De apostolische geloofsbelijdenis

INDE VENTURUS EST JUDICARE VIVOS ET MORTUOS:

VAN WAAR HIJ KOMEN ZAL OM TE OORDEELEN DE LEVENDEN EN DE DOODEN

Hier staan we voor de afsluiting en afronding van het tweede artikel. Zij brengt ons allereerst de bevestiging, dat wij bij onze verklaring van de leer aangaande de hemelvaart onder het tweede gezichtspunt (dus onder het gezichtspunt van de scheiding, van een anderen tijd der verborgenheid, en van (10 kerk als gemeente-onder-het-kruis) in beginsel het juiste heb­ben getroffen. Op de lange rij van de perfecta: conceptus, natus, passus, crucifixus, mortuus, sepultus est, resurrexit, en na het tegen deze rij over gestelde praesens : sedet ad dexte­ram Dei, volgt nu een futurum 1): venturus est, hij zal komen. Dat beteekent dus: de kerk, wier geloof en geloofsbelijdenis ons tot deelname noodigt, ziet eerst achterwaarts en richt dan den blik vooruit. Zij zelf is met haar verleden en met haar toe­komst in het hier beleden verleden en in de hier beleden toe­komst van den Zone Gods betrokken. Zij leeft in de herinne­ring en in de verwachting. Zij bestaat in een heden, dat mei den tijd mede-schrijdt. Wat haar in dit heden als kerk draagt is de werkelijkheid, welke aangeduid wordt met de woorden: “zittende ter rechterhand Gods”.

1

Van hieruit, van de haar in het heden openbaar-geworden cn in het geloof erkende en aanvaarde heerschappij Jesu Christi, ziet de kerk terug. Wat zij dan ziet, is voor haar nu stellig geen praeteritum, geen voorbijgegaan verleden. De met die per­fecta omschreven tijd der openbaring is wel een voldongen­heid, maar geen verleden. 2) Als voldongenheid is deze tijd voor de kerk immers in en met de heerschappij Christi juist tegenwóórdige tijd, zoodat iedere herinnering aan dit “verleden” voor haar de erkenning en aanvaarding van Zijne tegenwoordigheid insluit. De kerk leeft, voorzoover zij van de openbaring en in het geloof leeft, in de gelijktijdigheid 3) met de in deze perfecta geschilderde daad Gods. Verléden is door deze daad Gods de tijd van den onverzoenden menseh. Als verleden verschijnt bij den terugblik op den openbaringstijd de tijd van Pontius Pilatus, d.i. onze wereld-tijd, waarin Jezus Christus moest lijden en geleden heeft; en daaronder hebben wij natuurlijk evengoed de tijd nà als vóór Christus, voor­zoover zij namelijk wereld-tijd is, te verstaan. Dezen tijd als zoodanig heeft Jezus Christus in Zijn dood afgesloten en heeft Zijn tijd doen aanbreken, den goddelijk en tijd, d.i. de tijd, waarin de met God verzoende mensch leeft.

De gelijktijdigheid, waarin de kerk met de heils- en machts­daad, welke in Christus volbracht is, leeft, heeft tot nood­zakelijke keerzijde: haar on-gelijktijdigheid met den in Chris­tus overwonnen mensch der ongehoorzaamheid, ongerechtig­heid en wanorde. Deze bestaat, vanuit het heden Christi ge­zien, alleen nog als de principieel “oude” mensch (Rom. 6 : 6). En inzooverre hij als zoo danig evenwel voortgaat te existee­ren, en dus “nog” tijd heeft, voorzoover zijne in den dood Christi afgesloten tijd op zichzelf altijd nog “tijd” kan heet en, een heden en dus ook een toekomst heeft, zal de christen (voorzoover hij Christus’ tijdgenoot is), zal de kerk (voorzoo­ver zij van de openbaring en in het geloof leeft!) altijd en in volstrekten zin “unzeitgemäsz”, d.i. niet op de hoogte van den tijd zijn. 4) Zij zal geen gelijken tred met dien tijd kunnen houden, zich niet in evenmaat met hem kunnen bewegen, want zij zal nimmer in overeenstemming kunnen leven met hetgeen in beide dimensies (van heden en toekomst) door Christus eenmaal tot verléden is gemaakt.

