Emeritaat

Oud worden

  • “Men moet het doen en laten van de oude mens als onverstandig karakteriseren in zoverre het het karakter zou dragen van het klaar zijn met de hem gestelde levenstaak, van automatische herhaling van tot dan toe gegeven antwoorden – in zoverre het aanspraak maakt op een vermeend recht van de oude mens op ongestoorde rust”

  • “Alsof de oude mens geen toekomst en dus ook geen zinvol heden meer heeft, maar nog slechts een verleden waarop hij tevreden terugblikt of waarmee hij kritisch afrekent, terwijl hij niets doet dan genieten van de rust na het gedane werk!”

  • Alsof het hem veroorloofd zou zijn “bij de pakken te gaan neerzitten juist op het moment waarop de verantwoording vanwege naderende dood en het spoedig verschijnen voor de Rechter het grootste is”

  • Vanuit christelijk standpunt kan men zeer positief zeggen dat juist de oude mens de buitengewone kans heeft te moeten – neen! te mogen! – leven naar datgene wat hij vroeger dikwijls genoeg blij gezongen kan hebben: “Mit unserer Macht ist nichts getan, wir sind gar bald verloren; es streit für uns der rechte Mann, den Gott hat selbst erkoren”

  • Wel had hij nu “vreemd genoeg een zeer grote behoefte aan slapen wat hij goed kon: dit leidde ertoe dat ik de gewoonte van het middagdutje, die ik in de vorige decennia diep veracht had, meer en meer de overhand liet krijgen (hoewel ik ergens had gelezen dat het bed de broer van de doodkist is)”

  • Zijn leeftijd deed zich beslist ook anderszins gevoelen: “lichamelijk, maar ook psychisch, in het afnemen van een zekere levensmoed die ik zo graag nog zou hebben en in praktijk zou brengen die ik nu niet meer zo heb”

  • Intussen ontwikkelde die praktijk zich gans anders: “het rusten heeft nog niet veel te betekenen daar ik veel bezoek krijg (ook brieven) en daar ik door grotere en kleinere groepen hier en elders voor vragenbeantwoordingen word uitgenodigd”

  • Het gaat mij erom heen toe “als in een bijenkorf. Ik had mij het leven als gepensioneerde iets rustiger voorgesteld!”

  • Na zijn 78ste verjaardag zei hij tegen zijn vrienden: “het is nog niet geheel met mij afgelopen, ofschoon er bepaalde tekenen zijn dat de afbraak van deze aardse tent begonnen is”

  • Maar hij verzuchtte nu toch: “eerlijk gezegd: ik had mij het oud worden iets gemakkelijker en het zogenaamde “rustend leven op een of andere manier prettiger voorgesteld”

  • Na vier maanden (tweede prostaatoperatie in 1964) weer thuis: “God en de mensen dankbaar dat ik nog leef, dat ik kan lezen, gesprekken voeren, roken, psalmen en koralen zingen, naar Mozart luisteren, mij over mijn veertien kleinkinderen verheugen en er op dergelijke positieve manieren van dag tot dag mag zijn: het is blijkbaar de wil van de goede God geweest mij voorlopig nog enige tijd te geven om te leven”

  • In die nieuwe periode zei hij ook: “mijn lichamelijke zwakheid die nog niet helemaal geweken is – ik noem de plaats waar die zich doet gelden gewoonlijk “Zürich-Niederdorf”! is wel pijnlijk voor mij en lastig voor mijn omgeving, maar voorlopig niet gevaarlijk. Ik beschik nog volledig over mijn geestelijke vermogens” (78 jaar)

  • Eerlijk zei hij ook: “toch is het voortaan zo dat ik te kampen heb met een droefgeestigheid die ik zelf niet kan verklaren en waartegen alle successen die ik in mijn leven gehad heb, totaal niets kunnen uitrichten. Ik zeg dan voortdurend tot mijzelf, dat de lieve God en zijn engelen zich er waarschijnlijk wilden en nog willen vergewissen of ik in staat ben naar enkele van de mooie dingen die ik sedert 50 jaar geschreven heb, nu ook een beetje te leven!

