De zondag

 

 

 

 

 

God en de naaste

Het heeft daarom geen zin over de oude schrijvers van Ethieken het voorhoofd te fronsen, omdat zij (en wel eens wat schematisch) „de plichten van de mens tegenover God” onderscheiden hebben van „de plichten van de mens tegen­over zijn medemensen en tegenover zichzelf’. Het is veel bedenkelijker om uit de onaanvechtbare waarheid, dat de liefde tot God de wortel van alle zedelijkheid is, met E. Brunner de conclusie te trekken, dat onze verhouding tot God als zodanig zelf niet op het terrein van het zedelijke ligt. De liefde tot God en de liefde tot de naaste zouden zich dan volgens Brunner verhouden als bron en beek, als boom en vrucht. Er zouden volgens hem geen plichten tegenover God zijn op dezelfde manier als er plichten tegenover de naaste zijn; er zou geen direct op Godzelf gericht handelen zijn. Zou dat er zijn, dan zou het, zo vreest Brunner, een zo alles overheersend accent krijgen, dat het alle andere handelen geheel in de schaduw zou stellen. Vlucht uit de wereld en uit het mensenleven in de vorm van allerlei mystiek en ascese zou het onmiddellijk gevolg zijn. Neen, volgens Brunner is het gebied van het zedelijke alleen de in de liefde tot God gefundeerde naastenliefde. Dit is alles wel zeer abstract.

Men nadert hier het standpunt van A. Ritschl. Hij schrijft: de liefde tot God openbaart zich alleen in liefde tot de naaste. Ook hij komt uit afkeer van mystiek en ascese tot de opvatting, dat er tegenover God, behalve dan het algemene respect voor zijn plaats en functie, geen enkele rechtstreeks op Hem betrokken activiteit mag bestaan. En niet in het minst dit verbod is het, dat de Ritschliaanse theologie zo’n merkwaardig vreugdeloos karakter gegeven heeft. Iets daar­van is toch ook in de ethiek van Brunner binnengeslopen. N. H. Søe heeft hiertegen wel terecht bezwaar gemaakt. Zeker kan men zich aan zijn verplichtingen tegenover de naaste geen moment onttrekken door uit te wijken naar een bizonder religieus terrein; zeker is er geen enkele menselijke onder­neming evenmin als enige religieuze beleving, waardoor men het welbehagen Gods zou kunnen verwerven of behouden. En slechts op grond van een zeer gedwongen exegese van Mare. 12 : 29 e.v. kan men zeggen, dat het gebod tot naasten­liefde het gebod om God lief te hebben zou absorberen of het zijn zelfstandig karakter zou ontnemen. Neen, het dub­bele liefdegebod wijst ons veelmeer op twee relatief (slechts relatief, maar relatief zeer duidelijk) gescheiden terreinen. Naast de arbeid staat het gebed, naast de actieve broeder­liefde de Godsverering in engere zin, naast het deelnemen aan het leven in de staat en de maatschappij ook het deel­nemen aan het leven in de gemeente, naast de andere weten­schappen ook de theologie. Dit alles is gebod en plicht, dit alles is een zaak van menselijk actief bezig-zijn, niet slechts, zoals Brunner enigszins gekunsteld onderscheidt, een zaak van alleen maar ontvangen. Inderdaad is er in het hemels Jeruzalem (Openb. 21 : 22) geen tempel, doch dit hangt hier­mee samen, dat het zedelijk vraagstuk daar in het geheel geen probleem meer zal zijn: dat de verhouding van God en mens daar ook van de mens uit gezien definitief geordend en geregeld zal zijn. De heilige Schrift in oud en nieuw testa­ment gaat echter uit van een menselijk bestaan hier en nu, waarin het zedelijk vraagstuk in elk geval van de mens uit gezien nog altijd en telkens weer open is. De heilige Schrift doet ook in dit opzicht niet alsof we reeds in de hemel zijn, maar vertelt ons (Marc. 6 : 46) van Jezus zelf met nadruk, dat Hij ook het volk heen kon zenden om alleen de berg te be­klimmen om te bidden. „Hij bracht de nacht door in gebed tot God” (Luc. 6 : 12). Evenzo waren er immers volgens het oude testament van het begin af ook bizonder aangewezen plaatsen, waar God bizonder tegenwoordig was en horen we in het oude testament van een op bepaalde tijden zeer be­paald de mens geboden handelen. Ook Israëls profeten waren niet maar in een gesprek met hun volk, maar voor alles en eerst in een gesprek met de God van dit volk gewikkeld. In Matth. 6 : 6 wordt de bidder bevolen in zijn binnenkamer te gaan, de deuren te sluiten (en dat betekent toch ook wel zich van zijn naaste te isoleren) om in het verborgen tot zijn Vader te bidden. Welnu, men accentuere in elk geval niet te eenzijdig, dat de rechte verhouding tot God het één en al, grond en wortel van alle overige betrekkingen van het men­selijk handelen is. Dit is natuurlijk waar; maar waarom zou de verhouding tot God ook los daarvan op zichzelf niet van groot belang zijn? S0e citeert een Scandinavische schrijver, die niet ten onrechte de vraag heeft gesteld: „of de liefde tot de medemens toegenomen is, sedert de liefde tot God zienderogen is verminderd”.

Pagina's: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14