Ga toch niet aan Uw knecht voorbij

 

 

 

 

 

Heere, heb ik nu genade gevonden in Uw oogen, zoo ga toch niet aan Uw knecht voorbij. Genesis 18 : 3.

Stadhouder Pilatus was geen slecht mensch en hij was in elk geval verstandig. Toen men er bij hem op aandrong, Jezus Christus te kruisigen, nam hij tenslotte water, wiesch zijn handen voor het oog van het volk en sprak: „Ik ben onschuldig aan Zijn bloed.[noot] Zoo gaf hij Hem toen over, om gekruisigd te worden. — Zoo denkt en handelt hij, die in de oogen des Heeren geen genade gevonden heeft. Niet het feit, dat hij Christus kruisigen liet, bewijst, dat hij geen genade gevonden heeft. In ‘t midden van ons allen, door ons aller ongerechtigheid, is Christus gekruisigd. En dat Christus, de onder ons en door ons Gekruisigde, bij ons is, dat beteekent juist, dat God met ons is, dat is het Evangelie, de zich heerlijk openbarende genade Gods. God is altijd Degene, die ten goede denkt, wat wij ten kwade hebben gedacht. Maar het „geen genade gevonden hebben” wordt duidelijk, als wij tegenover dezen onder ons aanwezigen God reine handen willen hebben en onschuldig willen zijn. Aan zulke onschuldigen gaat de Heere voorbij en laat ze in de buitenste duisternis achter. — En al het volk, antwoordende, zeide: „Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen.” [noot] Het was een verdraaid, een waanzinnig volk, dat zoo sprak. Het riep het oordeel over eigen hoofd uit en het gericht bleef niet uit. En toch sprak de wijsheid Gods niet uit den mond van den verstandigen Pilatus, maar uit den mond van het volk. Niet doordat het volk het slechte wilde, maar doordat God door het slechte van het volk het goede wilde en deed. Wie geen reine handen hebben, niet onschuldig zijn, wie veeleer zijn schuld aan de kruisiging van Christus belijden wil, aan hem gaat de Heere niet voorbij. Wij weten al evenmin als dat volk, wat wij doen; het gebeurt met niet minder overmoed, wanneer wij deze onze schuld belijden. Maar “wanneer menschen genade vinden in Gods oogen, dan doet God het niet om hun oprechtheid, of laat Hij het niet om hun onoprechtheid, maar het gaat om Zijn eigen grooten Naam. Christus’ bloed, het bloed des nieuwen verbonds, waarin Hij, terwijl het wegstroomt, verzoenend treedt in de plaats van hen, die gelooven, — dat bloed moet komen over ons en onze kinderen. Zouden wij graag willen, dat de Heere niet aan ons voorbijgaat? Dan kunnen we niets beters doen, dan met gebogen hoofd in de rij van dat dwaze volk gaan staan.

Heere, wij zijn geschrokken van onszelf, dat wij U zoo gemakkelijk en zoo dikwerf vergeten kunnen. Bewaar ons niet minder voor den valschen deemoed van de lichtvaardigheid dan voor den hoogmoed van een al te menschelijke gerechtigheid. Wek ons op uit onze verstrooidheid, opdat wij opnieuw erkennen, dat bij U, en bij niemand anders, de vergeving is. Amen.

 

Pagina's: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21