Moby Dick

Bij Mootjes

Het is natuurlijk bij wijze van aanpassing – verregáánde aanpas­sing – aan een polyvalente tijd, die bovendien een scherp onder­scheidingsvermogen voor kwaliteiten mist, dat we over de K.D. praten of snateren en klessebessen als over de Witte Walvis. Een andere tijd zou gesproken hebben van een kathedraal met schip en beuken en gewelven of van een fuga, een cyclus van fugatische motieven, een ‘Kunst der Fuge’ – het éne thema wordt door alle stemmen heengevoerd, de tweede stem contrapuncteert tegen de eerste, het verloop is zowel strikt van gang als levendig van beweging – wij spreken dan maar van de Witte Walvis, Moby Dick, wij epigonen.

Er zit niets anders op voor wie de bouw van dit grootste Werk van deze tijd zelfs met de beste wil niet van deel tot deel heeft kunnen volgen – dan wat ons voor de hand komt, wat ons voor­bij zwermt ànders te hanteren en anders te savoureren: in losse mootjes. Ik zou zeggen: u begint maar ergens middenin; het beste zou zijn in de tweede’ helft van II, de leer van Gods Wezen en eigenschappen; maar het beste en betere is vaak onbereikbaar en men neme dus wat voor de neus hangt of waar u met de neus op gedrukt wordt. Weliswaar heeft de vertaling van een fragment uit de K.D. tot nog toe nooit een idee gegeven van waarheen eigenlijk gedoeld wordt met het Geheel (bijvoorbeeld het boekje over ‘het Gebed’), omdat de kracht van de schoonheid hangt aan de systematische plaats, aan de innerlijke noodzaak, het in alle eenvoud (maar déze eenvoud) zó en niet anders te zeggen. Toch moet ons dat niet ontmoedigen, het laat zich verdedigen, dat er redenen zijn waarom het fragment het ook wel eens dóen kan; het kan opschrikken en verrukken, het kan helderziende maken, het kan helder doen zien, dat’ alles anders is’, wanneer men lang en zuiver z’n ogen richt op één, punt, één plek, één omgeving. Laat het dan niet als architraaf verschijnen, die naar de composi­tie van zuilen en gewelven verwijst, laat het dan niet als muzikaal thema klinken, dat van de andere stemmen en de tegenstemmen de klank en weerklank wekken zal- er is substantie, er is sap, er is olie, er is kracht in (hier begeeft ons het beeld van Moby Dick enigszins: wie houdt er nu van levertraan ?).

De vraag komt op: Hoe is dat mogelijk, dat men het gevaarte, de contouren,. en zoveel meer vergeten kan, en toch iets vindt van waarheid, van voedende en beschermende waarheid? Hoe wil Barth gelezen zijn? Hoe kàn hij gelezen worden in mootjes? Daar zijn een paar dingen te bedenken, die ik als eigenwillige raad­gevingen zou willen neerschrijven. Op de bonne fooi.

I.

In de eerste plaats moet u rekenen op de ontdekking van het vanzelfsprekende. Velen laboreren aan het euvel, dat ze iets geweldig-ketters zullen moeten ontwaren en ze vinden het eigen­lijk niet, of omgekeerd, dat een opgevijzelde restauratie-orthodo­xie met vliegende vaandels en slaande trom hen onder de voet zal lopen en het komt eigenlijk niet. Daar zijn door belanghebbenden en partijbonzen maar ook door ‘Bildungsreisenden’ en fladdergeesten tot voor kort (nu is het wat stiller geworden) zoveel suggesties ten beste gegeven, dat een mens, die zich niet wil laten ‘nemen’ wel extra op a’n qui-vive moet zijn. En toch, theologie kan niet anders zijn dan de ontdekking voor de innerlijke ogen van onze rede van datgene, waaruit wij reeds lang leven, waarop wij heimelijk bouwen, waarmee wij in vreze en beven en in hoge verwachting reeds rekenen. Er wordt nl. in deze wereld gepréékt. Men moet niet zeggen: alle godsdiensten prediken. Neen, predi­ken in de zin van af-kondigen, dat de heilstijd is aangebroken, dat doen zij juist niet; zij trachten de wereld te verklaren of ze delen goede, zedelijke raad uit. De ‘preek’ echter luidt: God. is mens geworden om ons leven en lot te delen en ons deel te geven.

