Romeinen 3

 
Voor allen, die geloven.
Dat is het vruchtbare ‘maar’! Het zien van de nieuwe dag is en blijft indirect, de openbaring in Jezus blijft een paradoxaal feit ­hoe objectief en algemeen geldig haar inhoud verder ook is. Dat de beloften van de trouw Gods in Jezus de Christus vervuld zijn, dat juist Jezus de Christus is, naar wie alle beloften wijzen, en dat Jezus juist daarom de Chris­tus is, omdat in hem de trouw van God in haar uiterste verborgenheid, in haar diepste geheimeniskarakter verschijnt, dat alles is niet en wordt nooit vanzelfsprekend. Het is geen psychisch, historisch, kosmisch, natuurlijk ge­geven, ook niet een van de hoogste soort. Het wordt niet door directe inzage duidelijk: noch door ontsluiting van het onbewuste, noch door een mystiek verzinken in het gebed, noch door ontplooiing van verborgen mogelijkhe­den des geestes; het wordt daarentegen door alle pogingen in deze richting alleen maar ontoegankelijker. Het kan niet overgeleverd worden, of geleerd of verworven. Als het anders was, dan zou het immers niet het algemeen geldige zijn, niet Gods gerechtigheid voor de wereld, niet redding voor al­len. Geloof is omkering, radicale heroriëntatie van de mens, die naakt voor God staat, die arm is geworden om in het bezit te komen van een kostbare parel, die om Jezus’ wil ook zijn ziel verliest. Geloof zelf is trouw van God, (73) altijd nog en altijd weer verborgen achter en boven alle soorten van mense­lijke instemming, gezindheid en verworvenheden tegenover God. Geloof is daarom nooit klaar, nooit gegeven, nooit gegarandeerd, het is van de psy­chologie uit gezien altijd en altijd opnieuw de sprong in het ongewisse, in het donker, in het niets. Vlees en bloed openbaart ons dat niet (Mat. 16,7); geen mens kan het een ander, niemand kan het zichzelf zeggen. Wat ik gis­teren hoorde, moet ik vandaag opnieuw horen, zal ik morgen weer opnieuw moeten horen, en altijd is degene die openbaart Jezus’ Vader in de hemel, Hij alleen. De openbaring in Jezus is immers, juist doordat ze de openba­ring van de gerechtigheid Gods is, tegelijkertijd de sterkst denkbare manier waarop God zich verbergt en onherkenbaar maakt. In Jezus wordt God waarlijk geheimenis, maakt Hij zich bekend als de onbekende, spreekt Hij als de eeuwig zwijgende. In Jezus weert God alle opdringerige vertrouwe­lijkheid af, alle godsdienstige onbeschaamdheid. Geopenbaard in Jezus wordt God de Joden een ergernis en de Grieken een dwaasheid. In Jezus begint de boodschap van God met een terugstoten, met het wijd openen van een gapende afgrond, met het bieden van gelegenheid tot de grootste ergernis. ‘Neem de mogelijkheid van ergernis weg, zoals men in de christen­heid heeft gedaan, en het hele christendom is directe mededeling en het hele christendom is afgeschaft. Het is een gemakkelijk, oppervlakkig iets gewor­den, dat noch diep genoeg verwondt noch geneest, de onware uitvinding van puur menselijk medelijden, dat het oneindig kwalitatief verschil tussen God en mens vergeet’ (Kierkegaard). Geloof in Jezus is het radicale ‘noch­tans’, evenals ook zijn inhoud, Gods gerechtigheid, een radicaal ‘nochtans’ is. Geloof in Jezus is het ongehoorde, van de geheel ‘liefdeloze’ God liefde te ondervinden en te begrijpen, de altijd aanstootgevende en ergerniswek­kende wil van God te doen en God in zijn ganse onzienlijkheid en verbor­genheid God te noemen. Geloof in God is het waagstuk aller waagstukken. Dit nochtans, dit ongehoorde, dit waagstuk is de weg, die wij wijzen. Wij ei­sen geloof, niet meer en niet minder. Wij eisen dat niet in onze eigen naam, maar in de naam van Jezus, in wie deze eis ons zelf op onontkoombare wijze tegemoet gekomen is. Wij vragen niet om geloof in ons geloof; want wij we­ten dat datgene aan ons geloof, wat van ons is, ongeloofwaardig is. Wij vra­gen niet van andere mensen ons geloof; want wanneer anderen gaan gelo­ven, zullen ze het net als wij doen op eigen risico en om zelf de belofte te ver­werven. Wij eisen geloof in Jezus. Wij eisen dat van allen, van allen hier en (74) nu, in de fase van hun leven, waarin ze zich nu bevinden. Er zijn geen men­selijke voorwaarden (zoals bijv. pedagogische, intellectuele, economische en psychologische) die voorafgaand aan het geloof moeten zijn vervuld. Er is geen menselijk erheen leiden, geen heilsweg, geen ladder, die om zo te zeggen eerst afgelegd moet zijn. Geloof is altijd het eerste, de noodzakelijke voorwaarde, de fundering. Men kan als Jood en als Griek, als kind en als grijsaard, als ontwikkeld en als onontwikkeld mens, als eenvoudig en als ge­compliceerd mens, in de storm en in de stilte, op alle sporten van alle denk­bare menselijke ladders geloven. De eis van geloof gaat dwars door alle ver­schillen van godsdienst, moraal, leefwijze, levenservaring, inzicht en sociale positie heen. Geloof is voor iedereen even gemakkelijk als moeilijk. Geloof is altijd het zelfde nochtans, hetzelfde ongehoorde, hetzelfde waagstuk. Geloof betekent voor allen dezelfde verlegenheid en dezelfde belofte. Ge­loof is voor allen dezelfde sprong in het niets. Het is voor allen mogelijk, omdat het voor allen even onmogelijk is.

Pagina's: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14