Mens en Dier

AANTEKENINGEN

1) In deel 111/4 pagina 367 heeft Barth verklaard waaròm de “eer­bied voor het leven” als grondslag van de ethiek voor hem onaan­vaardbaar is: “Het spreekt vanzelf, dat een theologische ethiek niet op deze grondslag gefundeerd kan worden. Waar bij Schweitzer het leven ligt, daar ligt bij ons Gods gebod.”

2) Barth wijst er in 111/4 pag. 398 op, dat déze notie “verantwoor­delijkheid” het uitgangspunt moet zijn van de relatie tussen mens en dier en plant; dat deze verantwoordelijkheid echter secundair van aard is, vergeleken bij de verantwoordelijkheid waartoe de mens geroepen is jegens zichzelf en jegens zijn naaste.

3) In deel III/1 pag. 210 (ook pag. 233) spreekt Barth eveneens over deze heerschappij, die bij daar een “begrensde heerschappij” noemt; “God staat als Schepper evenzeer boven de mens als de mens boven het dier!’

4 ) De mens onderscheidt. zich van het dier volgens deel III/1 pag. 267 v. hierin, dat hij (Gen. 2 : 7) tot levend wezen wordt op de “zeer directe, zeer persoonlijke, zeer bijzondere” wijze, waarop God in’ zijn neus de levensadem blaast (dit bericht uit het tweede scheppingsverhaal noemt Barth de “practische parallel” bij het “Laat ons mensen maken naar ons beeld” uit het eerste scheppingsverhaal); en volgens deel 111/2 pag. 431 v. bovendien hierin, dat hij als levend wezen verheven wordt tot de stand een deelgenoot’ van het verbond der genade te zijn: “Mensen en dieren kunnen gebóren worden, maar slechts mensen kunnen worden gedóópt” (111/2 pag. 432, ook pag. 475). (Men zie ook de regel van prof. Miskotte op pag. 7)

5) Hier doelt Barth waarschijnlijk op deel 111/4 pag. 395″ waar hij schrijft: “Ten aanzien van het driftleven kan men spreken van een abusus in excessu (een misbruik dat ligt in een te veel) en van een abusus in defectu (een misbruik dat ligt in een te weinig). Waar deze misbruiken zijn, is dwaling en zonde. De weg van de gehoor­zaamheid aan Gods gebod ligt echter precies, tussen deze twee mis­bruiken in: niet door die twee tegenover elkaar liggende fouten in een minnelijke schikking saam te brengen, ze te combineren of te vermengen, maar door ze beide te overwinnen. Reeds in dit opzicht alleen al leidt die weg tot levensvrijheid. De mens zal toch evenmin willen geraken onder het gewèld van zijn driftleven, als er volkomen afstand van doen. Hij zal er toch evenmin de passie als de angst voor wensen. Hij zal er, ook in zijn samenleving met de ander, toch niet de tyrannieke macht, de dictator in willen zien, en het ook niet als iets onbelangrijks terzijde willen schuiven, of het als een vijan­dige macht bestrijden. Hij zal toch voor zichzelf en voor de ander slechts willen, dat het driftleven tot zijn rècht mag komen. Wat echter betekent, dat het – lichamelijk, zoals het nu eenmaal zonder twijfel is – belééfd, maar dan ook mènselijk beleefd zal worden, als het leven van een mens, die ook in dit opzicht vrij is. Dat is de heiligmaking. En dat is, op dit terrein, gehoorzaamheid.”

6) In deel III/1 pag. 188 v. toont Barth, hoe God tijdens de vijfde scheppingsdag (van vissen en van vogels, vóór de landdieren! Gen–­1 :20 en 21) de mens van angst bevrijdt: “Hier is sprake van de zee en van het luchtruim, de gebieden in het laag gedeelte van de kosmos dus, die de mens van nature verre zijn en vreemd; de ruim­ten, waarin de mens of in het geheel niet of slechts op kunstmatige wijze en slechts tijdelijk kan verblijven; de ruimten, die gevaarlijk zij n…. En juist dáár – waar zou men het minder kunnen ver­wachten? – begint God Zijn schepping van zelfstandig levende wezens…. juist waar de mens de kaken van de dood zich al ziet opensperren, laat God het “wemelen” en vliegen…. Wat een ge­ruststellend schouwspel! …. Als hij naar dit schouwspel ziet en deze boodschap van de vissen en de vogels hoort, zal de levensangst voor de dreigende ruimte wijken en zal hij moed vatten om in deze ruimte te durven bestaan.”