aan Zijn eeuwig leven en heerlijkheid, van nu aan. M.a.w. Barth gaat uit van het fenomeen der prediking, der christelijke prediking. Hij gaat niet van de Schrift uit, hij gaat niet van een wijsgerig verworven beginsel uit, maar van het gebeuren der prediking van het evangelie, het’ orthodoxe’ evangelie (maar er is geen ander; wat zich als evangelie daarnáást uitgeeft is een terugval òf in de heidense wereldverklaring òf in de joodse wets­betrachting).het evangelie dat daarin uitzonderlijk is, dat het alleen maar kan worden’ gebracht’, kan worden betuigd.

Men kan het het best vergelijken met de methode van Kants kritieken. Kant verwerpt de metaphysica en hij wil niet tot een levensleer komen, tenzij die zich dwingend voordoet. Hij gaat uit van het feit der cultuur, met name het gebeuren van het natuur­wetenschappelijk onderzoek. Hij zegt niet: ik zal u leren, hoe dat’ moet gebeuren, ik heb een stel originele methoden. Neen, hij vraagt: welke onderstellingen moet men denken, om de natuur­wetenschap als een zinvolle bezigheid, een echt benaderen van een echte waarheid te verstaan? En dan komt het steile, duizeling­wekkende betoog van de ‘Kritik der reinen Vernunft’, maar aan het eind zeggen we: ‘was dàt nou àlles? maar dat spreekt toch immers allemaal vanzelf?’ Kant zou antwoorden: inderdaad,’ in de filosofie willen we trachten het vanzelfsprekende via de ver­wondering (zonder welke geen denken mogelijk is) als het van­zelfsprekende te begrijpen. En zo is het ook met de ‘Kritik der praktischen Vernunft’. Men leest die vaak met een loden hart als een… ethiek, een rigoureuze ethiek. Dat is een kapitale vergissing! Evenmin als Kant gemeend heeft, dat hij door zijn ‘zuivere rede’ de heren in het laboratorium moest leren nieuwe juistere proeven te doen, evenmin heeft hij door zijn ‘practische rede’ gemeend de tijdgenoten, of zelfs alle mensenkinderen, te leren goed te zijn, hun plicht te vervullen enz. – Neen, hij zei: daar zijn jullie nu heel aardig bezig, ga maar dóór, ik zou alleen willen weten, hoe dat kàn: denken over de ‘natuur’, of (want dat is nog te hoog gegrepen): ik zou willen begrijpen welke vermogens in het den­ken moeten worden aangenomen en welke eigen aard aan de ‘natuur’ moet worden toegeschreven, waardoor dit wonder van de cultuur, van de wetenschap zich kan voltrekken. En hij zei: de wereld óver zijn er in alle tijden brave mensen, en voor zover ze het niet zijn, wéten ze drommels goed, wat dat betekent en ik ben waarachtig als wijsgeer niet geroepen jullie het onderscheid van goed en kwaad te leren – maar ik zou willen wéten: wat het goede tot het góede maakt, waarin het hemelsbreed verschilt bijvoor­beeld van het schone, waarom het, zodra het zich mengt met het aangename aan kwaliteit voor ons àller besef inboet? En ik zou willen wéten: welke onderstellingen ik moet maken, om te be­grijpen, dàt het goede om het goede te doen, in deze wereld zin­vol is. En als we: dan de kritiek der ‘praktische rede’ uit hebben, dan staan we beduusd en _eggen: maai dat spreekt immers alle­maal vanzèlf.

Zo, de parallel is puur formeel, geldt voor Barth de theologie als de wetenschap van het vanzelfsprekende, nl. van die onder­stellingen, die, zówel positief als negatief, noodzakelijkerwijs moeten worden gedacht, om te verstaan wat er eigenlijk gebeurt als er gepreekt wordt, wat er eigenlijk alles gebeurd moet zijn in  de wereld, wil de prediking geen speculatie zijn, wat er nog alles perse gaat gebeuren in de wereld, als de prediking als waar kan gelden. Men moet dus niet bij de lectuur van de K.D. gespitst zijn op noviteiten noch zich wapenen tegen enormiteiten. Het geheel bevat in wezen heel gewoon wat iedere prediking zegt.