2

Vanuit dit praesens: “zittende ter rechterhand Gods” ziet de kerk nu echter ook vooruit. Maar wij moeten goed verstaan, dat datgene, waarop zij den blik richt, niet een of ander neutraal “futurum”, niet de inhoud van een nog niet ingetre­den, maar binnen korter of langer termijn toch nog te bereiken heden in den wereldtijd kan zijn. 5) Deze tijd is immers in het kruis Christi met al zijn verledene, tegenwoordige en todwlII’ stige mogelijkheden als totaal afgesloten en principieel verleden geworden. In zijn verloop, in de ontwikkeling der gebeurtenissen, die wij de wereldgeschiedenis noemen, heeft tic’ kerk niets te verwachten. Zij rèkent ook op niets, tenzij dan op de “teekenen des tijds”, d.i. op de kènteekenen van den toe­stand zijner verledenheid, en àlzoo op de vóórteekenen een er van een bloot futurum zich onderscheidende, echte toekomst. Wat deze echte toekomst en dus het voorwerp van de werke­lijke en ernstige verwachting der kerk is, dat volgt onmiddel­lijk en met klemmende vanzelfsprekendheid uit haar, door de heerschappij van Christus geconstitueerd, hèden. Wij za­gen reeds: dit heden beteekent gelijktijdigheid, tijdgenoot­zijn van Jezus Christus; want in dit heden is de goddelijke macht Zijner opstanding werkzaam. In dit heden, ja, herinnert de kerk zich den tijd der openbaring 6), maar het is on­mogelijk den openbaringstijd zich alleen-maar te herinneren. Wanneer men wèrkelijk uit deze herinnering leeft, dan leeft men ook uit de verwàchting van dezen openbaringstijd. Even­min kan de goddelijke macht der opstanding Christi opgaan in een werkzaamheid hier en nu; waar zij wáárlijk werkzaam is, daar wordt zij onmiddellijk en tegelijk belofte en hoop. 7) Evenzoo is te zeggen: de gelijktijdigheid met Jezus Christus kan niet alleen hierin bestaan, dat Hij voor ons niet een ver­leden grootheid, maar een tegenwoordige werkelijkheid is; is Hij zelf voor ons waarachtig een hèden, dan is Hij zelf voor ons ook waarlijk een toekomst. Is Hij gekomen, dan zal Hij ook komen, venturus est!

Waarom geldt dit alles? Wij zullen slechts kunnen antwoor­den: omdat hij Jezus Christus is, de waarachtige God, die waarachtige menschelijke natuur heeft aangenomen en die in en aan deze menschelijke natuur door Zijne vernedering 011 verhooging overwonnen heeft, d.i. zonde in gerechtigheid, dood in leven heeft omgezet. Zijn wij, krachtens Zijne openbaring, door Hem aangenomen menschen, d.i. erkennen en bekennen wij onszelf in het geloof als leden der door Hem aangenomen menschelijke natuur, zijn wij in de kerk, d.i. onder het getal der door Hem verkorenen, geroepenen en ver­zamelden 8), dan is Hij de inhoud van onzen tijd, zoowel van ons heden als van onze toekomst. Alleen door uit te vallen uit ons aangenomen-zijn, dus door het geloof prijs te geven, dat Hij als waarachtig God onze natuur aangenomen en met God verzoend hééft, dus als menschen die het geheimenis van de Geboorte en van den Dood, van Kerstmis en Goeden Vrijdag, ontkènnen, zouden wij de vrijheid kunnen vinden om…. een ànder te verwachten (Matth. 11 : 3), zouden wij de vrij­heid kunnen nemen, om ons open te stellen voor een toekomst, die niet Zijne toekomst is. 9)

Op grond van Zijne openbaring, in het geloof Hem aanhan­gend, erkennen wij den tijd 10) als in Hem “vervulde” tijd (Mark. 1 : 15; Gal. 4 : 4). Daarom, wat zou dat voor een toe­komst zijn, die in plaats van de Zijne of behalve de Zijne mogelijkerwijs onze eigen toekomst zijn zou? Dat Hij komt, dat en dat alleen is ook onze toekomst, gelijk dit en dit alleen ons heden is, dat Hij gekomen is. Uit kracht van Zijn konink­lijk ambt, gelijk het in Zijne opstanding is zichtbaar geworden, staat het zoo, dat de kerk geen andere toekomst heeft als die, welke zij in het gebed belijdt: “Amen, ja kom Heere Jezus!” (Openb. 22 : 20 b). Maar uit kracht van Zijn koninklijk ambt heeft zij dan ook dèze toekomst. “Venturus est” beteekent dus: Christus is onze verwàchting; en: Christus is onze ver­wachting.

