezelfde zijn.

Want de geloofsbelijdenis spreekt niet over de wereld als over één harer objecten, of althans slechts in het voorbijgaan, als zij spreekt over “hemel-en-aarde”. Ze luidt niet: ik geloof aan de geschapen wereld, zelfs niet: ik geloof aan de schepping of aan het scheppingswerk, doch: ik geloof in God d e S c h e p per. En al wat verder over de schepping wordt gezegd, is geheel en al verbonden aan Hem, die hier het handelend, creatief Subject is. Steeds geldt weer dezelfde regel: alle praedicaten worden door Hem, die het Subject is, bepaald. Dat geldt ook ten aanzien van de schepping. Het gaat hier in beginsel om de kennis van de Schepper; eerst van daaruit moet Zijn w e rk worden verstaan.

Er is sprake van God de S c h e p per en dus van Zijn werk als s c h e p pin g, het in het aanzijn roepen van hemel en aarde. Maken wij met het begrip “scheppen” ernst, dan moet het onmiddellijk in het oog springen: hier staan wij niet voor een gebied, dat voor ons, hoe dan ook, door middel van onze menselijke voorstelling of ons menselijk denken toegankelijk zou kunnen zijn. Zo moge de natuurwetenschap ons bezig houden met haar visie op de ontwikkeling der dingen; zij moge ons ‘mededeling doen van de millioenen jaren waarin de onafgebroken wording van de kosmos zich voltrokken heeft; maar wanneer zou de natuurwetenschap ooit hebben kunnen doorstoten tot het feit d à t er een wereld bestaat, die
deze ontwikkelingsgang volgt? Al concluderend van stap tot stap verder gaan is nog iets anders dan radicaal bij het begin beginnen, dat door het begrip Schepper en schepping wordt aangeduid. Het berust daarom beslist op een fundamentele vergissing, wanneer men spreekt van scheppingsmythen. Een mythe kan in het gunstigste geval een parallel zijn van de exacte wetenschap, d.w.z. de mythe heeft ook te maken met de voorstelling van hetgeen altijd al bestaat of zal bestaan. In de mythe komt het aan op het grote probleem, dat in elke tijd opnieuw zich aan de mens voordoet en in zoverre ook weer tijdloos genoemd kan worden, het probleem n.l. van leven en dood, van slapen en ontwaken, van geboorte en sterven, van morgen en avond, van dag en nacht, enz. Dat zijn de centrale vragen, waarmee de mythe zich bezig houdt. De mythe beziet, om het zo eens uit te drukken, de wereld vanuit haar grens situaties, haar overgangsphasen, maar zij onderstelt steeds de voorhanden zijnde wereld. Men kan niet spreken van scheppingsmythe, eenvoudig omdat de schepping als zodanig voor de mythe, voor de denkende verbeelding en het beeldende denken, geen toegang openlaat. Zo wordt het bijv. bij de Babylonische scheppingsmythe zonneklaar, dat men hier te doen heeft met een mythe van ontstaan en vergaan, die men principieel onmogelijk met Gen. 1 en 2 in verband kan brengen. Hoogstens kan men vaststellen, dat in het verhaal der Schrift nog bepaalde mythische elementen aanwezig zijn. Maar wat de bijbel daarmee dóet, hoe hij deze elementen gebruikt, vertoont geen enkele overeenkomst met de mythe. Wil men het bijbels bericht toch een bepaalde karakteristiek geven, het bijv. onderbrengen bij een bepaalde literaire vorm, dan zou het de s a ge moeten zijn. De bijbel spreekt volgens Gen. 1 en 2 van gebeurtenissen, die ten enenmale buiten onze historische waarneming liggen. Evenwel, hij spreekt er van op grond van een ken nis, die op een bepaalde g e s c h i e d e n i s gericht is. Dit is immers het vreemde van de bijbelse scheppingsgeschiedenis, dat zij in zeer nauwe betrekking staat tot de geschiedenis van Israël en zodoende tot de geschiedenis van het voortgaande handelen Gods in Zijn Verbond met de mens. Deze bonds-geschiedenis begint volgens het O. Test. reeds daarmee, dat God hemel en aarde geschapen heeft. Zowel het eerste als het tweede scheppingsverhaal houden ondubbelzinnig verband met het Verbond Gods, met dit centrale thema van het O. Test.: het eerste bericht wijst ons met de instelling van de sabbath het Verbond aan als het doel van het scheppingswerk, het tweede bericht wijst op het Verbond als de v o o r t z e t t i n g van het scheppingswerk.

