Heren van de praxis






“DOOR GOEDE MACHTEN TROUW EN STIL OMGEVEN…”[1]

Inleiding

Wanneer Karl Barth over engelen en demonen spreekt, ziet hij daar gezich­ten bij. In zijn dodelijke twist met Emil Brunner ziet hij diens natuurlijke theo­logie als een “Dämon”[l2] aan. Zijn moeizame poging om Rudolf Bultmann te ver­staan draagt hij aan Bultmann op met de woorden “O Engel, verzeih’ mir…!”.[3]  Voor iemand die zo direct omgaat met engelen en demonen is een angelologie geen specula­tieve, maar een hoogst praktische vorm van weten­schap. Het is de vraag of wij dat kunnen meemaken. 

Barths engelenleer wil maar niet doorbreken. Bij het ver­schijnen schreef K.H. Miskot­te nog enigszins verbluft: “We gaan in dit stuk van verrassing tot verras­sing…”[4]. Maar H. Berk­hof oor­deelde in 1973: “Dit gedeel­te van Barths oeuvre heeft minder invloed gehad dan enig ander.”[5] Dat oordeel begint de trekken van een orakel te krij­gen. Dat werkt ontmoedi­gend om met dit thema bezig te zijn.

Daar staat tegenover dat E. Thurneysen als praktisch theoloog aan de angelo­logie een belang­rijke plaats heeft toegekend. Hij vatte de leer op als theore­tische onder­steu­ning van de pastora­le p­raxis van het exorcis­me.Thur­neysens eerste prak­tisch theolo­gische leer­boek, Die Lehre von der Seel­sor­ge [6], culmineer­de in de stel­ling dat het pastoraat meer is dan het zoeken naar vergeving en verzoening voor de indivi­duele mens en diens persoon­lijk tekort. Pastoraat is ook de strijd tegen grotere krachten en hogere machten die het mense­lijk leven in de greep hebben en die effect hebben, zowel op de psyche als op de sociale en poli­tieke ver­houdin­gen. Thur­neysen verwees dan ook niet alleen naar de pastorale strijd van Blumhardt om de psychi­sche be­vrijding van Gottlie­bin Dittus, maar ook  naar de politieke strijd om gerech­tigheid van Kutter en Ragaz, en evenzeer naar de bemoedigende brieven, die  Barth in de oorlogsjaren schreef aan de kerken in de bezette gebieden[7]. Deze koppe­ling van de angelo­lo­gie aan de pastorale praxis en de soci­aal-poli­tieke strijd  heeft wel dege­lijk invloed gehad op het hande­len van de gemeente in de jaren ’60 en ’70. Dat moet ter correctie van Berkhof worden gezegd[8]. Niette­min is ook in dit praktisch theologische spoor de expli­ciete functie van de enge­len­leer ver­bleekt.

Wij willen de eventuele praktische zin van  Barths engelenleer op het spoor komen door er een beschrijving van te geven. Bij deze beschrij­ving wordt veron­der­steld dat de betreffende tekst uit de K.D. de schrif­te­lijke fixatie is van reëel gegeven colleges, uit het eind van de jaren veertig. Het wordt dus een beschrijving van een moment van educa­tieve praxis . In deze be­schrij­ving zal reeds een goed deel van de praktisch-theologi­sche ver­wer­king worden opge­nomen[9]. De vraag die mij daarbij leidt is: Kan deze dogma­ti­sche cursus zinvol doorwerken in het eigentijdse handelen van de ge­meente en zijn er voorstellen nodig tot verandering en verbe­te­ring?[10]   

I. Samenvatting vooraf.

De beschrijving van de engelenleer van Karl Barth in K.D. III,3, paragraaf 51, kan men het beste be­ginnen door aandacht te geven aan een samenvatting die Barth zelf daar­van reeds eer­der gege­ven heeft. Het be­treft de laatste excurs uit para­graaf 49, d.w.z. de excurs waarmee de leer van de voor­zie­nigheid wordt beslo­ten[11]. Hier horen we in de kern reeds wat later uitvoe­rig wordt uitge­werkt. Met deze schamele drie blad­zij­den voor ogen is het een­voudi­ger om de weg te vinden in de 200 bladzij­den die aan de enge­lenleer zijn gewijd.

Hoe komt Barth daar op het thema?

Nadat in KD III,1 over God de schep­per en in KD III,2 over de mens als schep­sel is ge­sproken, komt in III,3 de rela­tie tussen deze schep­per en de geschie­denis van dit schep­sel aan de orde. Daar wordt in de eerste plaats over de voor­zie­nig­heid gesproken. Barth wijst een aantal con­stan­te elemen­ten in de ge­schapen werkelijk­heid aan, die  tekenen zijn van Gods voorzienige be­moeie­nis met de wereldge­schiedenis. Hij noemt de  Schrift en de christe­lijke gemeen­te, hij noemt de levende, actuele ge­schie­denis van de joden, en maakt  een onver­wachte wending door te wijzen op het naakte en toch zo gena­dige feit, dat het indi­viduele mense­lijke leven  be­grensd is. Al deze elementen zijn voor de goede verstaan­der tekenen dat God regeert. En dan – als alles gezegd is naar het schijnt – wijst hij in kleine let­ters op een teken van Gods voor­zienig­heid dat veel ster­ker is dan alle hiervoor genoem­de, en dàn komt hij onver­hoeds over de enge­len te spre­ken. Ook de engelen zijn in de gescha­pen werke­lijk­heid tot een teken gesteld. Hun werk­zaamheid in kerk en wereld is onmis­kenbaar groot. Dat ze niet opvallen heeft met hun dienstbare functie te maken. Ze kunnen als het ware slechts vanuit de ooghoe­ken worden waar­genomen. Zij behoren in para­graaf 49 tot de kleine letters van het contract tussen God en mens[12].

De royale be­spreking die later, in paragraaf 51, aan hen wordt gewijd heft deze marginale positie­ niet op[13].

Barth doet in het bewuste excurs, na de inleidende alinea, vijf uitspraken over de enge­len. Ik geef ze in eigen woorden weer:

Gedenk de onderscheiding van  ‘hemel’ en  ‘aarde’.