3

Zien wij verder, dat het symbool deze woorden doet aan­sluiten bij het onmiddellijk voorafgaande: inde venturus est, van waar Hij komen zal, dan slaat dit blijkbaar allereerst op de “rechterhand Gods”, die tevoren werd aangeduid als de staat, waartoe Jezus Christus in Zijn opstanding en hemel­vaart werd verhoogd. Wij hebben reeds opgemerkt, dat daar­mee geen plaats, maar een functie wordt bedoeld en kunnen deze woorden van het credo, in bevestiging en onderstreping van hetgeen hierboven werd ontwikkeld, als volgt omschrijven: krachtens het bezit en de uitoefening zijner goddelijke almacht, gelijk deze in Zijne opstanding openbaar werd, is Jezus Christus niet slechts “Die daar is en Die was”, maar als zoodanig ook “Die daar komt” (Openb. 1 : 4).

Hij komt, omdat de tijd, die aan den ouden mensch en daarmee ook aan de kerk door Gods geduld gegund wordt als een ruimte tot boete en bekeering, in zijn wezen een als vèrleden gestempelde tijd is. Door zijn opstanding “oud gemaakt” 11), is deze tijd ook door Hem zelf begrensd. Voorzoover deze aeon nog steeds onze tijd is, moeten wij van haar belijden en zeg­gen: “mijne tijden zijn in Uwe hand” (Ps. 31 : 16). Zij wordt vanuit haar einde gelijk vanuit haar aanvang door Hem om­vat en gedragen, en heeft dus. . .. toch een toekomst (hoewel ze reeds “oud-gemaakt” is) – doch een toekomst, die aan-­gène-zijde van al hare toekomstige inhouden ligt. De belijde­nis “van waar Hij komen zal” zou daarom kunnen weerge­geven worden met het psalmwoord: “de rechterhand des Heeren behoudt de zege” (Ps. 118 : 15).

Maar nu wijst het “inde” tegelijk terug op den “hemel”, waar­heen Jezus Christus volgens het voorgaande stuk der belijde­nis is opgevaren, op de goddelijke hoogheid, op het boven­wereldsche rijk, waarin Hij in den tusschentijd-van-het-ge­duld, in den tijd der kerk, voor de lichamelijke en ook voor de geestelijke oogen der menschen, ja ook voor het geestes­oog van de in Hem gelóóvende menschen, verborgen is.

Het is nauwelijks mogelijk, dat wij ons vergissen, wanneer wij dezen tusschentijd in den zin van het symbool meenen te moeten verstaan als een herhaling van de vernedering des Heeren. 12) Dit is juist de grond van het inzicht, dat wij reeds vonden, n.l. dat de kerk – deze tusschentijd is immers haar tijd – met haar prediking, haar sacrament, haar geloof in deze bedeeling steeds de gemeente-onder-het-kruis zal wezen “Inde venturus” beteekent daarom ook dit: dat Jezus Christus komt “van dáár”, vanuit dezen staat der verborgenheid, dat Hij uit het geheimenis der hemelen, waarin hij daar is in­gegaan, weder te voorschijn treedt.

De wederkomst van Christus is de wederoprichting, maar nu tegelijk de universeele en uiteindelijke openbaring van de directe godmenschelijke Tegenwoordigheid, gelijk deze de in­houd der veertig dagen na Paschen geweest is. “Op de wol­ken des hemels, met groote kracht en heerlijkheid”, komt Hij weder, lezen wij Matth. 24 : 30 en een weinig eerder in het­zelfde kapittel: “want gelijk de bliksem uitgaat van het oosten en schijnt tot het westen, alzoo zal ook de toekomst, de tegen­woordigheid 18) van den Zoon des menschen wezen” (vs. 27).