Men kan de kennis van God de Schepper en Zijn werk niet scheiden van de kennis der heilsgeschiedenis, van Gods handelen met de mens. Alleen als ons duidelijk voor ogen staat wat de drie-enige God voor ons mensen in Jezus Christus gedaan heeft, kunnen wij retrospectief nader leren verstaan, wat het betekent, dat God Schepper is en Zijn werk schepping. Schepping is het in de tijd en buiten God plaats vindend analogon van het gebeuren binnen het Wezen Gods, krachtens hetwelk God de Vader is van de Zoon. Het scheppend handelen Gods is in overeenstemming met het innerlijke handelen, met de innerlijke bewogenheid. De wereld is niet de Zoon Gods, door God “gegenereerd”, zij is geschapen. Maar wat God als Schepper doet, kan, naar het inzicht van het christelijk geloof, alleen gezien en verstaan worden als een weerspiegeling, een weerschijn, een afschaduwing van de verhouding binnen het Wezen Gods’ tussen de Vader en de Zoon. Daarom heeft het zijn diepe zin, dat in de geloofsbelijdenis het werk van de schepping wordt toegekend aan de Vader. Dat betekent niet zozeer, dat Hij alleen de Schepper is, als wel dit, dat er tussen het scheppingswerk en de verhouding van Vader en Zoon deze analogie bestaat. Kennis van de schepping is kennis aangaande God en daarom in diepste en laatste zin g e l o o f s k e n n i s. Zij is niet een soort “voorportaal”, waarin de natuurlijke theologie een plaats zou kunnen vinden. Hoe zouden wij God als Vader leren kennen, wanneer ons dat niet openbaar zou zijn in de Zoon? Het is immers niet het bestaan der wereld in haar rijke veelvuldigheid, waaruit wij dan zouden kunnen afleiden, dat God, de waarachtige God, haar Schepper is. De wereld met al haar kommer en al haar geluk zal voor ons steeds een donkere, raadselachtige spiegel zijn, waarover wij, al naar het valt, in optimistische of pessimistische zin, onze gedachten en waarderingsoordelen vormen, maar enig uitsluitsel aangaande God, déze God, als de Schepper, geeft ze ons niet. Integendeel, telkens wanneer de mens uit de zon, maan of sterren, of uit zichzelf de waarheid, het ware wezen der wereld wilde aflezen, is het resultaat altijd een afgodsbeeld geweest, een reeks tegenstrijdige beelden, maskers, idolen. Wanneer echter God naar waarheid werd gekend en dan in de wereld, in Zijn werken werd hèrkend, zodat er uit het schepsel een vreugdevolle lofzang aan God oprees, kwam dat hieruit voort, dat Hij voor ons eerst elders te zoeken en te vinden was, n.l. in Jezus Christus. Doordat God in Jezus Christus mens werd, werd ook dit openbaar en verdiende ook dit in geloof aanvaard te worden, dat Hij de Schepper der wereld is. Wij bezitten geen tweede openbaringsbron naast de Zelf-ontsluiting in de Zoon.

