Emeritaat

De KD en speciaal KD V

  • Na zijn reis naar Amerika (voorjaar 1962) was Barth van plan om – nu zonder de voortdurende druk van de colleges – verder te werken aan zijn Kirchliche Dogmatik: “er zal sprake zijn van een terugkeer in de oorspronkelijke toestand waarin ik in Safenwil uiteindelijk ook zonder de studenten en colleges tweemaal een commentaar op de brief aan de Romeinen heb geschreven.”

  • Toch begon hij te twijfelen of hij werkelijk wel met de voortzetting van zijn KD beginnen moest: “als ik maar niet met het oog op de toestand van de huidige theologie door een aan afkeer grenzende moeheid overvallen raak! Hoe langer hoe meer kan ik nog slechts tegenzin en afkeer voelen voor het gedoe van onze theologische existentialisten. Heeft het veel zin als ik, nadat ik met mijn 12 reeds geschreven banden het begin van de zondvloed niet verhinderen kon, nog een dertiende en veertiende band schrijf? Zijn er om hen tot staan te brengen geen mensen met een andere taal nodig: “terwijl ik nu, eerbiedig aangehoord, maar wat resultaat betreft niet gehoord word? Zou ik niet doen alsof ik mijn tijd gehad heb en uitgenodigd ben “in oosterse rust”, alle activiteiten ten spijt nog een beetje toe te kijken hoe anderen de hun gegeven tijd denken te moeten gebruiken?”

  • Pas in de winter van 1966 besloot Barth toch van het vierde (ethische) deel van zijn verzoeningsleer (dat voltooid en sedert het ophouden van zijn colleges (maart 1962) praktische onaangeroerd was blijven liggen) minstens “een uitgewerkt fragment te publiceren.”

  • De eerste reden waarom hij nu juist dit excerpt wilde uitgeven, was een beetje hulp te geven aan de weinigen die om een vernieuwing van de dooppraktijk vroegen (in het bijzonder tegenover de traditionele protestantse kerkleiding in Duitsland en Zwitserland).

  • De andere reden voor het uitgeven van dit excerpt was het zakelijk streven om aan de hand van zijn verklaring van de doop als doop “nog eens te spreken over de verantwoordelijkheid die de kerk en de christen is opgelegd”: “want men spreekt tegenwoordig zo graag en veel (te graag en te veel) van de tegenover God zogenaamd mondig geworden wereld. Hoe dit ook zij: veel meer dan die mondig geworden wereld interesseert mij de mens die tegenover God en de wereld mondig moet worden: de mondige christen en de mondige christenheid, haar denken, spreken en handelen in verantwoording voor God, in haar levendige hoop op Hem, in haar dienst in de wereld, in haar vrije belijdenis, in haar bidden zonder ophouden.”

  • Met enkele bijgevoegde nieuwe uitwerkingen werd dit “fragment toch een boek van 247 bladzijden, dat hij “in grote dankbaarheid” opdroeg aan zijn vrouw Nelly “met wie ik nu – echt Filemon en Baucis – van een heerlijk harmonische zogenaamde “levensavond” mag genieten.”

  • Barth was zich ervan bewust dat verschillende thesen van zijn doopleer nogal gewaagd waren: “ik voorzie dat ik met dit boek dat naar menselijke berekening mijn laatste grotere publicatie zal zijn, nog eenmaal eenzaam zal staan in het theologisch strijdperk zoals ik het bijna vijftig jaar geleden heb betreden: dat ik dus op het punt sta met dit boek een slecht afscheid te bereiden. Het zij zo! Er zal een dag komen waarop men mij ook in deze zaak gelijk zal geven.”

  • Zo bleef de “Kirchliche Dogmatik” ondanks haar niet onaanzienlijke omvang (9185 bladzijden – “een opus imperfectum (onvoltooid werk): “negenmaal zo omvangrijk als de “Institutie” van Calvijn en tweemaal zo omvangrijk als de “Summa” van Thomas van Aquino.”