De tusschentijd, waarin de oude mensch als zoodanig nog al­tijd existeerde en zijn eigen toekomst had, de tijd ook der kerk 14), der verkondiging, des sacraments en des geloofs, zal dan niet slechts in zichzelf afgesloten zijn – dat is hij nu reeds – maar hij zal afgeloopen, zonder toekomst geworden zijn. Dan zijn, gelijk wij Openb. 11 : 15 lezen: “de rijken der wereld geworden onzes Heeren en van zijn Christus”, zonder bemiddeling, onmiddellijk, ondialectisch, onwedersprekelijk, onweerstaanbaar, n.l. even zoo zonder bemiddeling als Hij de menschelijke natuur en het menschelijk lot in Zijne vleesch­wording tot Zijn natuur en Zijn lot heeft gemaakt, om ze in Zijnen dood tot een nieuwe creatuur om te scheppen.

Hij zal dan niet slechts de Verzoener, Hij zal dan de Ver­losser 18) zijn, de Heiland der wereld (Titus 2 : 13). Zoo her­haalt zich dan als op een tweeden en laatsten en alomvatten­den Paaschdag de verhooging en glorie des Heeren. Dezen Paaschdag loopt de tusschentijd tegemoet; want dit is waar­lijk de “dag des Heeren”. Op dezen Dag wacht de kerk, in het vooruitzicht van dezen Dag verheugt zich de kerk, die leeft en lijdt onder het kruis van dezen tijd-tusschen-de-tijden. 16)

4 .

Hiermee is ons wellicht de weg geopend en geëffend tot recht verstand van hetgeen, in overeenstemming met het Nieuwe Testament, verder als zin der Wederkomst wordt aangegeven met de woorden “judicare vivos et mortuos”, “om te oordelen de levenden en de dooden”. Men is geneigd hier kopschuw te worden: wij hebben daareven Christus niet slechts onze toekomst, maar met groote, innerlijke vanzelfsprekendheid ook onze hope genoemd. Zouden wij daarmee nu toch iets gezegd hebben, dat zeer betrekkelijk, onder zeer vele en zwaur. wegende voorwaarden zou gelden, ja dat we misschien heelemaal niet hadden mogen zeggen, omdat het ons niet toekomt? Zou Zijne komst toch veelmeer onze angst dan onze hoop moeten zijn, daar het toch zeker is, dat Hij als Rèchter weder­komt? Wij denken in dit verband aan de bekende, middel­eeuwsche hymne “cum vix justus sit securus, quid sum miscr tunc dicturus?”, ,indien zelfs de rechtvaardige nauwelijk” zeker is, wat zal ik, ongelukkige, dan zeggen?” 11) Wij denken ook aan Michelangelo’s voorstelling van den als wereldrichter wederkomenden Christus en aan zoo menige andere schrik. aanjagende schilderingen, ‘t zij in figuren, ‘t zij in woorden. Hoe eigenaardig klinkt daartegenover vraag en antwoord 52 van den Heidelbergschen Catechismus: “Wat tróóst u de wederkomst van Christus, om te oordeelen de levenden en de dooden? – dat ik in alle droefenis en vervolging met opgerichten hoofde even denzelfde, die zich tevoren om mijnentwil in het Gericht Gods gesteld en al den vloek van mij wegge­nomen heeft, tot een Rechter uit den hemel verwachte, die alle’ zijne en mijne vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen, maar mij met alle uitverkorenen tot Zich in de eeuwig” vreugde en heerlijkheid nemen zal.”