Wij zijn geneigd gemak­kelijk te ver­geten, dat het we­reld­ge­beuren méér is dan wat er op aarde ge­beurt. Wij zijn ge­neigd te denken dat het we­reld­ge­beuren opgaat in het ons beken­de en ­toe­gan­kelijke, aardse ge­beuren. ­Wij verge­ten dan dat het zich ook vol­trekt op een ander nive­au, het ‘heme­lse’ ge­beuren, dat wil zeggen het gebeuren dat voor ons ontoe­gan­kelijk en ver­borgen is, maar dat wel tot de geschapen werkelijkheid behoort en dat geheel en al op het aardse gebeu­ren is betrok­ken. Wij moeten er steeds opnieuw aan herin­nerd wor­den, dat leven op aarde zich af­speelt onder de hemel en wel onder de bestem­ming van de hemel.

Versta de strekking van de bede: ‘Uw wil geschiede zoals in de hemel, zo ook op aarde.’

Het hemelse gebeuren heeft geen zin in zich zelf. Het wordt door God ingezet om op aarde geschiedenis te maken. God heeft zijn plaats in de hemel gekozen om zich vandaaruit op te maken en recht te doen op de aarde. De hemel en al wat daarin is, volgt God in zijn bewe­ging. Waar God is, daar doet de hemel dienst. Gods regering, Gods rijk, brengt de hemel in beweging, verandert haar structuur, ‘scheurt de hemel open’ en brengt aldus de hemel bij de aarde. De krachten van die hemelse wereld die voor ons prin­cipieel onzicht­baar zijn nemen dan gestalte aan en grijpen in in ons aardse gebeuren. Zij worden dan tot reëele factoren in onze ge­schiede­nis. Maar in onze ge­schiedenis zijn zij dan wel te onder­scheiden als vreem­de, onbe­grij­pel­ijke factoren.

Benoem deze vreemde factoren in de geschiedenis voorlopig als ‘enge­len’. Engelen  zijn ele­menten van het hemelse gebeuren dat door God in beweging wordt ge­bracht. Maar zij leiden alszodanig geen eigen le­ven. Zij zijn de dienst-boden van God en horen strikt bij zijn woord en zijn werk.

Let op hun functie: zij zijn de primaire getuigen van Gods ge­schie­denis.  Hoewel zij be­scheiden aan de rand van het gebeuren van God met ons ver­schij­nen, zijn zij het die dat gebeuren bewaken, zij kondigen het aan, wekken er de aan­dacht voor, al of niet met de stoot op de sjofar. In die func­tie lopen ze voor­uit op alle profe­ten en aposte­len, op de kerk, op de joden, en op ons eigen be­staan. Zij zijn het oer­beeld van Gods ge­tuigen. Zij zijn de ‘media’ van God.

Wees alert op de werkzaamheid van de engelen.

Het is mogelijk een wereldbeeld op te bouwen waarin voor zoiets absurds als en­ge­len geen plaats is. Maar het kan zijn dat er in dat wereldbeeld vroeg of laat ook geen plaats meer is voor de anderen ge­tuigen van God en ten­slotte ook niet meer voor God zelf. Waar God is zijn zijn enge­len. Waar zijn enge­len niet zijn, daar is ook God niet. Het is daarom beter het wereld­beeld open te houden voor die vreemde factoren. Terwijl God erop wacht dat wij zijn woord horen, wachten ook de enge­len erop om ‘geherbergd’ te worden.

Hiermee is in nuce gezegd, wat Barth ter zake van de engelen (n.b. hier nog niet van de demonen!) aan de orde wil stellen. Voordat we nu aan de beschrij­ving van deze leer zelf begin­nen maken we twee notities van structurele aard.

II. Structurele notities.

Het Extra-Barthianum.

Het valt op dat het deel K.D. III,3  losjes is opge­bouwd. Het is een  samen­hang van tegen­stellingen: èn Gods voor­zie­nig­heid èn het rijk van het kwaad, èn de enge­len èn de demo­nen. Om wat voor samenhang gaat het hier? Wat is de aard van dit ‘èn’? Barth mag een ver­klaard tegen­stan­der zijn van een UND- Theo­lo­gie, hij mag hier zoals overal de christo­logi­sche draad door alles heen en voor elke prijs vast­hou­den – zoals hij in het Vorwort vermeldt -, ­dat bete­kent niet dat zijn blik tot één zaak beperkt blijft. Het betekent evenmin dat hij alleen maar kan denken in termen van  Entwe­der…Oder…Hij ont­wik­kelt zich in dit deel van de KD tot een theo­loog, die denkt in termen van ‘ook’…’ook’…In de Leit­satz van para­graaf 48  horen we dat naast het hoofd­thema van de verbondsgeschiedenis “auch” de ge­schie­de­nis van het ge­schapen zijn binnen de aan­dacht komt. In para­graaf 50 klinkt in de Leit­satz  (nadruk­kelijk drie­maal)  dat “auch” de be­dreiging van het kwaad aan de orde moet komen. En nu horen we bij de introductie van ons thema  op S. 558 nog nadruk­ke­lijker  (tot tienmaal toe) dat “auch” de rol van de engelen bedacht moet worden. Steeds opnieuw wordt hier ruimte gemaakt voor een thema dat niet direct met het hart van de zaak te maken heeft, niet direct met de ver­bonds­geschiede­nis van God met de mens, maar dat “auch” van belang is: dus ook de ge­schie­denis van het ge­scha­pen zijn, en dus ook de bedrei­ging door het kwaad , en dus ook de enge­len en ook de demo­nen. We moeten ons ervan bewust blij­ven dat het om een van origine los ver­band gaat. Iedere vorm van systee­mdwang wordt verme­den. De engelen horen er ‘ook’ bij. Niet meer en niet minder. Zij behoren tot het Extra-Barthianum. 

De taalvorm van de engelenleer.

Zoals gewoonlijk opent Barth de paragraaf met een methodologische uiteenzet­ting. Onder de titel ‘Grenzen der Angelologie’ wordt een verantwoording gegeven van de me­thode van het denken over de engelen. In feite een oefe­ning in theologische hermeneutiek.  