  • “Hoe vaak is mij in de laatste jaren gevraagd waar de rest bleef van de reeds aangekondigde delen van de KD: soms bracht ik hen in verlegenheid met de tegenvraag of in welke mate en hoe aandachtig zij het reeds beschikbare materiaal gelezen en verwerkt hadden?! Anderen herinnerde ik eraan hoe Mozart met zijn “Requiem” midden in de zin: “Lacrimosa” moest ophouden vanwege zijn vroegtijdige dood. Weer anderen herinnerde ik er tenslotte aan dat de “volmaaktheid” niet alleen in de Heilige Schrift, maar ook volgens KD II 1 het wezen van de eigenschappen van God is, en dus iets waarnaar men in een menselijk werk beter niet kan streven en wat men ook niet moet proberen te imiteren: maar dit waren en zijn natuurlijk – in het bijzonder wat die vergelijkingen betreft tamelijk arrogante! – uitvluchten waarachtig het eenvoudige feit schuil ging en schuil gaat dat het mij langzamerhand begon te ontbreken aan de nodige fysieke kracht en aan het onontbeerlijk geestelijk elan om met het begonnen werk verder te gaan en het te beëindigen. Voor de “oude Barth” die ik nu eenmaal ben, is het inderdaad te laat om dit nog op een waardige wijze te presteren” (KD IV 4, VII en IX anno 1967, 81 jaar oud, een jaar voor zijn dood).

  • Zo werden vooral de geplande banden van KD V over de verlossingsleer (eschatologie) niet meer geschreven: enerzijds was Barth van mening dat al veel “van de eschatologie waarnaar zoveel vraag is, indirect en voor een deel ook direct uit de vorige banden gehaald kan worden”, maar anderzijds zou dit onderwerp eerst nog als een geheel ontwikkeld en in bijzonderheden doordacht moeten worden. Hij vermoedde echter dat hij, als hij zijn thesen over de eschatologie naar voren had kunnen brengen, ook op dit punt op zijn minst in het begin even alleen zou staan als het mij met de andere belangrijke thesen van de KD is overkomen.”

  • Het minst kon hij met Teilhard de Chardin beginnen: “altijd weer ligt de apologetiek ten grondslag aan alle gnosis! Want het lijkt mij onmiskenbaar dat er bij Teilhard de Chardin sprake is van een klassiek geval van gnosis, en in die context kan het Evangelie onmogelijk gedijen.” De werkelijkheid die bij hem nl. zogenaamd duidelijk is en aanvaard moet worden, is de goddelijkheid van de ontwikkeling.

  • Maar ook tegen de “Theologie der Hoffnung” van Moltmann had hij bezwaar: namelijk het bezwaar van de eenzijdigheid waarmee hij “de hele theologie in de eschatologie laat opgaan.”

  • Ook aan Pannenberg had hij vragen te stellen nl. of hij het huis niet bouwt op het “stuifzand van de gisteren zus, vandaag zo verlopende “historische waarschijnlijkheidsberekeningen” en of zijn Christus niet alleen maar een symbool is van een veronderstelde antropologie, kosmologie en ontologie.”

  • Welke opvatting had Barth zelf van de eschatologie?

  • “Ik stip alleen maar even aan: “de oude” en “de nieuwe wereld” zijn indirect identiek, de nieuwe is in de oude al aanwezig in zoverre de verzoening ervan in Jezus Christus heeft plaatsgevonden. Wat nog gebeuren moet is (dus toch “apocalyptische” eschatologie!) haar Openbaring” – haar algemene, definitieve, universele Openbaring!”

  • Met andere woorden: “Het eeuwige” leven is geen ander, tweede na ons huidige leven, maar dit leven in zijn hier en nu nog verborgen keerzijde zoals God het ziet: in Zijn verhouding tot datgene wat Hij in Jezus Christus voor de hele wereld en dus ook voor ons heeft gedaan.

Pagina's: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10