Wij geven volkomen toe: dit kon wel eens gezegd zijn in een bedenkelijke verwantschap met een overmoedige en titanische zekerheid. Maar wat de záák betreft, is het volkomen zuiver gezegd. Want men kan het zich niet helder genoeg inprenten: het is niet de een of andere Rechter, ook niet een met goddelijke oordeelskracht en macht-tot-straffen uitgeruste Rechter, dien wij tegemoetgaan, of beter, die ons tegemoetkomt, op ons toekomt als onze toekomst. Men eert den ernst van het ge­richt Jesu Christi niet, wanneer men het niet strikt en streng (maar juist daarom “met opgericht hoofd” en getroost door het uitzicht op deze toekomst) als Zijn gericht verwacht. Men leeft niet in de rechte vreeze (zoo, als Hij inderdaad gevreesd worden wil) voor den Komende, wanneer men niet eerst en bovenal en onvoorwaardelijk laat gelden: Hij is onze hópe. Wij kunnen het “dies irae, dies illa”, wij kunnen ook Michel­angelo’s wereldgericht voluit aanvaarden, maar dan als een zeer zuivere beschrijving van het gelóóf, dat met den “nog” existeerenden “ouden” mensch in een strijd ten oordeel en ter verwerping verwikkeld is, als een uitbeelding van den strijd tusschen Geest en vleesch in dezen tusschen-tijd. Bij de We­derkomst Christi echter, die het einde van dezen tusschentijd en het aanbreken van het Rijk der heerlijkheid brengt, passen dèze tonen en deze beelden in het geheel niet.

Jezus Christus komt toch immers als die ter rechterhand Gods is, Hij komt uit den “hemel”, d.i. als de Opgestane, als die de in hem volbrachte verzoening openbaart, als die deze ver­zoening zelf volbracht heeft; Hij komt toch inderdaad als de Rechter, die het oordeel over ons van te voren heeft opge­heven en wèggenomen, omdat Hij datzelf reeds gedragen en ons de vrijspraak, de rechtvaardiging verworven heeft. Mogen wij dat vergeten en nietig verklaren, om plaats te vinden voor een abstract goddelijk 18), neen veeleer al te mènschelijk gericht, voor de gestalte van een Rechter, die zou doen alsof het oordeel nièt reeds gedragen wàs?

Juist aan dezen Rechter, namelijk aan een willekeurig vóór het Evangelie gestelde Wep9), waartegenover Dit dan nood­wendig een ondergeschikte plaats krijgt en ineenkrimpt tot een episóde in en onder de ééuwige gelding van een afgetrok­ken recht, juist aan dezen Rechter heeft de mensch zich, hoe­wel hij zoo bij gelegenheid zooiets van ontzetting gevoelt, nogaltijd onttrokken. Hier echter gaat het om den Rechter, aan wien zich niemand onttrekken kan: Christus, die gekruisigd is, die ook opgestaan is, die als de Opgestane de hegemonic,. de alleen-heerschappij der genade verkondigt èn uitoefent richt beteekent crisis, beslissing. En zoo is ook het wereldgericht beslissing; de laatste, de over allen in de kerk en in de wereld, over levenden en dooden, d.i. onmiddellijk en als met één slag over alle menschen van alle tijden vallende, de ieder voorbehoud en iedere tegenspraak uitsluitende, opheffendo, de nu van den hèmel komende, daarom de afdoende, be­slissing des Kruises: dat de mensch door den Zoon Gods ge­rechtvaardigd en gered is, zonder Hem echter verdoemd en verloren is.

Wie aan Hem en dus aan Gods onverdiende genade gelooft en de goede werken doet (wel-verstaan: de goede werken van dit geloof) 20), hoe zou die dezen Rechter niet waarlijk “met opgericht hoofd” tegemoetzien, ook wanne eer alle rechters in hemel en op aarde naar wereldschen of religieusen maatstaf hem duizendmaal (en duizendmaal terècht) zouden veroor­deelen? Maar juist deze mensch, en hij alleen, weet ook van de dièpte der menschelijke zonde en schuld, van Gods branden­den toorn, van de verschrikking Zijner tucht; en hij weet daar­van, juist omdàt hij erkent, dat dit alles door Christus ge­dragen en weggedragen is; want vanwaar zou een mensch anders kennis dragen dezer verborgenheden? Alle zonde­kennis en -belijdenis, die niet voortkwam uit het geloof aan Gods genade, die niet zonde-kennis in Christus was, stak nog steeds vol heimelijke eigengerechtigheid. 21)

Dien rechter vreest men werkelijk, van wien men weet, dat Zijne genade onze éénige hoop is, maar nu ook waarlijk onze eenige hóóp is. Over dezen Rechter gaat het in het stuk van Christus’ wederkomst ten gerichte. Hij, in wien de barmhar­tigheid Gods aan en in de menschelijke natuur overwonnen heeft, Hij maakt scheiding, doordat Hij de beslissing des kruises aan den dag brengt over allen, Hij stelt de schapen ter rechter- en de bokken ter linkerhand, Hij beloont de daders der goede en straft de daders der booze werken, Hij leidt in in de eeuwige vreugde en stort neder in de eeuwige pijn.