Het komt in het artikel van de Schepper en de schepping aan op het beslissend inzicht, dat God niet voor Zichzelve bestaat, doch dat er naast Hem een van Hem onderscheiden werkelijkheid is: de wereld. W a a r u i t weten wij dat? Heeft niet ieder onzer zich wel eens afgevraagd, of misschien niet heel deze wereld om ons heen een schijn, een droom zou kunnen zijn? Heeft ons niet een fundamentele twijfel besprongen – niet twijfel aan God, dat is een domme twijfel! – maar aan onszelf, aan onze eigen realiteit? Of de hele betovering, die zinsbegoocheling, waarin wij existeren, wel wèrkelijkheid is? Of soms niet dat, wat wij voor werkelijkheid aanzien, slechts de “sluier van Maya” (noot) zou zijn en derhalve onwerkelijk? Is het enige wat ons rest dit, dat wij deze “droom” zo spoedig mogelijk uitdromen, om het Nirwana, waaruit wij voortgekomen zijn, weer binnen te gaan? De geloofsuitspraak, dat de wereld schepping is, staat radicaal tegenover deze ontzettende gedachte. Op wat voor grond echter kan ons met zekerheid gezegd worden, dat deze gedachte verkeerd is en dat het leven geen droom maar werkelijkheid is, dat ik ook zelf b è n en dat de wereld om mij heen ì s? Vanuit de christelijke geloofsbelijdenis kan er op deze vraag maar één antwoord zijn: zij zegt ons in haar grote middenstuk, het tweede artikel, dat het Góde behaagd ‘heeft mèns te worden; dat wij derhalve in Jezus Christus met God Zelf te maken hebben, met God de Schepper, maar met God als Schepper, die zelf schepsel werd, die in dit tijdruimtelijk gebied als schepsel bestaan heeft en wel aanwijsbaar: hier, daar, toen, zoals wij allen ergens in de tijd en in de ruimte bestaan. Wanneer dat waar is – en dat is de veronderstelling waarmee alles aanvangt: God was in Christus – dan bezitten wij een vast punt, waar het schepsel ons in werkelijkheid als werkelijkheid tegemoet treedt en wij het waarlijk kunnen kennen. Want wanneer de Schepper zelf schepsel geworden is: God Mèns, wanneer dat waar is – en daarmee vangt de christelijke ‘geloofskennis aan – dan gaat voor ons in Jezus Christus het geheimenis van de Schepper en Zijn scheppingswerk open, dan staat ons de inhoud van het eerste geloofsartikel klaar voor ogen. Doordat God mens werd, is alle twijfel uitgesloten of schepselen wel werkelijk bestaan. Ziende op Jezus Christus met wie wij in eenzelfde gebied leven, is ons g e zeg d en wel als Woord Gods gezegd: het woord aangaande de Schepper en het woord aangaande Zijn werk en aangaande het meest verbazingwekkende van dat werk: aangaande de mens, en de echtheid van zijn bestaan.

Het geheimenis der schepping in christelijke zin, betekent immers niet allereerst – dat denken de dwazen in hun hart – het “probleem” of er een God bestaat, als grondlegger en stichter der wereld, want, christelijk opgevat is het onmogelijk, dat wij eerst van de werkelijkheid der wereld zouden uitgaan en dan zouden vragen of er ook een God bestaat. Want het allereerste, dat, waarmee wij beginnen is: God, de Vader en de Zoon en de H. Geest. En van daaruit doet zich dan aan het christelijk geloof de grote vraag voor: is het werkelijk wel zo, dat God niet slechts voor Zichzelf God wil zijn, maar dat er buiten Hem een wereld bestaat, dat w ij
e r z ij n naast en buiten Hem. Dàt is een groot raadsel, hoe er naast God iets kan zijn, echt zijn, iets dat niet goddelijk is en evenmin schijn is. Wie ook maar even probeert zich
innerlijk het Wezen Gods in te denken en met zijn verstand te doorgronden, God gelijk Hij Zich aan ons openbaart, als de Verborgene, als God-in-den-Hoge, als de Drie-enige en
Almachtige, die moet wel verbaasd staan over al wat er dan verder naast en buiten Hem bestaat: wij, de hele wereld. Immers, God heeft ons niet nodig, heeft de hemel en de aarde niet nodig. Hij is rijk in Zichzelve. Hij bezit het leven in al zijn volhèid, heerlijkheid en schoonheid; alle goedheid en heiligheid is in Hemzelve aanwezig. Hij is Zichzelve ge¬noeg. Hij is in Zichzelve de volzalige God. Waartoe dan nog de wereld? Hier is immers het a I, hier, in de lévende God. God is het Al. Hoe kan er iets nevens God zijn, waaraan Hij geen behoefte heeft? Zie, dat is het grote geheim der schepping. En daarop geeft de leer der schepping antwoord, n.l. dat God, die ons niet nodig heeft, de hemel en de aarde en ook mij “geschapen” heeft “louter uit vaderlijke goedheid en barmhartigheid, zonder enige verdienste en waardigheid mijnerzijds, waarvoor ik verschuldigd ben Hem te danken en te prijzen, te dienen en te gehoorzamen, waarlijk, zo is het”. Voelt u in deze woorden van Luther de verwondering over de schepping, over de goedheid Gods, uit kracht waarvan Hij niet met Zichzelve alleen wil zijn, maar een werkelijkheid naast zich in het aanzijn roept en onderhoudt?