Daarna wordt in twee Abschnitte de leer zelf ont­vouwd. De func­tie van de enge­len  kan slechts verstaan worden in de context van het Rijk van God. Van­daar dat eerst deze context aan de orde wordt gesteld, onder de titel ‘Das Himmel­reich’. In tweede instantie komt dan de functie van de enge­len en de demonen ter sprake, onder de titel ‘Gottes Bot­schaf­ter und ihre Wi­ders­acher’.

Ik wijs er op dat in de Abschnitte over context en functie de taalvorm anders is dan die van het inlei­den­de betoog over de methode. De dogmatische betoogtrant krijgt daar gaandeweg de allure van de vertel­ling. Het dis­cours de la methode wordt meer en meer vervangen door een recit de l’his­toi­re.  Met behulp van bij­belse beeld­taal  worden de enge­len en de demo­nen op het toneel gezet en aan het werk getoond. De taal krijgt daar­door een kracht waar­door het de werke­lijk­heid van deze vreemde, absurde gestal­ten represen­teert en zo voor de lezer en hoor­der nabij brengt. De over­tui­gingskracht van deze passa­ges is gelegen in de repre­sen­ta­tieve kracht van de vertelling. Overigens, voor wie weerstand kan bieden aan deze kracht is er ook nog gezorgd voor een voort­durende onder­stroom van humor, die in ieder geval bij de voor­dracht in de college­zaal tot uitbar­stingen van vreugde hebben geleid[14].

We zullen het ‘betoog van de methode’ en het ‘verhaal van de geschiedenis’ beide nodig hebben om iets te verstaan van wat hier bedoeld is. Maar het verhaal krijgt hier de voorrang. Dat heeft te maken met Barths inzicht in de oor­spronkelijke gestalte van de theologie. De markante beelden en grillige visioenen van Johannes de ‘theoloog’ uit Open­baring 4 en 5  beschouwt hij als een beter voor­beeld van wat ‘theo­logie’ is, dan wat men sinds­dien daar­onder verstaat[15]. Barth probeert zelf ­de weg terug te vinden naar de bewus­te naïviteit van de vertel­ler.

III. Beschrijving: methode – context – functie – bemiddeling. 

methode

Naden­ken over de engelen is een wijze van theo­logi­seren. En dat bete­kent dat theo­logen juist bij de behande­ling van dit thema trouw moeten blijven aan de metho­de die zij voor hun theologisch denken alszodanig gekozen heb­ben. Voor Barth bete­kent het dat hij uitgerekend hier een uiteen­zetting geeft over de fundamen­ten van zijn theo­lo­gi­sche metho­de. Hij biedt een over­zicht over de denkweg die hij tijdens zijn studie van Anselmus gekozen heeft: de weg van het credo ut intel­li­gam, van het fides quae­rens intellec­tum[16]. Maar hij biedt het nu aan in de vorm van een herme­neuti­sche methode, een weg om  bijbelse frag­menten te verstaan en uitte­leggen , en dan met name die fragmenten waarin sprake is van enge­len.

Ik schets de opzet van het betoog dat onder de titel  ‘Grenzen der Angelologie’ in vijf punten wordt ontwikkeld.

1) De Schrift als uitgangspunt (429 – 430).

Uitgangspunt van het proces is datgene wat de Schrift van Oude en Nieuwe Testa­ment aan de orde stelt onder de noemer enge­len. We zullen ons dus niet bezig houden met ‘Ho­gere wezens’ in het algemeen.

Herme­neu­tisch inte­res­sant is de wijze waarop Barth vanaf de eerste regel onder dit punt de Schrift introduceert. Hij spreekt niet over een tekst, die zich aanbiedt voor de min of meer geïnteresseerde lezer. Hij stelt het zo voor, dat de Schrift zich in ons midden bevindt als “der Lehrer und Meister”. De Schrift wordt hier als subject opgevat en wel als subject en initiator van het leer­proces van de theoloog. Dit is meer dan een metafoor. Het is de beschrij­ving van de veron­derstelde relatie tussen de Schrift en de gemeen­te. De gemeente, die de Schrift hoort en tracht te verstaan, beschikt niet over de tek­sten als over het materiaal van haar hermeneu­tisch proces. Zij hoort in deze teksten de stem van een leraar, die bij haar een leerproces op gang brengt[17].

Dit leerproces beschrijft Barth nu in de volgende vier punten als een dubbele beweging, eerst van intellectus (2) naar fides (3), en dan weer van fides (4) naar intel­lec­tus (5), in een voort­gaand proces.

Denken en geloven zijn de beide tegengestelde polen van deze bewe­ging. Het zelf­stan­di­ge, vrije en kritische denken en het gehoorzame, op de zaak van de Schrift betrokken gel­oven. Het leerproces beweegt zich nu tussen deze polen in een voorwaarts gerichte beweging, waarin gaandeweg steeds meer helderheid komt, maar waar onderweg steeds ook ongelukken kunnen gebeuren. Het is een leer­pro­ces dat al eeuwen gaande is en we worden dan ook terzijde herin­nerd aan de geluk­kige en ongelukkige bewegin­gen die er door de apolo­ge­ten, de kerk­vaders, de mid­deleeuw­se scholastici, maar ook door orthodoxe en liberale protestantse theologen in de negen­tiende eeuw zijn ge­maakt.

Ik volg nu dit hermeneutische proces, zoals Barth het aangeeft.

2) Kritisch denken: onderscheid tussen geschiedenis en fictie (430 – 437).

Het leerproces komt op gang wanneer wij ons met de Schrift “auseinanderset­zen”. Dat geschiedt door discussie, gesprek, door kritische onderscheidingen aan te bren­gen, door reken­schap te geven van waar het hier om gaat. En dat alles met het oog daarop dat we de zaak waar het in de Schrift om gaat kunnen ver­staan en verklaren.

Dat betekent dat we beginnen met enige kritische distantie in acht te nemen jegens de tekst. Dat wil zeggen: durven ‘uitgaan’ van de tekst, zoeken naar de zaak die het aan de orde wil stellen en onderzoeken wat wij daarover in waarheid kun­nen weten en spreken. G­een blinde erken­ning en deduc­tie van schrif­tuur­lijke gege­vens! Geen sacri­ficium intel­lec­tus. Dat heeft niets met leren te maken.  Voorzo­ver er al tra­ditionele vormen van exegese zijn die dit beoe­fe­nen, dan is het in het dogma­tisch denken onmo­gelijk. Hieraan hangt de geloofwaardigheid van onze uitspraken.