Het is waarlijk geen scherts, deze beslissing en scheiding tege­moet te gaan. Maar de ernst van dit gericht is toch wezenlijk de goddelijke en niet een of andere mènschelijke ernst; ook de hoogste religieuse en moreele of de diepste theologische ernst reikt niet tot daar. Hier zullen vele eersten de laatsten zijn en vele laatsten de eersten 22) en de maat, waarmee daarbij ge­meten wordt, zal de werkelijke gelding der vrije Genade in ons leven zijn en dus geen maat, die wij mogen of kunnen hanteeren. Begrijpen wij vooral goed: hier zullen ons ook de beste theologische maskeeringen en verschansingen niets baten. Neen, niet alle orthodoxen, niet alle piëtisten zullen in den hemel komen, maar ook alle kohlbrüggianen niet! De oogen van den Zoon Gods zullen altijd nog iets scherper zien dan alle menschenoogen.

Hier zullen waarschijnlijk ook zoogenaamde “tollenaren”, die nimmer genoeg kregen van het prijzen der Genade: “niets als de genade, alles, alles is genade”, als farizeërs ontmaskerd worden, en allerlei schijnbare farizeën met een tollenaarshart, dat alleen Gode bekend was, zullen henengaan gerechtvaar­digd in hun huis.

De werkgerechtigheid, waarin wij inderdaad de eene en eigen­lijke en tenslotte onvergefelijke zonde, de zonde tegen den Hei­ligen Geest 23), zullen hebben te erkennen, is in haar feitelijk bestaan en bestand altijd weer een weinig meer verborgen, dan men geneigd is aan te nemen. In het Gericht van Christus zal zij niet verborgen blijven! Hier zal werkelijk een ieder ver­golden worden naar zijne werken, d.i. naar de geleefde werke­lijkheid van zijn geloof of naar de geleefde werkelijkheid van zijn ongeloof. Het object van het Oordeel is het geloof of onge­loof-aan-Gods-barmhartigheid, maar gelijk dit zich in de exis­tentie, in het zelfgeleefde leven voltrokken heeft 24), niet vol­gens een nog zoo fijnen schijn van geloof of naar een nog zoo klaarblijkelijken schijn van ongeloof.

Dit is het, wat de Wederkomst Christi en zijn Gericht over levenden en dooden ons zal brengen: deze Beslissing over ons deze Scheiding tusschen ons: de eeuwige, de radicale, de onherroepelijke Beslissing en Scheiding. Hoe zoude de mensch de “oude mensch”, dit Gericht niet te vreezen hebben? En zijn wij niet allen ook nog de “oude mensch”? Maar nimmer kan dit de opdracht der christelijke leer en de strekking der ver­kondiging zijn, ons te leeren, dat wij te vreezen hebben, of dat wij hàlf te vreezen en hàlf te hopen hebben. Hier kunnen wij alleen hopen, en wel ganschelijk en ongemengd hopen. Ge­lijk ook de kerk alleen deze hoop kan verkondigen en de vrees moet uitdrijven. Want in de Verkiezing kan een mensch ge­lóóven, maar in de verwerping niet. Men weet niet wat het woord “gelooven” inheeft, wanneer men veronderstelt, dat een verworpene in zijn verwerping zou kunnen………..gelóóven.

Daarom hier kunnen wij alleen maar hopen; dit hopen is met de geloofsbeslissing zelf gegeven. Het is en blijft toch de Dag van onzen Heer. 25) Het is het Gericht van den Gekruiste, ‘twelk wij tegengaan. Daarom – zullen wij eindelijk ver­staan? – alleen de hoop, en wel de enkel en volstrekt op Hem gebouwde hoop kan ons redden in dien Dag, zàl ons recht­vaardigen in dit Gericht. De vrees daarentegen voor Hem, ja wat zou dat anders kunnen zijn, dan juist de vrees, in dezen Dag en in dit Gericht ànders gevonden te worden dan enkel en volstrekt op Hem onze hope stellende?

Pagina's: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19