Schepping is g e n a d e, een uitspraak, waarbij men liefst zou willen stilstaan en lang verwijlen vol eerbied, huiver en dankbaarheid. God v e r g u n t de van Hem onderscheiden werkelijkheid h a a r b es t a a n, Hij v e r g u n t haar haar eigen aanzijn, natuur en vrijheid. Het bestaan van het schepsel náást God, dàt is het grote raadsel en wonder, de grote vraag, waarop wij antwoord moeten en mogen geven, het antwoord, dat ons door Gods Woord zelf gegeven is en gegeven wordt – hier ontmoeten wij de in de ware zin des woords existentiële vraag (die essentieel en principieel verschilt van die andere vraag, die slechts op dwaling berust, n.l. of er “een God” is)! Dat er een w e r e l d is, dàt is het meest ongehoorde, dat zich denken laat; dat is voluit het ‘wonder der genáde Gods. Of is het niet zo, dat wij, wanneer wij staan voor dit zijn, niet in de laatste plaats voor ons eigen zijn, slechts in diepste verwondering kunnen vaststellen, dat het waar en werkelijk is, dat ik er mag z i j n, dat de wereld er mag z ij n, hoezeer zij ook een van God onderscheiden werkelijkheid is, hoezeer de wereld, de mens daarbij inbegrepen, en dus ook ikzelf, n i e t God is? God-in-den-Hoge, de drie-enige God, de Vader, de Almachtige, Hij is niet een wezen, dat alle macht aan Zichzelf behoudt, Hij vergunt ook dit andere, de wereld, er te zijn, Hij staat het haar niet alleen toe, Hij láát haar dat niet slechts over, maar gééft het haar. Het is een daad, het is de daad der schepping. Wij zijn er, en hemel en aarde zijn er in al hun ogenschijnlijke “oneindigheid”, omdat God hun het aanzijn verleent. Dat is het geweldig getuigenis van het eerste artikel van het christelijk geloof.

Dat houdt nu echter ook dit in: omdat God aan deze wereld haar eigen zijn verleent, haar eigen werkelijkheid, natuur en vrijheid, is daarmee tevens uitgedrukt, dat deze wereld zeer beslist niet God zelf is, gelijk het pantheïsme in zijn dooreenwarren van God en wereld steeds weer wil suggereren en beweren. Het is beslist niet waar, dat wïj Gòd zouden zijn, integendeel, dat kan telkens opnieuw niet anders dan op een verderfelijke dwaling onzerzijds berusten, n.l. deze: te willen “zijn als God”. Het is er dus niet zo mee gesteld, gelijk antieke en moderne gnosis steeds weer verklaard heeft, dat hetgeen de bijbel Gods Zoon noemt, in de grond van de zaak de geschapen wereld zou zijn, of dat de w e r e l d van nature Gods kind zou zijn. Het is ook niet zo, dat men de wereld als een uitvloeisel, een emanatie uit God zou kunnen beschouwen, iets goddelijks, dat als een stroom uit de bron, in dit geval God, opwelt. Dat zou in waarheid geen schepping zijn, maar een levensbeweging Gods, iets waarin Hij slechts Zichzelve zou uitdrukken. Schepping echter betekent iets anders, namelijk, een van God onderscheiden werkelijkheid. De wereld mag (tot haar en ons heil) niet opgevat worden als een verschijningsvorm van God, zodat God in zekere zin de daarachter verborgen idee zou zijn. God, die alleen werkelijk en wezenlijk en vrij is, dat is het éne; en iets heel anders is: hemel en aarde, de mens en de kosmos; en dit andere is niet God, doch bestaat van ogenblik tot ogenblik dóór God. Dus dit andere rust niet zelfstandig in zichzelf, alsof de wereld haar eigen beginsel in zich zou dragen, en ten opzichte van God zelfstandig en onafhankelijk zou zijn, zodat er van haar uit gezien wel een God zou kunnen bestaan, maar dan een God op grote afstand, geheel van haar gescheiden en er dus twee rijken en twee werelden zouden zijn: deze wereld hier, met haar eigen werkelijkheid en wetmatigheid en ergens èlders en totaal ànders ook nog God, Zijn rijk, Zijn wereld, die men wellicht met de prachtigste en rijkste kleuren kan uitbeelden, die wellicht ook in een zekere betrekking zou staan tot hetgeen zich aan deze en aan gene kant zou bevinden, misschien wel zo, dat het de mens vergund zou zijn, om zich op weg te begeven van hier naar daar. Maar deze wereld zou dan niet door God, van Hem afkomstig en derhalve Hem geheel en al toebehorend en in Hem gegrondvest zijn. Neen, wat God de wereld verleent, is s c h e p s e l m a t i g e werkelijkheid, eigen natuur en eigen vrijheid. Het is een z ij n, dat de wereld als creatuur eigen is. De wereld is geen schijn, zij i s; maar zij is als schèpsel; d.w.z. zij kan, mag er zijn naast God en door God. Creatuurlijke werkelijkheid wil zeggen werkelijkheid op grond van een c r e a t i o e x n i h i l o een schepping uit het ‘niets. Daar waar niets is, ook niet zoiets als een oer-stof, daar ontstond door God datgene wat nu, van Hem onderscheiden, een eigen bestaan heeft. En terwijl er nu iets bestaat, terwijl wij zijn en bestaan op grond van goddelijke genade, mogen we geen ogenblik vergeten, dat achter ons zijn en achter het zijn der gehele wereld als zijn grond die goddelijke daad staat, die niet slechts de betekenis heeft van een facere (maken), maar ook van een scheppen.