Barth geeft dadelijk een hier ter zake doend voorbeeld van kritische dis­tan­tie. Het betreft het geschiedenisbegrip[18].

Als de bijbel verhalen vertelt over engelen dan maakt zij de overgang van historisch verifi­ceerbare geschiedenis naar het gebied van de sage of de legen­de. Het zijn verhalen die slechts met fantasie en in de vorm van fictie kunnen worden verteld. Dit onderscheid tussen historie en sage is een moge­lijkheid van het moderne denken. De oudere theologie kende dat niet. Wij moeten dit onderscheid wel maken en kunnen zelfs verder gaan en con­sta­te­ren dat alle bij­bel­se ge­schie­de­nis op weg is naar dit gebied van de sage en dat de engelen­ver­halen slechts die over­gang  ­mar­ke­ren.

Nu maakt Barth een vrij gebruik van deze moderne onderscheiding. Hij wil hiermee namelijk geen concessie doen aan het moderne denken, in de zin dat derge­lijke ­fic­tie verder geen verband meer zou hebben met enige werkelijk­heid of waar­heid, en dus geen andere status zou hebben dan de verhalen over Rood­kap­je en de Paas­haas. Inte­gen­deel. Sagen en legen­den kunnen soms de enige vorm zijn waarin echte ge­schiedenis, die in ruimte en tijd plaats­ vindt verteld kan worden. De ge­schiedenis van God en mens is een zodanige wer­ke­lijke ge­schie­denis met een zodanig geheimenis, dat het niet als histo­rie, maar slechts in de vorm van sage ver­teld kan worden. Het waar­heidsge­halte van deze sage hangt dan af van de mate waarin de fantasie betrokken is op haar voorwerp, op de bijzondere werkelijke ge­schiedenis van God en mens. Is het wilde fan­tasie, of gediscipli­neerde, geordende, zinvolle fantasie? Het leren ver­staan van derge­lijke verhalen betekent dus: nagaan in hoeverre wij het daarin te doen hebben met werke­lijke ge­schiedenis. Dat is het begin van de herme­neutische bewe­ging.

3) De uitdaging van het geloof: originaliteit (437 – 466).

De kritische Auseinandersetzung met de Schrift stoot nu op de andere pool. Het denken over de engelen moet wel betrokken blijven op de voorstellingen en de be­grip­pen die in de Schrift aan de orde wordt gesteld. Het geloof, dat leeft van deze zaak, daagt het denken uit om het eigen Vorverständnis ten aanzien van hogere wezens en een geestelijke wereld  onder kritiek te laten stellen. Om te begrijpen waar het in de bijbelse verhalen om gaat zal heel wat ballast over boord moeten worden gezet. Dit is een uiterst kriti­sche onderneming, omdat juist in de beeldvorming van engelen zo’n grote traditie is gevormd. Het komt er nu op aan om door deze beeldvorming heen te dringen en zicht te krijgen op de originele gestalte van de enge­len. Het ver­staan van de teksten over engelen  bete­kent dat we de origi­nele gestal­ten van die vreemde, absurde wezens weer voor ogen moeten krij­gen.

De oudste traditie van de kerk laat wel zien hoe moeilijk het is om niet toch met heel ander, buiten-bijbels beeldmateriaal te werken. Opvallend is overi­gens dat Barth de beschrij­ving van de beweging van de enge­len van neo-platoon­se Dio­ny­sius de Areo­pa­giet beter kan waar­deren dan de zijns-analyses van de aristotelische denker Thomas van Aquino. Het gaat er immers om de beweeglijke gestalten van de engelen voor ogen te krijgen, en niet om het begrip ‘engel’ zo precies mogelijk te definiëren[19].                                                    

4) De moed hebben om origineel te zijn (466 – 476).

Deze kritische zuivering van het Vorverständnis is nog niet genoeg. We moeten nog een stap ver­der gaan. Wanneer door bijbelse concentratie de origi­nele ge­stal­te van de enge­len in beeld is gekomen, kan men  alsnog terug­schrik­ken voor de onbe­grijpe­lijke en duis­tere aspec­ten aan deze ge­stal­te. Dan kan men alsnog naast dit bij­belse beeld de toevlucht te nemen naar een andere herme­neuti­sche verklaring of naar een apologetisch gebaar waar­door het vreemde weer aangepast wordt aan wat begrijpelijk en aanvaard­baar wordt ge­acht. Dit scheelkijken is typerend voor de protestant­se or­thodoxie. Barth roept – niet zonder enige ironie – juist deze ortho­doxe richting tot de orde om vrij en onbekommerd van­uit de origi­nele ge­stal­ten van de Schrift alleen te den­ken.

5) De vrijheid nemen om hardop over enge­len te spreken (476 – 486).

Wie zich deze vrijheid van denken vanuit de Schrift gunt, die moet dan ook vrij en zelfbe­wust durven spreken over de engelen. Vrij van angst! Deze intellectuele moed missen met name de liberale theologen van de negen­tiende eeuw. Zij halen de schouders op over de engelen. Mompelen wel dat er zoiets moet zijn als een wereld van hogere geesten. Maar zij, die vrije denkers, denken er zelf niet vrij op door. Barths ironie esca­leert hier tot hila­riteit. Hij zelf neemt de vrijheid om zonder de moderne gêne over de sagen en legen­den, en zonder de ballast van de scholastische leer, maar met de bijbelse oerge­stalten van engelen voor ogen, een eigen engelenleer te ontwer­pen.

Evaluatie.

Totzover een aanduiding van de hermeneutische methode die in deze leer wordt ge­volgd.

De praktische theologie is uit de aard der zaak hevig geïnteresseerd in de hermeneutiek.

Hier  wordt zij nadrukkelijk voor de vraag gesteld of zij zelf een neutra­le, algemeen weten­schappelijk te verantwoorden hermeneutische methode wil volgen of dat zij met Barth in haar methode van ver­staan en begrij­pen dadelijk ook de ‘pool’ van het geloof wil laten gelden? Wil zij toe laten dat  het vrije denken van meet af aan theolo­gisch wordt uitge­daagd om reke­ning te houden met de vreemde en weerbar­stige zaak die het geloof aan de orde stelt?