Stop, daar zit natuurlijk de haak: dat moet zijn: ‘iedere rèchte prediking zegt’. En nu beginnen we weer van voren af aan met de oude wapenen enmaatstaven. Deze tegenwerping treft ergens en is er overigens náást. Zeker, de rèchte prediking, die bepaling is juist. Precies zoals niet alles wat in de laboratoria gebeurt, omdat het dáár gebeurt en door zulke knappe mensen, rèchte wetenschap is, precies zó is niet alles wat op kansel en katheder, in schrifturen en houdingen en gedragingen gepredikt wordt, rèchte prediking. Maar precies zó als de formele intentie van de. onderzoeker in de natuurwetenschap zich door de weerbarstigheid van het materi­aal moet laten remmen en leiden, zó wordt dè formele intentie van de kerk doorkruist door de rijkdom, tegendeligheid, ondoor­dringbaarheid, lichtkracht van de Heilige Schrift. En wederom, het is van meet af niet zo, dat er in beginsel een spànning zou moeten zijn tussen de formele bedoeling van de prediking en de materiële inhouden van de Schrift. Het is veeleer omgekeerd zó, dat het formele en het materiële in dit geval volkomen samen­vallen:. een préék (in de boven omschreven, unieke zin) als zo­danig onderstelt ‘formeel’ die ‘materiële’ waarheid, die uniek is. Zoals men niet de vooruitgang preken kan, omdat de vooruit­gang zich niet heeft voltrokken, zoals men niet de deugd preken kan, omdat de deugd niet impliciet is in Gods gebod, zo moet men omgekeerd zeggen: wie deze God verkondigt, die moet déze God bedoelen, en wie zijn gebod verkondigt, die moet het als Zijn gebod (d.i. als vreugde in het Verbond) brengen.

Intussen ligt (dat is een kant, die we niet mogen verbergen) het zware van de zaak hierin, dat (formeel precies als bij Kants transcendentale methode) het zulk een – zij het hemelse – heksen­toer is, om het vanzelfsprekende als het vanzelfsprekende te begrijpen. Alles wat u dus in de K.D. tegenkomt b.v. over de drie gestalten van Gods Woord, b.v. daarover dat God zich onthult alleen in de verhulling, b.v. dat de religie de onvermijdelijke grondvorm van ons ongeloof is, b.v. dat God in de uitverkiezing allereerst Zichzelf bestemt tot partner van de creàtuur; en dat Jezus Christus op aarde de enige verworpene en de énige ver­korene is – alles wat u leest over de ‘indirecte identiteit’ van Woord en Schrift, en over de eindeloze en volstrekte goedheid van het bestaan’ en over de ‘irrealiteit van de Duivel’ en over ‘das Nichtige’ en over de Tijd, die als getermijnde tijd tegelijk ‘de presentie van de Geest is, het ruisen van Zijn Tegenwoordigheid, wàt u leest over het samenzijn van man-en-vrouw als het ware , beeld Gods’, en over de ‘magna charta der humaniteit’ en als u hoort, dat we op Golgotha niet alleen verzoend, maar ook ge­rechtvaardigd zijn; en ook: dat het hele gebod Gods geen ànder doel kan hebben dan ons in de vrijheid te stellen -en gaat u maar dóór – dat alles moet u niet verstaan als originele inventies van een eenzaam’ brein, ook niet als consequenties van een systeem, ook niet (maar dat komt er al dichter bij) als verlegenheden van de bezinning. In wézen gaat het daarin om niets anders dan de poging het vanzelfsprekende van het Evangelie als vanzelfsprekend te begrijpen. 

Daarvóór zijn die hulplijnen, die begrippen, die beelden nodig. En het hindert niets, het is geen miskenning van de moeizame ar­beid, wanneer u ergens bij een fragment of aan het eind van een deel zou zeggen: maar dat wist ik allang, dat wordt toch duidelijk (ja! ja!) in de Schrift gezegd, dat hoor ik toch immers van de kansel en door de radio! Uitstekend! maar als u niet begrijpt dat en waarom dit ‘vanzelfsprekend’ het Evangelie is, dan zult u niet zo licht horen of de concrete prediking werkelijk zuiver is.