Al wat is buiten God wordt voortdurend door God gedragen boven de afgrond van het Niet. Creatuurlijke a a r d wil zeggen: een zijn binnen de grenzen van tijd en ruimte, een bestaan, dat ontstaat om weer te vergaan. Eens was het nog niet, eens zal het niet meer zijn. Verder bestaat het niet als een enkelvoudig iets, maar het is een eenheid. Gelijk er een “toen” en een “nu” is, zo is er ook een “hier” en een “daar”. Wereld, naar de overgang van “toen” in “nu” en naar de verandering van “nu” in “toen”, noemen we t i j d. Wereld, overeenkomstig de scheidslijnen tussen “hier” en “daar”, noemen we r u i m t e. God echter is eeuwig. Dat wil niet zeggen, dat er in Hem niet eveneens tijd zou zijn, maar een àndere tijd dan de onze; immers wij kunnen tijd nooit als tegenwoordige tijd, als heden, bezitten en ruimte betekent
Voor ons altijd een uiteenliggen van “hier” en “daar». Gods tijd en ruimte kennen die grenzen niet, waarbinnen wij ons slechts tijd en ruimte kunnen voorstellen. God is volkomen Héér over de tijd en volkomen Heer over de ruimte. Doordat Hij tevens de Oorsprong van deze bestaansvormen is, is dit alles in Hem niet onderhevig aan enige beperking en onvolkomenheid, gelijk dat aan het creatuurlijk zijn noodzakelijk eigen is.

Tenslotte, creatuurlijke v r i j h e i d wil zeggen: er is een contingentie van het zijnde, d.w.z. het zijnde is niet per se noodzakelijk. Het zijn van het schepsel is steeds een concreet nu en zó-bestaan, en dit concrete nu en zó-bestaan van het menselijk schepsel betekent in elk geval een vrijheid van keuze, een zus of zo kunnen. Maar deze vrijheid kan slechts de vrijheid zijn, die speciaal aan het schepsel toekomt, dat zijn werkelijkheid niet in zichzelve heeft en zijn natuur, zijn bestaanswijze slechts binnen de grenzen van tijd en ruimte bezit. Terwijl zij echte vrijheid is, is zij onderhevig aan en beperkt door de wetmatigheid, die altijd weer op duidelijk waarneembare wijze in de gehele kosmos heerst, is zij eensdeels beperkt door het bestaan van het mede-schepsel en anderdeels door de soevereiniteit van God. Want indien er sprake kan zijn van een schepselmatige vrijheid, dan juist en alleen op deze grond, dat onze Schepper de onbeperkt Vrije is. Alle menselijke vrijheid is slechts een onvolkomen spiegelbeeld van de goddelijke vrijheid.