Om­ge­keerd stelt de praktische theologie aan Barth de vraag, waarom hij in het herme­neu­tisch proces het ‘Vor­verständnis’ reeds op de drempel terug­wijst, in plaats daarvan dat hij de eigen inbreng van de lezer vruchtbaar maakt in het proces van het verstaan en be­grij­pen?

In zijn ijver om de originele gestalte van de engelen in het bijbels getui­genis aan het licht te brengen, wijst hij elke poging tot buiten-bijbel­se verbeelding  en elke openheid voor eigen ervaring met ‘engelen’  met bittere spot af. ­Maar dat helpt niet om zelf dit originele te kunnen ontdek­ken temid­den van de vele ver­schijnselen en ervarin­gen, die mensen in hun leven opdoen. Het is verge­lijk­baar met de Godsleer. Mensen die het bijzon­dere van de God van Israël willen ontdek­ken, moeten er zich van bewust worden hoezeer de samen­le­ving  bezet is door vele andere machten, met godde­lijke allure. Zij moeten die vele machten onderkennen en identificeren. Temid­den van die vele goden blijkt dan het bijzondere karak­ter en kaliber van deze éne. Het geloof in deze éne gaat dan als een licht op midden in de ervaring van de macht van de vele andere goden. Zonder de bewuste erva­ring van deze andere goden zou het bijzon­dere van deze éne God niet op vallen. Ditzelf­de geldt nu ook voor de ‘enge­len’, die geheimzin­nige machten en krach­ten uit ‘de andere wereld’. Wie alert is op derge­lijke krach­ten, wie de fascinerende, maar ook de ambiva­lente werking ervan kent, die wordt in de gelegen­heid gesteld om te­midden daarvan  een eenvou­dige dienst­bode van God te onder­schei­den. Om uit te kunnen gaan van het bijzon­dere moet men het algemene wel kennen. Eerst dan kan er een proces op gang komen, waarin men in het materiaal van de eigen ervaring onder­schei­d leert maken tussen zinlo­ze en zinvol­le ­ge­beur­te­nis­sen, tekenen, dromen en wendin­gen in het maat­schappe­lijke en poli­tieke leven.

Op dit punt kan Barth beter gelezen worden in het perspectief van zijn eigen theolo­gi­sche ontwikkeling in zake de enge­lenleer vanaf zijn cate­cheti­sche leerstof tot aan zijn laatste dogmatische ontwerp. Dan blijkt dat hij zelf een lange weg heeft afge­legd om tot verstaan te komen. Wat te zeggen van zijn catechetisch model om over engelen en demonen te spre­ken in de dialectiek van hemel en hel, in plaats van in de dialectiek van hemel en aarde[20]. En wat te zeggen van zijn eerste dogma­tische ontwerp, waar­bij hij de engelenleer intro­duceerde als een verdubbeling van de anthropolo­gie, waardoor mensen zich in hun geestelijk leven bewust worden van de inter­actie tussen de empirische en de transcendente zijde van het be­staan[21]? En wat te zeggen van zijn ongereflecteerde sexe-neutrale beschrijving van de enge­len? Alsof de fantasie waarmee over engelen en demonen wordt gesproken niet wordt bepaald door de maatschappelijke verhoudingen van man­nen en vrou­wen?.  Dit alles  zijn voor hem stadia op de weg van het ver­staan ge­weest, die  eerst achteraf onder kritiek zijn te stellen.   Trou­wens ook van de defini­tieve versie van zijn engelen­leer kan worden aange­toond dat Barth zijn eigen Vor­verständnis heeft ingebracht. Zijn eigen favo­riete thema, dat de mens, zoals elk schepsel, de functie heeft om ‘getuige’ te zijn van Gods woord en werk, is hier gepro­jec­teerd op de engelen. Zo konden zij worden tot wat zij hier zijn: de primaire getui­gen van Gods geschie­denis.

Niettegenstaande deze kritische kanttekening  blijft Barths inzicht in het  hermeneutisch proces tussen fides en intellectus van groot belang in de huidige discussie.

Tijd om te horen wat Barth nu vanuit deze hermeneutiek ontdekt heeft ten aanzien van de engelen.                                                                          

context

De engelenleer begint niet meteen met de engelen zelf, maar met een be­spreking van wat Mattheus noemt ‘het rijk der heme­len’. Deze tweede Abschnitt van paragraaf 51, over ‘Das Him­mel­reich’, biedt een plaatsbepa­ling van de engelen. Het opent de blik op de omge­ving en het werkveld waar de engelen in hun originele gestalte zicht­baar worden. De engelen kan men slechts waarne­men in hun eigen con­text. In die zin benadert Barth het probleem langs contex­tuele weg.

Deze context nu wordt vanaf het begin verstaan als een context van rela­ties. In de eerste plaats gaat het hier om de relatie van God en mens. Dat ligt theo­lo­gisch voor de hand. Maar nu moet hier nadrukkelijk ook de rela­tie met de wereld bedacht worden. Zonder deze relatie  ver­liest het verhaal over God en mens haar betrokkenheid op de openba­re, waar­neem­bare, tastbare wer­ke­lijk­heid. Het zou dan geredu­ceerd kunnen wor­den ­tot ethiek, mys­tiek, psy­cho­lo­gie en exis­ten­tiefilo­sofie (491). Maar dan wordt vroeg of laat de reëele wereld prijs­ge­ge­ven. Deze wereld echter hoort met huid en haar bij het verhaal van God en mens. Enge­len horen in deze wereld thuis. Al hebben ze daar slechts een tussenpo­sitie (487). ­Daar­over gaat de Ab­schnitt onder de titel Das Himmelreich.

In deze Abschnitt worden achtereenvolgens drie uitspraken gedaan:

1)  God en mens, hemel en aarde staan in een dia­lek­tische verhouding (486 – 515).

