Het volk Gods in het wereldgebeuren

e eigen zwakheid en de ganse kracht

WE GAAN MET Barth verder! in meer dan één betekenis; nu echter in een nadere ontvouwing van het volk Gods in het wereldge-ren”, met name hoe dat volk zijn eigen plaats en zichzelf verstaat. We hoorden reeds een en ander over de dialectiek van de zichtbare en on­zichtbare aanwezigheid-en-werking van dat volk, van die ge­meente. En als toepassing daarvan hoorden we van het samengaan ener totale afhankelijkheid en een totale vrijheid ten opzichte van de wereld; hetgeen weer tastbaar gemaakt werd in de eigenaardige afhankelijkheid en vrijheid van de taal der kerk in de loop der eeuwen en in de even op­vallende afhankelijkheid en vrijheid van haar gemeenschapsvorm ten aanzien van alle mogelijke staats­rechtelijk en sociologische structu­ren. Steeds ging het er praktisch om, de eerbiedwaardige schijn van een sacrale taal en van een sacrale bestaanswijze te verstoren; te ver­storen niet ten bate van een disqualificering en vulgarisering van de concrete bestaanswijze, maar om ruimte te maken voor de Vrijheid van het zuivere aanwe­zig-zijn, de creativiteit van het te-genwoordig-gestelde getuigenis, con­form aan (of analoog met) de vrij­heid, de creativiteit van de profetie, d.i. de presentie van het Woord van Jezus Christus op de aarde, onder ons, tot heil der volken, -tot gene­zing der wereld.

EEN VOLGENDE SCHREDE tot precisering en concretisering van dit eigenaardig bestaan en dit eigen­soortig zich-zelf-verstaan der ge­meente doet de K.D. nu door de ontwikkeling van de dialektiek, die er schuilt in de zwakheid (ja, het onvermogen der gemeente) in deze wereld én de kracht (ja, de alle na­tuur- en cultuurmacht overtreffende macht) der gemeente in deze we­reld. Wie op het een of op het an­der iets meent te moeten afdingen, heeft allicht nog niet verstaan wat de deelname van de gemeente aan het profetisch ambt van Jezus eigenlijk betekent. Ook hier dreigt weer, dat we ons vergapen aan de indruk­wekkende historische macht en in­vloed (als teken van de macht des Geestes) en zo het gegevene onkri-s: tisch overschatten; of omgekeerd het gevaar, dat we ons laten ontmoedi­gen, wanneer de kerkgeschiedenis ons in haar profaniteit en haar veel­vuldig falen voor ogen wordt ge­steld.

DE EIGEN ZWAKHEID en de ganse kracht kan worden afge­lezen uit Paulus’ woorden, die zeker niet alleen tot z’n persoonlijke existentie en zijn apostolische arbeid beperkt zijn, als het 2 Cor. 12 : 9 v. heet: „maar Hij heeft tot mij ge­zegd: Mijne genade is u genoeg, want mijn Kracht is in de zwakheid machtig: zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheid, opdat de kracht van Christus in mij wone”. Dit geldt ook van de gemeente; het is geen dierbaar woord geboren uit de ommezwaai van ‘n depressieve bevinding naar ‘n euphorisch wel­bevinden en overmoed; hier is een levenswet omschreven, die in het N.T. op velerlei wijze aan de dag gebracht wordt, hier is „das Gesetz nach dem sie angetreten”, hier werkt wat het geheim der gemeente is dóór tot in haar continue gestelte-nis en in haar contingente gestalten.

De leer d.i. de prediking der ver­zoening is zo centraal, dat wie haar niet verstaat, ook in de beoordeling van de gemeente en van haar zelf­bewustzijn geheel terre a terre moet denken of geheel in projecties van idealen; de neiging van het een en het ander geeft aan zoveel ecclesiologie die schelle vlekken op een mat fond, die overdreven exclamaties omringd door povere, ach zo pove­re gedachten. „Das Jahrhundert der Kirche” wilde de 20e eeuw heten! zo werd het aangekondigd, maar wat daar praktisch en theoretisch ten tonele werd gevoerd, bleek te rusten op een zeer wankele stellage, die het gewicht van de S.S. even­min droeg als dat van de volkse christen van goede wille.