Het schepsel wordt bedreigd door de mogelijkheid, die echter door God – maar ook alléén door Hem – uitgesloten is, namelijk de mogelijkheid van het n i e t s en van het v e r d e r f. Voorzover het schepsel i s, wordt het om naar zijn eigen natuur te mogen zijn, alleen bewaard, voorzover God dit wil. Wilde Hij het niet, dan zou van alle kanten het niets er binnen dringen. Het schepsel zelf zou zichzelf niet kunnen redden en beschermen. En de vrijheid, zoals ze ons mensen door God gegeven is, n.l. tot het doen van een keuze, houdt daarom goddank niet in een zelfstandig vermogen om te beslissen tussen goed en kwaad. De mens is niet geschapen tot een soort Hercules, staande op het kruispunt der wegen. Het kwade ligt niet binnen het gebied der mogelijkheden van het door God geschapen schepsel. Vrijheid van keuze wil zeggen: een vrijheid om het énige te kiezen, waarvoor Gods schepsel, schepsel zijnde, kan kiezen, n.l. voor de positieve aanvaarding van datgene wat God geschapen heeft, voor het ten uitvoer brengen van Zijn wil, en dat houdt in: voor de gehoorzaamheid. In het geding is echter de v r i j h e i d tot het doen van een keuze. En hier dreigt ook het gevaar. Wanneer het mocht gebeuren, dat het schepsel van zijn vrijheid een ander gebruik zou maken dan het alleen¬ mogelijke, wanneer het schepsel de grenzen der werkelijkheid waarin het gesteld is zou overschrijden, wanneer het zou willen zòndigen, d.w.z. op zichzelf zou gaan staan en zich zou afzonderen van God en van zichzelf, wat kan dan anders gebeuren dan dat het, eenmaal in strijd gekomen met Gods wil, zou moeten vàllen met zijn ongehoorzaamheid, met de onmogelijkheid van deze ongehoorzaamheid, deze in de schepping niet gestelde, niet bedoelde mogelijkheid? Nu moet hem het blote feit wel ten verderve worden, dat hij zich binnen de grenzen van tijd en ruimte bevindt; nu moet dit worden en vergaan, dit “hier” en “daar”, “toen” en “nu”, eigen aan zijn schepselmatig bestaan, voor hem wel ramp¬ zaligheid gaan betekenen. Nu moet de val in het nihil, het niets, wel plaatsvinden. Hoe zou het anders kunnen? Ik spreek er hier alleen over om betreffende heel dit gebied, dat wij het boze noemen: dood, zonde, duivel en hel, uitdrukkelijk vast te stellen, dat dat alles niet tot Gods schepping behoort, maar veeleer datgene is, dat God, juist door de daad van de schepping, principieel heeft uitgesloten, dat door Hem verworpen is. En voorzover er een realiteit van het boze is, kan het alleen de realiteit zijn van het door God afgewezene en verworpene, de realiteit die slechts bestaat achter Zijn rug, de mogelijkheid, waaraan Hij is voorbijgegaan, doordat Hij de wereld geschapen en goed geschapen heeft. “En God zag al wat Hij geschapen had en zie, het was zeer goed”. Wat niet goed is, dat heeft God niet geschapen, dat bezit, wel verstaan, ook geen creatuurlijk zijn, integendeel, zo er toch nog zijn aan toegekend moet worden en wij liever niet van het niet-zijnde willen spreken, dan moeten wij spreken van dat “zijn”, dat zijn macht ontleent aan de kracht waarmee God het als onmogelijke mogelijkheid heeft verworpen. Wij mogen het donkere niet in God Zelve zoeken. Hij is “de Vader der lichten”. Zodra wij beginnen te spreken van een “Deus absconditus“, hebben we het over een afgod. God de Schepper is Hij, die het schepsel zijn “zijn” vergunt. En wat het zuiver karakter heeft van het zijnde, wat in waarheid wèrkelijk is, dat i s door deze gunst Gods, en dat is als zodanig in zichzelve goed.

Gods Wóórd is de kracht van alle zijn der creatuur. God schept, regeert en onderhoudt haar als de ruimte, het schouwtoneel van Zijn heerlijkheid. (noot) Met deze uitdrukking zou ik willen verwijzen naar de grond en het doel der schepping, die tenslotte één en hetzelfde zijn.