De relationele context wordt beschreven als een “geschichtliche Zusam­men­hang” (502, 503). Het is de context van de beweging die God maakt om de mens te ont­moeten. In deze bewe­ging wordt de kosmische werkelijkheid, worden hemel en aarde be­trok­ken. Barth qualificeert deze beweging als een vorm van dialectiek. Dat wil zeggen dat in deze beweging duidelijk wordt dat God en mens werkelijk ver­schillend zijn en tegenover elkaar staan, maar ook in al hun verschil bij elkaar komen. Parallel daarmee komen ook de beide kosmi­sche gebieden, die de plaats van God en de plaats van de mens markeren, tegen­over elkaar te staan, om dan weer bij een gebracht te wor­den. Deze dialectische bewe­ging is de voorwaarde om te komen tot een echte ontmoeting van God en mens. Er is  distantie nodig om tot een dialoog te komen. Voor deze distantie en voor dit gesprek tussen God en mens worden hemel en aarde in dienst genomen.

De hemel functioneert als het tegenover van de aarde, als een on­grijp­bare, vreemde, verre, onzichtbare we­reld, die de mensen te boven gaat. De aarde is in tegenstelling daarmee het gebied waar de mens onder­zoekend kennis van kan nemen. Overal waar de mens prin­cipieel op de grenzen van het onder­zoekend vermogen stuit is er sprake van hemel. Het bijbels spraakge­bruik over de hemel mag dan in eerste instantie naïef be­doeld zijn. Het wijst om zo te zeggen naar de astronomische hemel. Maar het gaat voorbij deze naïve­teit: overal waar de mens stuit op het principieel onzichtbare en onbe­grij­pelij­ke, ook als zich dat op aarde be­vindt, daar is sprake van ‘hemel’.

De hemel is ontworpen om de ontoegankelijke om­ge­ving te zijn van God. De hemel zorgt voor de distantie tussen God en mens. Maar diezelfde  hemel staat wel in dienst van de ontmoeting van God met de mens en is be­doeld om de uit­vals­basis te zijn voor God en zijn Rijk. Dat is de dialectische func­tie van de hemel.

2) God’s rijk komt: vanuit de hemel naar de aarde toe.( 515 – 536).

Zodra de hemel gezien wordt in het perspectief van het Rijk Gods, wordt de functie van de hemel duidelijker. Het is de plaats waar God bewust en met inzet van al zijn kracht regeert, zodat vandaaruit Gods wil ge­schiede, zo in de hemel, alzo ook op aarde. Speculatief gespro­ken heeft dat conse­quen­ties voor de structuur van de hemelse wereld. Het wordt geacht een goed georga­niseerde, veel­zijdige wereld te zijn, die de voorwaarden schept voor een goed geor­ganiseerde en veelzijdige regering van God op aarde. Binnen dit kader hebben dan ook de afzonderlijke structuurele­menten en de individuele wezens van de hemelse wereld hun functie. Zij zijn in dienst van Gods wereldregering.

Op dit moment zien we de originele gestalten van de engelen verschijnen. Het zijn  geen geringe gestalten. Het zijn ware vorstelijke ge­stalten. Engelen zijn macht­heb­bers. Zij ver­tegenwoordigen Gods regerings­macht. Zij vormen alszo­danig het tegen­over van de poli­tieke machten op aarde. Hun taak is gericht op de handha­ving van recht en vrede op aarde in de poli­tieke zin van het woord. Zij bewaken het vredesproces tegen de bedreiging van de chaos. Zolang als deze hemelse mach­ten doorbreken in de aardse werkelijk­heid, zolang kunnen de aardse poli­tieke machten nooit helemaal aan de chaos vervallen. 

3) De engelen staan in dienst van deze beweging van Godswege (536 – 558).

 De functie van de engelen is hiermee duidelijk geworden: zij staan in dienst van de bewe­ging van Gods Rijk. Zij doen wat schepselen moeten doen: reageren op wat God doet, antwoorden op wat God zegt, Gods woord en werk in dank afnemen en er bekendheid aan geven. Kortom getuigen van God zijn. Zij zijn dat op voor­beel­dige wijze, als oor­spron­ke­lijke en krach­tige en con­sis­ten­te getui­gen. Engelen zijn de gevolmachtigde media van God in de wereld. Geen historicus kan dit aantonen, maar als eenmaal de werke­lijke ­pro­to­collen van de wereld- en van de kerkgeschiedenis worden ontslo­ten zullen we inzien, hoe op de meest onverwachte momenten engelen aan het werk zijn geweest.

Ik vat samen. Het was de bedoeling om de context aan te geven, waarbinnen de originele gestalte van de engelen aan het licht kon komen. Die context is het Rijk van God, verstaan als een politiek begrip. Het Rijk van God namelijk zoals dat betrok­ken is op het geheel van de politieke werkelijkheid van de mensheid op aarde. Engelen aarden in de harde sector van de maatschappij[22].

functie  

Barth wendt zich hierna tot de engelenleer in engere zin. De richting van deze leer begrijpen we door te letten op de wonderlijke vraag die Barth aan het begin van de derde Abschnitt, over “Gottes Botschafter und ihre Widersacher”, stelt (559). Die vraag luidt: “Kunnen wij God ervaren en Chris­tus ontmoe­ten zonder de feite­lijke aanwezig­heid van engelen?” De vraag luidt dus niet: “Kunnen wij engelen ervaren?”. Dat be­schouwt hij als een speurtocht naar spoken, die eerder tot ontmoetingen met demonen leidt dan met engelen. De vraag is: “Kun­nen wij God ervaren zonder dat er engelen bij zijn?”

Deze wonderlijke vraag veronderstelt een even wonderlijk antwoord: Waar God spreekt en handelt op aarde daar gebeurt dat door de bemiddeling van enge­len. God spreekt en handelt weliswaar zelf, maar in de bemiddelende dienst van de enge­len is dit spreken en handelen van God, ‘vanuit de hemel’, heel concreet gericht op het aardse mi­lieu. Door hun dienst geschiedt Gods wil zoals in de hemel zo ook op aarde. Door de engelen krijgt het hemelse gebeuren aardse trek­ken.

Het zal dus gaan over de bemiddelende functie van de engelen. Zij functioneren overal – in kerk en wereld – daar waar God spreekt en handelt en waar mensen dit erva­ren, horen en reage­ren. Barth richt zich eerst en vooral op deze functie.