Maar, zou men kunnen zeggen: als het dan om dit éne, dit we­zenlijke gaat;. waarom wordt dan alles overhoop gehaald? Want zó is het, alles’ wordt overhoopgehaald. En wordt weer op z’n plaats, z’n oude of nieuwe plaats gezet. Waarom? Omdat de christelijke prediking ook deze veronderstelling heeft, dat God, déze God, de Heer is van hemel en aarde.

Daarom is niets aan de denkarbeid aangaande de veronderstel­lingen der prediking onttrokken. U leest bij Barth bladzijden lang over het geheugen of over de politiek van het Derde Rijk, over de erotiek of over de zin van de kunst, over Descartes’ kenleer en over Fichtes ethiek (niet maar zo’n beetje uit de hoogte van een quasi-kláár-gekomen christelijke impotentie, maar als lotgenoot, als broeder en tegenstander), over het geheimenis van de sabbath en over de functie der engelen, over de angst van het leven én over het wezen van het feest – nog eens: u leest daarover, omdat de prediking als àfkondiging van de heilstijd een visie, zus of zo, 0 op dit alles impliceert. Maar ook hier is de bedoeling, dat het eind zal leiden tot de grote evidentie, het geestelijk-overtuigende, het ‘dwingende’, het inzicht dat wat zich als vanzelfsprekend laat gelden ook als vanzelfsprekend te begrijpen is.

Dit hele verhaal dient om toe te lichten, waarom men bij de lectuur van Barth eventueel ergens middenin kan beginnen. Het gaat altijd over hetzelfde phaenomeen van de prediking, waarin idealiter het formele en het materiële elkaar volkomen dekken; en het gaat altijd om de God, die mi eenmaal niet spreken kan zon­der dat wat Hij zegt – hoe wonderbaarlijk, ja, afgrondelijk het moge zijn,. dat. Hij spreekt met Zijn schepsel van dag tot dag ,-­zonder dat wat Hij zegt (als Hij eenmaal spreekt) ànders’ dan luciede, dwingend, algemeen-geldig, katholiek, menselijk zou kunnen zijn. Het. gaat altijd om de vreugde, die nergens grond heeft, nergens in alle gronden van het universum; maar die in God het wezen van Zijn Wezen is; over de Vreugde die volstrekt is, omdat Hij, onze God, het einde van alle zekerheid èn ook van alle onzekerheid, het einde van onze vertwijfeling en het einde van onze religieuze geborgenheid wil zijn, omdat het hoger be­.grip voor onze tranen èn (oneindig meer) de rechtvaardiging van alle vreugde en het vóórgevoel van vreugde niet zozeer het psy­chologisch gevolg als wel de logische vóóronderstelling van de Boodschap is.

II.

Een tweede rèden, waarom men, gegeven onze situatie, eveu­tueel ergens in de K.D. kan binnenvallen, is gelegen in een andere eigenaardigheid, nl. in de fugatische herhaling. Hier komen we, ondanks het tertium: mootjes (van_de Witte Walvis) met het beeld van de harpoenen-jacht wel allerminst uit. De zaak is deze, dat velen er van uitgaan, dat het volgende deel van de Dogma­tiek op het vorige is gegrond, in die zin, dat het tweede zijn waar­heidsgehalte en zijn begripsvorm aan het eerste, het voorgaande ontleent. Dat is niet zo, of maar héél betrekkelijk. Het is veeleer zó, dat iedere locus het geheel der Dogmatiek bevat onder een bepaald aspect, dat dus b.v. in de leer aangaande de Schepping (K.D. III,1) eigenlijk een stem is ingezet, die deels bijna de hele scala der waarheid doorloopt, deels in de stèmvoering” de dóór­voering, randtonen, beneden en boven, retoucheert, om het ’tussenliggende’ in een bepaalde phrasering met heel zelfstàndige accenten te doen klinken. Evenwel bevat het ‘tussenliggende’ het volledig beloop van de normale prediking van het evangelie, van de heilstijd.

Pagina's: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10