De grond van de schepping is Gods genade. Dat er een genade van God is, zie, dat is ons werkelijk en onloochenbaar nabij, dat bezit leven en kracht, gelegen in Gods Woord. Doordat God Zijn Woord spreekt en gesproken heeft in Israëls geschiedenis, in Jezus Christus, in de stichting der gemeente van Jezus Christus en doordat Hij tot op deze dag Zijn Woord spreekt en spreken zal tot in de verste toekomst, dáárdoor wàs het schepsel, daardoor is het schepsel, daardoor zal het zijn. Wat is, i s in waarheid, doordat het niet krachtens zichzelf maar krachtens Gods Woord i s, om Zijns Woords wil, naar de zin en de bedoeling van Zijn Woord. Hebr. 1 : 2 zegt: God draagt alle dingen, t a p a n t a, door Zijn Woord. Vergelijk ook Joh. 1 : 1 v. en Coloss. 1. Het al is door Hem geschapen, om Zijnentwil. Het Woord Gods, ons in de H. Schrift betuigd, de geschiedenis van Israël, van Jezus Christus en Zijn gemeente, dat is het primaire. Daarin vinden wij de zin en de maat, de grond en de bestemming. Dan pas volgt heel de wereld met haar licht- en schaduwzijde, haar diepten en hoogten. Door het Wóórd, dit Woord, is ook de wereld. Hoe vreemd, deze omkering van heel ons denken! Laat u niet van de wijs brengen, doordat het hier noodzakelijk tijdsbegrip moeilijk te voltrekken is. De wereld ontstond, ze is geschapen en wordt gedragen door het Kindeke, dat te Bethlehem geboren werd, door de Man, die aan het kruis van Golgotha gestorven en ten derden dage wederom opgestaan is van de doden. Dit, ditzelfde is het scheppingswoord waardoor alle dingen geworden zijn. Van d a a r u i t ontvangt heel de schepping haar zin en daarom luidt het ook aan het begin van de bijbel: “in den beginne schiep God de hemel en de aarde. E n G o d S p r a k: er zij licht. . .. en er zij. . . .” 0, dit ongehoorde spreken Gods in dat huiveringwekkende eerste hoofdstuk van de H. Schrift…. Denkt bij dit spreken niet aan een toverwoord van de Almachtige, die nu de wereld te voorschijn doet komen, maar luistert hier scherp toe: God spreekt concreet, gelijk ons de H. Schrift betuigt en doordat dat wat in Christus openbaar werd, Gods werkelijkheid was van den beginne aan, ontstond alles wat is: het licht en de hemel en de aarde, de planten en de dieren en tenslotte de mens.

En wanneer we naar het doel der schepping vragen: waartoe dat alles, waartoe hemel en aarde en alle creatuur, zou ik niets anders weten te zeggen, dan dit ene: tot een ruimte, een schouwtoneel van Zijn heerlijkheid. Dit is de zin van heel de schepping, n.l. dat God verhéérlijkt wordt. Doxa gloria betekent heel eenvoudig: het openbaar worden, het uitstralen. God wil zichtbaar worden in de wereld en in zoverre is scheppen een uiterst zinvol handelen Gods. “Zie, het was zeer goed”. Wat men ook moge inbrengen tegen de wereld, zoals zij in feite is, hierin bestaat onaantastbaar de kwaliteit van haar goed-zijn, dat zij schouwtoneel der heerlijkheid Gods mag zijn, met in haar midden de mens, als getuige van deze heerlijkheid. Het past ons niet van tevoren te willen weten, wat goed-zijn behoort in te houden en min of meer wrevelig te worden, als de wereld daarmee niet in overeenstemming blijkt te zijn. Voor het doel, waartoe God de wereld geschapen heeft, is zij zonder enige twijfel goed. Schouwtoneel van Zijn heerlijkheid, “theatrum gloriae Dei”, zegt Calvijn derhalve van haar. En de mens is de getuige, degene, die er bij tegenwoordig mag zijn, waar God verheerlijkt wordt; niet als zuiver passieve getuige, neen, deze getuige met name zal luide verkondigen, wat hij gezien heeft. Dat is de natuur van de mens. Daartoe is hij bekwaam, om getuige van Gods daden te zijn. Dit oogmerk Gods “rechtvaardigt” Hem ten volle als de Schepper.

Pagina's: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26