Niet toevallig komen we bij dit on­derwerp te spreken over het heime­lijk heidendom, dat in al zijn vertwijgingen tot diep in de volksziel geen notie had, heeft of hebben zal van het geheim der kerk, al dadelijk in dit opzicht, dat zij, de kerk, zwak en onmachtig is in wezen, omdat zij niet behoort tot de „wesensnotwendige Konstanten der menschlichen Existenz”. Begrijpen wij, welke ge­weldige consequenties deze (toch onweersprekelijke) these heeft. Het sluit in, dat de gemeente natuurlijk een plaats heeft in de wereld, maar geen, naar de maat der wereld, haar toekomende plaats. De staat, de ar­beid, de kultuur, hebben hun vaste plaats, in een of andere vorm komen zij in alle tijden uit de diepten en vlakten van het bestaan naar boven en naar voren; de kerk echter heeft geen wortel in de kultuur (dan in schijn). Maar de beste anti-parallel is de religie. De religie leeft hoe het atheïsme boren mag aan haar fundamenten, hoe het nihilisme stor­men mag rond haar torens en kantelen, in een onneembare veste. Van de godsdienst kan men inder­daad wél zeggen, dat zij tot de innerlijk-noodzakelijke openbaring van het mens-zijn behoort; de religie is autochtoon, uit de bodem geboren waaruit ook het volk zijn herkomst heeft of autonoom, in een eigen kategorie der zelfverantwoording der cultuur opgeheven en afgeschermd. Heel anders staat het met de ge­meente! Want Israël kan men alleen vanuit de religie interpreteren, tegen zijn eigen zelfbewustzijn in! En zo is ook de christelijke gemeente een in der Ökonomie des Humanen an .,schlechthin zufdlliges Phanomen, bestimmter Stelle auftauchend, aber in ihrer ganzen Humanität nicht irgend zu ihr gehörig, eine Fremden-kolonie für deren Wesen und Exi­stenz es in ihrer Umgebung keine Analogien und darum keine Kategorien zu ihrem Verstandnis und darum keine sinnvolle Verwendung gibt (S. 850 slot van de kleine let­ters).

NOG ONTGAAT ons de strekking van het hier gestelde, als we het beamen vanuit de leer-der-zonde en niet rekenen met wat de leraar ons uitdrukkelijk voorhoudt n.l. dat het gezegde ook geldt als we onder „we­reld” de schepping Gods, de oor­spronkelijke schepping verstaan. En weer komt hier aan de dag, hoe cen­traal de leer d.i. de prediking der verzoening is (die in wezen de open­baring zélf is, gelijk ook omgekeerd gezegd kan worden, dat de openba­ring op zichzelf de akte der verzoe­ning is van Godswege) — want zou de „Gottestat der Versöhnung” niet nieuw, creatief – nieuw zijn, dan zou er niets nieuws onder de zon ge­beurd zijn en zal er ook nooit iets in volle zin nieuws te verwachten zijn, maar enkel evolutie van varian­ten en hun grandioos doodsverloop. Met het woord „wonder” (indien wij het theologisch handhaven) bedoe­len we dan ook de simpele, maar onmogelijke, niettemin ons vóórge­zegde) ontkenning van de stilstand of de kringloop; de verwerping van de verstarring der aarde en van de ontlediging des mensen, de uitslui­ting van het zwijgende Zijn en van de alles-dovende Verwaaing, het Nirwana. De verzoening is zozeer de spil van de realiteit en het levende midden van de tijd, dat de geest spoedig verleid wordt uit te zwer­men tot de grenzen van die gouden heerlijkheid. Maar blijven wij dit­maal strikt bij ons thema: de eigen zwakheid en de ganse kracht van de gemeente in de wereld; ook om deze reden, dat de minder ingewijde in al zulke vertogen, al zouden ze nog zozeer zangen, God-verheerlij­kende hymnen zijn, bijna zeker een poging hoort, de kerk te verheffen (!), en haar glorie te vermeerderen.