Dat engelen een bemid­de­len­de rol hebben impli­ceert dat zij bescheiden optre­den. Waar een engel verschijnt daar wordt Gods woord gehoord en …weg is de engel. Een fatsoenlijke engel blijft niet hangen, valt niet op, trekt de aan­dacht niet naar zich zelf toe, maar zorgt ervoor dat de aandacht slechts op God ge­richt wordt.

Dat neemt niet weg dat engelen in die rol het oervoorbeeld zijn van getuigen van God, gevol­mach­tigde gezanten, zoals zelfs geen profeet en geen apostel kan pretenderen te zijn.

Door hun onopvallende dienst wordt het om zo te zeggen technisch mogelijk en werke­lijk dat God op aarde waarlijk als God kenbaar aanwezig is en kan worden bemind en gevreesd. Zij openen de dimensie, waarin God existeert en gekend wordt op aarde. Zij zorgen ervoor dat Gods geheimenis ruimte krijgt op aarde en dat God daar kan worden onderscheiden van allerlei andere beelden en voor­stel­lingen. Dit krijgt geen theologie of filosofie voor elkaar, geen geloof en geen crisissituatie. Zij openen de dimensie en de categorie van het goddelijke en maken het waarneembaar. Wat de theologie, de filosofie, het geloof en de crisissituatie doen, dat is praten achteraf. De engelen echter zijn de oerge­tuigen van God. Zij vormen het ‘tegen­over’ voor de mensen en daar hebben zij hun handen aan vol. De mensen kunnen zich aan hen toe vertrouwen, zoals aan God. Engelen tegenspreken of loochenen is er niet bij. Zij represente­ren God bij ons (567 – 568).

We moeten de bemiddelende rol van de engelen niet overdrijven[23]. God bemid­delt zich zelf en slaat de brug tussen Hem en ons. Zij zijn er slechts ­bij. Zij kunnen evenmin de taak van de menselijke getuigen overnemen. Die taak bereiden zij juist voor.

Maar we moeten hun eigen rol tussenbeide niet onderschatten. Waar Gods tegenwoor­dig­heid door aardse schepselen ervaren wordt, daar zijn enge­len aan het werk. (580). Zij vormen de atmosfeer waardoor het aan mensen gege­ven wordt om iets van God te horen en te zien en ervan te getuigen. (548).

De beste naam voor deze functionarissen is dan ook: dienstboden Gods. Zo func­tio­neren ze in het bijbels getuigenis. Hun werkzaamheid is echter niet tot de tijd van de ­bij­bel­se verhalen beperkt. Wat in de bijzondere geschiede­nis van Gods verbond geschiedt heeft universele betekenis. Het gaat in de engelen­leer  juist om het geheim van Gods aanwezigheid in onze tijd. Zij zijn niet minder actueel dan de Heilige Geest. 

Over de demonen wordt aan het slot, kort en gedistancieerd, iets gezegd. Werkelijk kort: een krappe 15 bladzijden, na de 50 die aan de engelen waren ge­wijd[24]. Zij treden op als de tegen­stan­ders van de enge­len. Met voor­name ironie stelt Barth: Zoals de engelen beho­ren tot het keryg­ma, zo behoren de demonen tot de mythe en derhalve behoren zij ge‑ontmyhtologiseerd te worden. Het is gewoon beter om niet in demonen te geloven. Dat neemt niet weg dat ze er zijn. Hun her­komst is de chaos. Ze zijn dus van huis uit verte­gen­woor­di­gers van het kwaad en geen uit de hemel geval­len engelen. Niet­temin lijken ze sprekend op enge­len. Ook zij brengen de mensen bij een ondoor­gron­delijk geheim en ook zij ver­tegenwoor­digen grote, vreemde en fasci­ne­rende macht. Dat heeft te maken met de aard van het kwaad dat zij vertegen­woordigen. Het kwaad is daarin echt kwaad dat het onecht is onder de schijn van het tegendeel. Demonen kunnen slechts leven in de leugen. Zij kunnen niet authen­tiek zijn. Ze kunnen de waar­heid slechts spelen. En dat doen ze dan ook. Zij liegen de waarheid. Dat maakt hen niet minder krach­tig en suc­ces­vol – hun werk is overal in grote en kleine men­selijke affai­res bespeur­baar – , maar het betek­ent wel dat hun macht niet` waar­ach­tig is en door Gods waar­heid wordt be­grensd. Alszodanig zijn ze onder ons, brengen ons in verlei­ding, klagen ons aan, tyranniseren ons, brengen ons tot sla­vernij, maken ons be­droefd, bederven de humor, schop­pen lawaai en bene­men ons de rust. We kunnen ze slechts ontmas­keren door niet in hen te geloven. We worden opgeroe­pen om mee te doen aan het gevecht dat Jezus Chris­tus voert met de demo­nen. In dit gevecht zegeviert Gods waar­heid over de leugen. In dit gevecht zijn de engelen voor ons tot getuigen tegen de leugen van de demo­nen.  Daarmee zijn we weer teruggebracht bij het eigenlijke onder­werp: de engelen.

Ik vat samen: De engelen hebben als hemelse schepselen een bescheiden bemidde­len­de func­tie. Zij zorgen voor de atmosfeer, waardoor er in de empirische werke­lijk­heid ruimte komt voor de ervaring van God. Al het menselijk getuige­nis over God, alle overlevering, leeft van deze bemiddeling.  