Na deze opmerking over de schepping van vissen en vogels volgt op pag. 189v. van hetzelfde deel een aantekening betreffende de zegen: “God zag, dat ook hetgeen Hij op de vijfde dag in deze vreeswekkende ruimte had geschapen, goed was. Maar daarmee eindigt de berichtgeving niet. Hier wordt namelijk voor het eerst gesproken over een zégen, die God aan het schepsel gaf (Gen. 1 : 22). Deze zegen werd gegeven met het oog op de vrúchtbaarheid en vóórtplanting van deze bewoners van water en luchtruim. Bij de schepping van het licht, het uitspansel, de aarde, de planten en de lichten wordt van een dergelijke zegen niet gewaagd, blijkbaar is zij daar niet nodig…. (pag. 190): Gezegend wordt een schepsel, als het voor een bepaalde handeling van een ander de toestemming en de machtiging ontvangt, en de belofte van welslagen…. Dat God de waterdieren en de vogels zégent, dat is – eigenlijk reeds geen schepping meer, maar – voor het eerst een handeling van Hem mèt Zijn schepsel, een begin van diens geschiedenis, of althans een voorspel, dat de titel van zijn geschiedenis aankondigt: de op­richting van een Verbònd….”

Hierbij moge dan ook geciteerd zijn, wat Barth schrijft over de zegen, die aan de mèns gegeven wordt (Gen. 1 :28) in deel III/1, pag. 211: “De mens heeft de zegen van God nodig, wanneer hij (zoals het dier) als man en vrouw zich voortplant – èn wanneer hij (zoals God) gaat héérsen (“over al het gedierte”); de machtiging en de belofte Gods zijn voor deze handelingen, willen zij wettig zijn en zegen dragen, evenzeer onmisbaar als het scheppingswoord dat was voor het léven van die mens….”

Tenslotte wijst Barth in ditzelfde deel pag. 196v. op de bijzondere plaats, die vissen en vogels innemen in het Nieuwe Testament: “…. Pas in het N. T. echter is, naast het brood, de vis het voedsel voor de mens. Zo vertrouwd is hier het verre en vreemde gebied van de zee geworden, dat de Doop, waarin de mens uit het water wordt getrokken (vandaar ook de benaming: “vissers van mensen”, Matt. 4 :19) nu tot sacrament van roeping en verzoening wordt -zo vertrouwd ook, dat blijkens de inscripties in de catacomben behalve het lam en de duif juist ook de vis tot bijzonder geloofs­symbool en tot diagram van de naam van Jezus wordt gemaakt (namelijk ICHTHUS – I(èsoes) = Jezus, CH(ristos) = Christus, TH(eoe) = van God, U(ios) = Zoon, S(otèr) = Redder: Ichthus = Jezus de Gezalfde, Zoon van God, Redder; “Ichthus” betékent echter in het gewone spraakgebruik “vis”, J. J. P.). Ook de vogel wordt feitelijk pas in het N. T. tot het vertrouwde schepsel, dat hij volgens Gen. 1 : 20 voor de mens ook eigenlijk moest zijn…. de duif als gestalte van de Heilige Geest…. Zo krijgen ook de vogels hun deel in de boodschap van het N. T., en daarmee de bevestiging, dat ook zij door God geschapen en gezegend zijn.”

7) Het wild wordt niet in vs. 26, echter wel in vs. 24 v. genoemd.

8) Deze term, waarin meer het engelse aequivalent “fellow-creature”, dat Barth hier tussen haakjes noemt, wordt vertaald dan het duitse “Mitlebewesen”, wordt gerechtvaardigd door deel 111/2 pag. 345, waar als notie van schepsel-collegialiteit de gesláchtelijkheid wordt aangewezen, evenals door pag. 431 en 434, waar geschreven wordt dat de mens gemeen heeft met het dier, dat hij geschapen is, uit de aarde door God is gemaakt, en door de adem Gods levend wezen is geworden.