Terwijl toch het omgekeerde in de lijn ligt. Het gaat juist om het on­vermogen van dat Godsvolk, dat geen plaats vindt op aarde, zoals er voor de Nieuw-geborene geen plaats was in de herberg. „Wie wäre die Gemeinde seine Gemeinde, wenn sie anders dran ware als er und also (Mt. 8 : 20) wie die Füchse ihre Gruben und wie die Vogel des Himmels ihre Nester, wenn sie im Unterschied zu ihm einen Ort hätte, da sie ihr Haupt hinlege”. Gelijk Israël, gelijk de Zoon des mensen, heeft de gemeente in wezen een nomadenle­ven, nergens thuis, altijd op weg, zonder rechten, hoogstens geduld; ze is te gast, ze mag ergens een poosje kamperen, ze krijgt op z’n mooist „Aufenthaltsbewilligungen, keine Niederlassungs- onder gar Burgerrechte”.

Wellicht is het goed ook hier op te merken, hoe, bij alle verbreding en verdieping in Barth’s werk, de oor­spronkelijke ontdekking in (zeggen we Römerbrief II) zich doorzet: het herstel van de vreemdelingschap, krachtens de vreemdheid der Epiphanie, het zg. „dualisme”, het zg. marcionitische, het radicaal eschatoligische besef (van méét-af minder vanuit het Einde als vanuit het Mid­den (!) het onherleidbare Midden).

NATUURLIJK vinden we ook hier in onze ervaring de bijna geheel overtuigende, de onvermijde­lijke schijn, alsof het er heel anders voorstaat met de gemeente; de kerk staat toch midden in het dorp; ze hoort ook in de stad tot de cultuur­verschijnselen, naast de Universiteit, de Rechtszaal, de Schouwburg; ze draagt haar deel bij aan de opvoe­ding en de leiding van het volk; ze is toch een konstante factor ter be­vordering van de humaniteit. Maar ook hier (gelijk bij de taal, gelijk bij de sociologische structuur) bedriegt de schijn. En het is, of de mensen daarvan instinctief weet hebben; zij vertrouwen die vreemdeling nooit helemaal, als ze hun eigen zaken be­redderen. Er heerst lange tijd tole­rantie, zelfs heerst er respect voor het verschijnsel der kerk, maar steeds onder een geducht voorbehoud. En dat is goed, dat is gezond! Ongezond en gevaarlijk is het veel meer, als de gemeente zelf zich gaat verstaan en zich te gedragen weet als ware zij tóch te rekenen (gelijk b.v. de gods­dienst) tot de „wesensnotwendigen Konstanten der menschlichen Existenz”, wanneer zij, in een beetje andere stijl „gleich oder ähnlich . . . die Rolle eines immerhin beachtlichen Religionstum oder gar die eines heiligen Staates im Staate spielte”. Dat zou fataal zijn, want óf zij wordt dan wat zij speelt, óf zij zal, (als zij ook tijdens die rol aan haar vreemdelingschap vasthoudt) ont­maskerd worden als ter kwader trouw en als zodanig behandeld wor­den. Bij elke kritische wending in de geschiedenis zal het er om gaan, in nieuwe zuiverheid zich te bewegen.: zurück aus dem falschen Schein in die Heimatlosigkeit, in die Rand-existenz und in das Bekenntnis zu… ihre Schwachheit, ihr ganzliches Unvermögen dem Weltgeschehen und seinen Elementen gegenüber”.

