bibliografie

logo

IV. DOGMATISCHE GESCHRIFTEN

Men kan zeggen: al Barths geschriften zijn dogmatisch, met name zijn exe­getische en historische. Toch gaf Barth zijn omvangrijkste werken op het gebied van de leerstellige Godgeleerdheid in engere zin.

A

 Daar is allereerst een aantal oudere studies, voor een belangrijk deel in “Zwischen den Zeiten” gepubliceerd, meestal terug te vinden in de reeds eerder genoemde bundels “Das Wort Gottes und die Theologie” (1925), “Die Theologie und die Kirche” (1928) en “Theologische Fragen und Antworten” (1957) (voor een recensie klik hier .)

Dan “Die Lehre vom Worte Gottes“, Prolegomena zur Christlichen Dogmatik (1927), waarvan geen verdere delen verschenen zijn.

Samen met zijn broer Heinrich Barth, in 1930 “Zur Lehre vom Heiligen Geist“.

B

Dan natuurlijk de 13 delen van Barths grote levenswerk “Die kirchliche Dogmatik“, samen ruim 9000 pagina’s, maar helaas toch onvoltooid. Het eerste deel verscheen in 1932, het laatste, een fragment van 1V, 4, in 1968. Hier is Barth dus ongeveer veertig jaar mee bezig geweest. Het is hem helaas niet gelukt om de ethiek te voltooien, de leer van het H. Avondmaal en de eschatologie. Maar hij gaf, behalve de Prolegomena (1, 1) de leer van Gods Drieëenheid (1, l), van de Menswording des Woords (1, 2), de Uitstorting van de H. Geest (1, 2), de H. Schrift (1, 2), de Verkondiging der Kerk (1, 2), de Godskennis (11, l), Gods Wezen en Volkomenheden (li, 2), Gods Uitverkiezing (11, 2), Gods Gebod (11, 2), de Schepping (111, l), de Anthropologie (111, 2), Gods Voorzienigheid (111, 3), Engelen (en daemonen: 111, 3), dan een deel ethiek over het Gebod van God de Schepper (111,4), de Rechtvaardiging (IV, l), de Heiliging (IV, 2) en de roeping van de Christen (IV, 3) met tenslotte de leer van de H. Doop (IV, 4). Deze aanduiding moge althans enigermate aangeven waar de 74 wel gereedgekomen paragrafen van de K.D. zo ongeveer over gaan.

C

Toen Barth in 1935 in het oecumenisch seminarie van Adolf Keller in Genève zijn lezingen over “Die Kirche und die Kirchen” (Theol. Ex. heute, 27) hield wist Dr. Visser ‘t Hooft de toestemming van hem los te krijgen om zijn colleges Ethik uit het zomersemester 1928 in gestencilde vorm te publiceren, mits deze voorlopige benadering van de ethische problemen niet aan notoire anti-barthianen zou worden geleverd. Zo heb ik me laten vertellen, dat aan professoren van de Vrije Universiteit deze levering toen geweigerd zou zijn, hetgeen karakteristiek zou wezen voor de toenmalige situatie. Op ongeveer 550 gestencilde bladen, in twee delen gebonden, is deze Ethik toen verschenen, bij mijn weten in 200 exemplaren. Velen weten van het bestaan hiervan nauwelijks af.

D

Barth hield er van bij zijn dogmatische werk een klassieke tekst uit te leggen. Zo verschenen verklaringen van verschillende geloofsbelijdenissen, met name:

Credo. Die Hauptprobleme der Dogmatik dargestellt im Anschluss an das Apostolische Glaubensbekenntnis (Barths Utrechtse colleges uit 1935, ook door Miskotte in het Nederlands vertaald)

Dogmatik im Grundriss (colleges in Bonn uit 1946, een tweede behandeling van het Apostolicum.

Gotteserkenntnis und Gottesdienst nach reformatorischer Lehre (de Gifford Lectures over de Confessio Scotica van 1560, gehouden te Aberdeen in 1937 en 1938)..

Einführung in den Heidelberger Katechismus (een lezing voor godsdienstieraren uit 1938, indertijd door Prof. dr . J. Bronkhorst in het Nederlands vertaald en verschenen bij Callenbach, omstreeks 1940; in 1960 ook in het Duits gepubliceerd: Theol. Studien, Heft 63).

Die christliche Lehre nach dem Heidelberger Katechismus (colleges uit Bonn in 1947). H. Berkhof-Heidelberger Katechismus

Tot deze groep behoort ook een Franse publicatie over de Catechismus van Calvijn:

La Confession de Foi de l’Eglise (Verklaring van het Apostolicum naar Calvijns Catechismus uit 1940-1943; Neuchátel, 1946) en ook

La Prière (Verklaring van het Onze Vader naar de Catechismussen uit de Hervormingstijd (Neuchátel, 1949; in 1965 in het Duits gepubliceerd in de vertaling van Helmut Goes).

Vervolgens enkele kleinere geschriften, waarin Barth dogmatische problemen aan de orde stelde, die later in de K.D. breder zouden worden behandeld. Beperkend tot het allerbelangrijkste kunnen genoemd worden:

Offenbarung, Kirche, Theologie (Theol. Ex. heute, 9; 1934),

Nein! Antwort an Emil Brunner (over de natuurlijke theologie en het aanknopingspunt; Theol. Ex. heute, 14; 1934),

Die Kirche und die Kirchen (over de oecumenische beweging; Theol. Ex. heute, 27; 1935),

Evangelium und Gesetz (Theol. Ex. heute, 32; 1935),

Gottes Gnadenwahl (over de uitverkiezing; Theol. Ex. heute, 47; 1936),

Die kirchliche Lehre von der Taufe (Theol. Studien, 14; 1943),

Die Schrift und die Kirche (Theol. Studien, 22; 1947; hierin Barths pleidooi voor het Congregationalisme),

Die Menschlichkeit Gottes (Theol. Studien, 48; 1956),

Evangelische Theologie im 19. Jahrhundert (Theol. Studien, 49; 1957) (Voor een recensie klik hier)

F

Tenslotte gaf Barth aan het einde van zijn veertigjarig professoraat nog eenmaal een samenvattende inleiding “Einführung in die evangelischen Theologie”  (Zürich, 1962), waarin met name de Prolegomena uit 1, 1 en 1, 2 van de K.D. nog eenmaal aan de orde komen, maar nu op een zodanige wijze, dat ook de inzichten, die Barth in de daartussen liggende 25 jaar verworven had, konden worden verwerkt.

Pagina's: 1 2 3 4 5 6 7 8