bemiddeling

‘Bemiddeling’ is het woord en de zaak waar het hier om draait. De verrassing die Barths engelenleer voor de praktische theologie biedt, is dat hier niet het  pastorale thema van Thurneysen, het ‘exorcisme’ van de demonen, op de voor­grond wordt ge­steld, maar het funda­men­tele thema van de ‘bemiddeling’ door de goede machten. Daardoor krijgt de discus­sie met de huidige prakti­sche theologie een theore­tische verdie­ping. De prakti­sche theolo­gie wil zich immers uit­druk­ke­lijk bezig houden met de vraag naar de bemid­de­ling van het geloof in de maat­schap­pij. Ik wijs bij wijze van voor­beeld op de praktisch theoloog G. Heitink. Hij wil zich bewust in de hoofd­stroom van de moderne praktische theolo­gie voegen, doordat hij deze disci­pline defi­nieert als een “theorie van de bemidde­ling van het chris­telijk geloof in de praxis van de moderne samenle­ving.”[25] Die bemiddeling begint bij het ‘leren gelo­ven’. Het zet zich voort in de ‘over­le­ve­ring’ van het geloof en het spreidt zich vandaar uit over alle moge­lijke commu­ni­ca­tie­pro­ces­sen, waarin de gemeen­te als deel van de maat­schap­pij is betrok­ken. De aandacht is daarbij vooral op de empiri­sche kant ge­richt. Welke sociolo­gische en psycho­logische en agogische factoren spelen hier een rol? En hoe kan er over die bemiddelende processen weten­schap­pelijk be­trouw­bare kennis verwor­ven worden? Maar ook theologisch heeft dit begrip ‘bemid­de­ling’ een centrale betekenis in deze theorievorming. “Deze bemidde­ling hangt samen met de kern van de chris­telijke geloofsovertui­ging”,  zegt Hei­tink. Wat hij daarmee precies bedoeld vat hij uiterst beknopt alsvolgt samen: “Gods handelen door bemid­de­ling van mense­lijk hande­len, vormt het theo­logisch zwaartepunt van de prakti­sche theolo­gie.”[26] Dit praktisch theologisch concept staat en valt dus met dit gegeven: Gods hande­len door bemid­de­ling van menselijk hande­len.  

Barth herinnert de praktische theologie precies op deze plaats aan het geheim van deze bemid­deling. Precies op de plaats waar wij het intermediair van het menselijk handelen zouden willen inzetten, herin­nert hij ons aan de bemidde­lende werking van Gods eigen boden. Die vervangen het menselijk hande­len niet, ze maken de herme­neutiek en de hande­lingswetenschap en de trainingen niet over­bodig. Integen­deel, de boden sporen ons aan om dit alles in te zetten. Zij berei­den het om zo te zeggen voor. Alleen ze ontheffen dit mense­lijk inter­me­di­air van de druk en de pretentie dat het Gods hande­len zou bemiddelen. Dat is niet gegeven aan de menselijke praxis. Deze herinnering betekent een niet geringe correc­tie. Het is een hoogst kritische herin­ne­ring aan ons onvermogen om in relatie te treden en om te gaan met ‘God’ en een hoogst opmerkelijke herinne­ring aan andere krach­ten in de schep­ping die precies dat doen wat mensen met geen kunst kunnen doen: de ruimte scheppen waarin God ervaren kan worden. Het is een hint die verder gaat dan het beroep op de werking van de Heilige Geest. Hier wordt gevraagd om ver­trouwen te hebben in facto­ren van de gescha­pen werke­lijkheid, die de ruimte van de ontmoeting met God op aarde concreet en tastbaar maken.

Dit krijgt de prakti­sche theologie van Barth te horen. Het is een weten­schap­pe­lijke uitda­ging om dit door te laten werken tot in het hart van de prak­tisch theologische theorie.

Maar hoe leer je vertrouwen op zulke absurde fac­to­ren, die met de zwaar belaste naam ‘enge­len’ worden aangeduid?

Om hier verder te komen moet ik over een grens heen die Barth in deze leer getrokken heeft. Barth probeert dit vertrouwen zelf in zijn dogmatische praxis op te bouwen door te vertel­len, door vertellenderwijs het bericht van de ge­schiede­nis van God en mens door te geven. Dat is een mogelijkheid die vooral in educatieve situaties, zoals in de prediking, be­proefd kan worden. Buiten de predi­king geeft Barth geen hints. Hij toont zich huiverig voor de vrije, spontane ver­beel­ding van onzienlijke machten en krachten.  

Hier laat de praktische theologie zich niet door Barth raden. Zij zal nu juist de sensi­ti­vi­teit voor de kunst­zin­nige ver­beel­ding van ‘enge­len’ willen ontwik­kelen. De zuinige blik die Barth  de kunste­naar gunt, met de waarschuwing erbij dat hen het nodige respect bijge­bracht moet worden[27], is te eenkennig om tot een vrucht­bare relatie met de kunstenaar te komen. Het is omgekeerd de kunstenaar die ons het nodige respect kan bij brengen voor de onmogelijke verbeelding van een vreemde en voor ons ontoegan­kelijke werke­lijk­heid.

Een leerling van Barth, N.T. Bakker, heeft hier terecht een andere weg bewand­eld. Hij heeft één van onze kunste­naars, Luce­bert, niet betutteld, maar geëerd. Diens weer­bar­stige gedich­ten en veront­rus­ten­de schilderkunst weer­spie­ge­len iets van een vreemde, andere werke­lijk­heid. Ze suggereren een schoonheid die er had kunnen zijn maar die van ons geweken is. Lucebert zoekt naar gebroken, ontre­gelde vor­men in taal en in verf waarin het onophefbare gemis van die verloren wereld geregis­treerd wordt. Maar juist in deze vormen worden we herinnerd aan die wereld, als een wereld die er niet meer is, en die slechts als nieuwe wereld ver­wacht kan worden. Ik citeer Bakker: “Wij horen in de verpul­ver­de schoon­heid van de verzen van Luce­bert het gemis en daarin de weerglans van het nieuwe lied dat wordt aangeheven in psalm 96: Zingt de HEER een nieuw lied.”[28] Ik voeg eraan toe: dat is het lied dat volgens Johannes de ‘theoloog’ de enge­len aan­heffen. En zeker: er zijn gestalten in het oeuvre van Luce­bert die, in hun verontrustende vormen en met de hevige betrokkenheid die uit de ogen straalt, aan de vreemde verschijning van enge­len doen denken.

Ik stel mij voor dat Lucebert in onze eeuw van Godswege de opdracht heeft gekre­gen om de cheru­biem te ontwer­pen, als wach­ters op de ark van het verbond en als getuigen aan de wanden van de tent der ontmoe­ting. Zij vormen de atmosfeer waarin voor ons geslacht de aanwezigheid van de Verborgene bevroed kan worden.

Pagina's: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10