EN NU IS DE kracht, de ganse wonderkracht, gelegen in wat méér de keerzijde dan de tegenpool van haar onvermogen moet ge­noemd worden; het gaat hier wel om een antithese, maar in de wissel­stroom der dialektiek opgenomen, het gaat hier wel om het andere, maar om het andere van het eerste. Men houde vooral vast, dat we hier wel te doen hebben met de onzicht­bare zijnswijze, maar welverstaan: de onzichtbare zijnswijze in het zichtbare van haar bestaan. Immers, reeds ‘op de voorgrond van het gezichtsveld, blijkt dat het volk Gods het énige volk is, dat blijft; meer dan dat: werkzaam blijft, méér nog: groeien, zich vernieuwen kan van eeuw tot eeuw. De gemeente heeft, waar alles tegen haar bestendigheid pleit, omdat ze geen wortel heeft in de fundamenten van de wereld, (zelfs niet van de goede schepping) een bestendigheid, voor welks ver­wijlend gelaat de volken en cultu­ren voorbijgaan; de weidse menin­gen, de grote ontwerpen, de philosophiën en de ideologiën— zij gaan voorbij. Deze bestendigheid komt aan den dag — „ziemlich unabhängig von der Frage seiner (des Volkes) Treue oder Untreue” — omdat de gemeente in haar onvermogen wordt vastgehouden of daarheen terugge­leid wordt. En weder is deze besten­digheid gelegen in de macht van de profetie zelf, van het ambt-der ver­zoening. De gemeente wordt ge­dwongen tot de status van haar onmacht terug te keren, opdat het Woord zijn loop in vrijheid her-neme.

WIE BIJ „WOORD” denkt aan preek volgens bijbeltekst, kan niet anders dan verstomd staan over zoveel stompzinnige overschatting. En weder blijkt dat wie het geheimnis van de prediking der verzoening niet kent — n.l. dat het ident is met de pure tegenwoordigheid van God, de waarachtige God — die zal ten aanzien van de positieve tegen­pool (of keerzijde) van het no­madisch bestaan der gemeente ook geen vat krijgen op dit wezenlijke wonder. Hoewel de tekenen voor ogen zijn! „So ist denn auch sein (des Volkes) Zeugnis, oft genug sehr matt ertönend oder getrübt durch laute, aber falsche Töne, faktisch nie verklungen, sondern gerade wenn es sich zu seiner Rand-existenz bekannte, in der Welt je und je mindestens gehort worden. So konnte seine Stimme, oft fast völlig unterdrückt durch den, von so viel anderen Seiten ertönenden Larm, doch immer wieder anschwellen und auch in einer gewissen Reinheit laut werden” (S. 852).

ER ONTBREEKT echter nog een element aan deze ontwikkeling der verhouding van zwakheid en kracht der gemeente; het wordt op een verrassende wijze in het betoog ingebracht. Het gaat er om, tussen schepping en verzoening, alsook tus­sen wereld en kerk geen kloof. te suggereren. Tegelijk gaat het er om, de „kracht Gods” nader te omschrij­ven. Met het laatste beginnende stelt Barth dat de kracht der waarheid, die in de zwakheid der gemeente machtig is, toch eigenlijk de (ver­hulde) algemeen-menselijke situatie is; zwak, bedreigd, onbeschermd, ongestadig en dolende op de aarde is immers het mensdom als zodanig. Het is niet zo, dat „die Menschen-völker in ihren Steinhausern, gestützt durch jene Konstanten des Weltgeschehens (im Unterschied zum Volke Gottes) wirklich zuhause, gesichert, geborgen waren”. Wel­nu, in de „Randexistenz”, in de „Heimatlosigkeit” der gemeente wordt de onmacht des bestaans, in solidariteit met Kain en zijn zonen, zichtbaar. Wat zij niet weten, weet en bekent de gemeente; wat zij niet zien willen, ziet het volk Gods onder ogen. In haar Selbstverstandnis vol­trekt zij, plaatsbekledend, de ken­nis der menselijke ellende. Dat sluit in een bereidheid, de grote onmacht van haar eigen bestaan zonder mor­ren te dragen; want de stof waaruit dit onvermogen is gevormd is de stof van het adamitisch exiel, dat uitligt onder het licht en de slagschaduw van het goddelijk oordeel en de god­delijke genade.