  • In elk geval zag Barth duidelijker dan voorheen “dat er in het leven van ieder mens schaduwen zijn, donkere schaduwen die niet willen wijken en misschien volgens Gods wil ook niet moeten wijken om ons juist daar te houden waar wij alleen nog Hem die ons steeds evenzeer liefheeft, kunnen beminnen en prijzen”

  • Toen hij merkte wegens zijn ouderdom niet meer te kunnen preken, besloot hij zich aan een andere taak aan de schrijftafel te wijden: in januari 1966 begon hij met grote ijver met het schrijven van een autobiografie! En wel met het motto:

    • Wat zijn wij, wat hebben wij op deze aarde dat gij, Vader, gij alleen ons gegeven hebt?

  • Maar nauwelijks was hij met het eerste hoofdstuk klaar (over zijn voorouders) of hij besloot dit werk voorlopig nog in de ijskast te leggen!

  • Aanvankelijk was het de viering van zijn 80ste verjaardag (10 mei 1966) die hem dit werk deed onderbreken: hij kon als oude grijsaard bij dit jubileum neerzien op een al rijk geworden kring van nakomelingen (14 onder wie twee achterkleinkinderen, twee studeerden al theologie!)

  • Vlak voor die viering had Barth “Levensregels voor oudere mensen in hun verhouding tot jongeren” geschreven:

    • “Je moet duidelijk voor ogen houden dat de jongere mensen die aan jou verwant zijn, het recht hebben hun weg naar hun eigen principe, niet naar jouw principe te gaan”

    • Je moet ze onder geen omstandigheden in de steek laten, je moet ze veeleer, terwijl je ze vrij laat, in blijde gelatenheid begeleiden, hen in vertrouwen op God tot het beste in staat achten, ze onder alle omstandigheden liefhebben en voor hen bidden”

  • Hij vierde zijn 80ste verjaardag in verwondering “dat ik deze dag beleven mocht terwijl toch zo velen van mijn vroegere verre en naaste strijdgenoten sedert langere of kortere tijd niet meer leven (in dat voorjaar waren zijn broer Heinrich (hoogleraar filosofie in Bazel) en Paul Tillich gestorven, en al in april 1966 Emil Brunner en in mei van dat jaar waren Paul Althaus en in de winter Friedrich Gogarten) gestorven: “Bultmann en ik zijn nu de laatste ietwat bouwvallige zuilen van een oudere generatie”

  • Zijn 80ste verjaardag werd uitbundig gevierd met vele vrienden uit het buitenland en hoge onderscheidingen (ook een bundel met 32 bijdragen: “Parrhesia” geheten (= blijmoedig vertrouwen), waarop hij met een dankrede antwoordde waarin hij zich vergeleek met een ezel, namelijk met de ezel die de Heer Jezus naar Jeruzalem had mogen dragen: als ik iets gepresteerd heb in mijn leven, is het de prestatie van iemand die verwant is aan die ezel die destijds in elk geval met een voorname last op weg ging. De leerlingen hadden tevoren tegen de eigenaar van die ezel gezegd: “de Heer heeft hem nodig”. En zo schijnt het God behaagd te hebben dat ik in onze tijd nodig was, zoals ik was, en ondanks al het noodlottige dat over mij te zeggen is en blijft. En dan is er gebruik van mij gemaakt. “Ik ben erbij geweest, ja: “De strijd werd voortgezet, de vijand werd verslagen en ik zat op de bagagewagen. Zo ben ik erbij geweest en dat is mijn prestatie geweest. Ik was erbij.”

  • Na die 80ste verjaardag wilde Barth zich echt niet meer in een biografie met zichzelf en zijn “verleden” bezighouden: hij hield definitief met dit werk op om zich in plaats daarvan “nog eens aan de theologie te wijden!”

  • Maar dan alleen nog maar op zeer beperkt gebied: geen grote groepen, geen congressen, geen redes, geen artikelen (met Pasen 1967 het laatste: “Het geheim van Pasen”), hij las veel (“meer dan mij vroeger vergund was!”) geen langere brieven (soms een rondzendbrief), liever geen bezoek dan alleen van een paar zeer vertrouwde vrienden, wel nog een paar gesprekken en briefwisseling met vooraanstaande katholieke theologen onder wie Paus Paulus VI die Barth liet weten dat het Vaticaan zijn Römer-brief zo juist had gepubliceerd!

Pagina's: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10