9) In deel III/1 pag. 20 v. schrijft Barth over de schepping van de landdieren en de mens, en wijst er op, dat deze dus op eenzèlfde dag geschapen werden: “Dit bijeenzijn van dier en mens vindt men overal in het Oude en het Nieuwe Tes­tament terug. Men leze bv. Jes. 43 : 20 v.: “Het gedierte des velds zal Mij eren, jakhalzen en struisen, want Ik geef water in de woes­tijn, rivieren in de wildernis om mijn uitverkoren volk te drenken. Het volk dat Ik Mij geformeerd heb, zal mijn lof verkondigen.” Waar God met de mens omgaat, daar zijn de dieren er bij aanwezig. Daarom ook moest de ark van Noach zo groot van afmetingen zijn omdat er behalve de acht mensen ook van alle dieren een paar binnen gebracht moest worden om het in het leven te behouden” (Gen. 6 : 19), “oni het geslacht in het leven te behouden op de ge­hele aarde” (Gen. 7 : 3). Daaraan zal men moeten denken bij de lezing van 1 Petrus 3 : 20, waar de ark als voorafbeelding van de Kerk wordt gezien. En als de zondvloed er dan is, gedenkt God niet alleen Noach, maar ook “al het wild gedierte en al het vee, dat met hem in de ark was” (Gen. 8 : l). En in het verbond, dat God na de zondvloed sluit met Noach, worden niet alleen diens zonen en nakomelingen, maar uitdrukkelijk ook “alle levende wezens, het gevogelte, het vee en het wild gedierte der aarde, alle gedierte der aarde” opgenomen (Gen. 9 :9). Maar ook in, het nieuwe vredes­- en genadeverbond van het einde der tijden zal volgens Hosea, 2 : 18 (bedoeld wordt vs. 17, J. J. P.) terwille van de Israëlieten een ver­bond zijn “met het gedierte des velds, het gevogelte des hemels en het kruipend gedierte der aarde,” een verbond dat plastisch wordt geschilderd in de beroemde tekst van Jes. 11 : 6 v. (“Dan zal de wolf bij het schaap verkeren….”). En dat gebeurt dan volgens Jes. 11 en Ezechiël 34 :25, 28 zo, dat de wilde dieren de tamme dieren en de mens geen kwaad meer doen, en volgens Joël 2 : 22, dat anderzijds de dieren des velds niets meer behoeven te vrezen. Hier zij ook vermeld, dat het gebod om op de sabbatdag te rusten niet alleen de slaaf en de vreemdeling, maar ook het rund en de ezel van de Israëliet beschermt; eveneens dat volgens Jona 4 : 11 de grote stad Ninevé, waar God in tegenstelling tot zijn ongeduldige profeet medelijden mee heeft, als de plaats beschreven wordt “waarin meer dan honderd twintig duizend mensen zijn, die het onderscheid niet kennen tussen hun rechterhand en hun linkerhand, benevens veel vee” – ook, dat (Spreuken 12 : 10) de rechtvaardige weet wat toekomt aan zijn vee – en niet in de laatste plaats, dat de Messias Jezus volgens Marcus 1 :13 eerst bij de dieren was “en de engelen dienden Hein” voordat Hij Zijn ambt aanvaardde. En als volgens de voorzegging van Zach. 9 :9 en de vervulling van Matt. 2-1 : 1 v. juist de ezel de bijzondere eer geniet de Zone Davids naar Jeruzalem te mogen dragen, dan moet men dit niet alleen hieraan toeschrijven, dat de ezel het tegendeel uitmaakt van het fiere oorlogspaard van een wereldoveraar, maar stellig ook daaraan, dat juist op dit moment en in deze situatie het dier, als voorloper en metgezel van de mens, niet mag ontbreken in de kring van hen die de in vervulling gaande goddelijke zegen dragen en verkondigen. Hoe merkwaardig, dat (volgens Lev. 20 : 25 en vele andere teksten) niet slechts tussen reine en onreine mensen, tussen reine en onreine situaties, verhou­dingen en zaken, maar ook tussen reine en onreine dieren scheiding wordt gemaakt, en dat tot de eerstgeboorte, die op speciale wijze den Here aangeboden en geheiligd dient.te zijn (Ex. 34 :19, Num. 18 : 15), ook die van het dier behoort…. en dat (Deut. 13 : 15, 1 Sam. 15 : 3) bij de verovering van een vijandige stad ook het vee met de ban geslagen moet worden. Maar ook aan het rechtsgeding, dat de Here God heeft met Israél zelf, wordt het dier onderwor­pen: “Omdat er geen trouw, geen liefde en geen kennis Gods is in het land…. daarom treurt het land, en al wat daarin woont ver­kwijnt, zowel het gedierte des velds, als het gevogelte des hemels; ja, zelfs de vissen der zee komen om (Hos. 4 : 3). (In dit verband verwijst Barth nog naar Jes. 7 :20 – hetgeen een drukfout moet zijn – en naar Jer. 12 : 4, Jes. 50 : 2 en Ez. 38 :20). Dat mens en vee geen stand zullen houden, maar tezamen zullen worden uit­geroeid, is in de dreiging der profeten een steeds weerkerend refrein. En zo krijgt in Jona 3 : 8 zelfs het vreemde gebod van de koning van Ninevé een mogelijkheid van bestaan: dat mens èn dier als teken van algemene boetedoening zich in rouwgewaden zullen hullen. En zeker niet in de laatste plaats moet ook op het dier betrokken worden het beroemde stuk dat Paulus in Rom. 8 :26 v. (bedoeld wordt vs. 19 v.) schrijft over het »reikhalzend verlangen” van de “schepping”, die niet vrijwillig, maar om den wil van Hem, en juist daarom ook niet zonder hope aan de vruchteloosheid onder­worpen is, de schepping, die dus met ons zucht en in barensnood is, wachtend op de wederkomst van de Messias. Het dier is met zijn zo geheel andere aard en levenswijze niet zonder gevòlgen zo dicht bij het hart van de schepping geplaatst, niet zonder gevolgen ook met dezelfde zegen gekroond als de mens. Zo is het ook beladen met de vlóek van de mens. Zo is het ook verstrikt in diens levens­verwarring. Zo moet het nu ook samen met hem lijden en sterven. Zo zal het echter ook (en ook dat stellig op zijn eigen wijze!) “bevrijd worden van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods” (Rom. 8 : 21). “Mens en dier verlost Gij, Here” (Ps. 36 : 7) – dat is een draad, die door de gehele Bijbel loopt, en die nu juist in Gen. 1 : 24 v., waarin mens en landdieren zo opvallend dicht bijeen worden gezet, voor de eerste keer onmiskenbaar zichtbaar wordt.”

10) Gebruikt Barth hier het woordje “Gabe”, op pag. 371 van 111/4 preciseert hij (ook) het dierenleven als “Leihgabe”, lééngoed.

11) In deel 111/4 pag. 392 tekent Barth protest aan tegen de (weinig “vriendschappelijke”) wijze, waarop wij menselijke aberraties in het driftleven vaak qualificeren als “dierlijk”: “Als een mens zich in zijn driftleven niet menselijk, dat is: verantwoord, wil gedragen, dan leeft hij daardoor niet dierlijk, maar benéden-dierlijk. Het dier heeft een instinct, waardoor het zich in de bevrediging van zijn behoeften niet verder laat gaan dan strict nodig is. Zo’n instinct heeft de mens niet. Maar daarvoor in de plaats heeft hij zijn ver­stand, dat bij vrij en eigenmachtig kan gebruiken, zijn verantwoor­delijkheid ook tegenover God en naaste. Stoort hij zich daar niet aan, en geeft hij zijn driftleven de vrije teugel, wéét hij derhalve niet (want hij moet het wéten!) wanneer en waaraan hij voldoende heeft, weet hij niet wat hij mag willen, dan komt hij (niet pas in de practijk, wanneer hij Je ver” gaat, maar reeds principieel bij de eerste schreden op dit pad) tot een caricatuur van het driftleven, tot een mentaliteit van genotloze genotzucht, waartoe het dier een­voudig niet in staat is. De mens staat tegenover zijn driftleven voor de keuze zich als een mens te gedragen of als een dwaas. Een dier is en blijft een dier. Een dier wordt geen dwaas. Daarom late men het na, menselijke dwalingen op dit terrein te vergelijken met het leven van de dieren.”

In 111/2 pag. 219 wordt nog krasser geformuleerd: “De mens kan geen dier worden. Hij kan slechts mens zijn of niets zijn.”

12) Zie voor dit “individu” ook III/1 pag. 188v. (aantekening 6), waar Barth alleen dieren en mensen “zelfstandig levende wezens” noemt; in deel 111/2 pag. 449 verklaart hij: “Van zelfstandig leven is eigenlijk alleen maar sprake, waar een lichaam niet aan een bepaalde plaats gebonden is.”

13) Over het dekken van deze tafel tijdens de derde scheppingsdag (Gen. 1 : 11 en 12), drie dagen voordat de gast zou arriveren, schrijft Barth in deel III/1 pag. 170: “De mens behoeft zich werkelijk geen zorg te maken over de vraag: “Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleden?” (Matt. 6 :31) want nog voordat hij de vraag kon stellen, ja voordat hij zelf er is, ligt alles al klaar: God heeft voor hem gezorgd, nog voordat Hij hem schiep…. Zo leeft de mens, reeds op het moment, waarop hij zijn leven begint, van Gods genade; hij eet van de tafel, die al van tevoren voor hem is gedekt.”

14) Volgens inzichten van de oudtestamentische inleidingswetenschap zijn P. (de priesterlijke schrijver aan wie de Priestercodex toe­geschreven wordt) en J. (de Jahwist) twee van de auteurs of de scholen, die de Pentateuch hebben gecomponeerd.

15) Een uitleg van Gen. 9 :6 “Wie des mensen bloed vergiet, diens bloed zal door den mens vergoten worden….”

16) (Losse aantekening). In deel III/1 pag. 332 en 371 en in deel 111/2 pag. 351 v. staat ten aanzien van het tweede scheppingsverhaal (Gen. 2 A9-25) geschreven, dat de schepping van de dieren daar geen zelfstandige betekenis bezit, maar slechts dient tot »achter­grond” voor het eigenlijke werk, de schepping van de vrouw en de jubel van de man: »Dit is nu eindelijk….” (Gen. 2 :23): “Dat niet het dier, maar pas de vrouw de hulp is die bij hem past, dat laat God de mens van stap tot stap ontdèkken… .”

Pagina's: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12