MAAR NU, wat is het goddelijke der „ganse macht” van het Godsvolk? Men kan het alleen zeg­gen door de onderscheidng tussen de kosmische krachten, waarop de volken teren en de Godskracht, die zich mededeelt in de ..Aufrichtung der Gnadenordnung”. Wie goed tracht te bedenken, al is het in ge­broken aandacht, wat een mens zegt, als hij GOD zegt, wie werkelijk de suggestie der religie, al is het slechts met een gedeeld gebaar, afweert, wie werkelijk Jezus Christus als de verzoenende openbaring mag horen, die verstaat van verre niet alleen het feit, maar ook de oorzaak, ja de noodzaak van de eigenaardige isole­ring van de gemeente en van haar nomadische afhankelijkheid in deze wereld. De vreemdelingschap is daarom noodwendig, opdat de „Überlegenheit der Kraft in der sie (de gemeente) existieren darf”, de Vrijheid, de scheppend Vrijheid, zich daarin zou doen gelden, zich daarin present zou stellen. Aan die „Überlegenheit” neemt de gemeente, niet alleen „ondanks” haar zwakheid maar ook en veel meer „dankzij” haar zwakheid deel. En men kan zeggen: wat op het voorveld van de ervaring zich reeds opdringt n.l. dat staten en culturen zich uitputten en ten einde gaan, terwijl de kerk blijft, dat is in het hart van de zaak, in de werking van de Geest, nog veel méér waar, nog veel meer dan hart en geest kunnen bevroeden; dat Zijn kracht in de zwakken machtig is, noemen wij slechts in onze toeschouwers-houding een paradox.

WIE DENKEN ZOU dat de zaak zo aardig, na veel gewichtig draaien, op z’n (oude) pootjes is te­rechtgekomen, heeft op allerlei wijze zich misrekend. Vooral hierin: dat dogmatiek zelf ethiek is, gelijk de uitverkiezing en het gebod samen-horen, het Verbond en de schep­ping, Christus en Zijn lichaam — zodat we hier ons niet kunnen ne­derzetten als op de sluitsteen van het betoog, maar veeleer de sluitboom van de weg voor ons zien opengaan, de weg van een onbegrijpelijke macht der gemeente te troosten en te straffen, te genezen en te bescha­ven, te helpen en te redden, te be­grijpen en te verheffen. „Was sollte sie in dieser seiner Kraft — weit hinaus über ihre fortgehende Erhaltung und Erneuerung — nicht können? Über welche Mauern (Ps. 18 : 30) sollte sie da… nicht zu sprin­gen vermogen?”

Dat moet in een volgend kapittel: „die Gemeinde für die Welt” (§. 72, 2) en in „De Auftrag der Ge­meinde” (§. 72,3) uitvoerig worden duidelijk gemaakt (tot in b.v. de functie van het profetisch-apostolisch woord inzake de atoombewape­ning). Voorlopig mag en moet worden vastgesteld, dat de gemeente veel meer kan, veel meer doen zal, een veel groter zegen ter ver­nieuwing van het aardrijk zijn moet, zijn kan, zijn zal. Naar haar ver­schijning leeft zij in zwakheid; zichtbaar is niets typerender voor haar aanwezen dan juist dit onver­wachte, dit wonder. „Sie lebt aber in ihrer Sichtbarkeit und also in ihre Schwachheit von der unsichtbaren Kraft des Willens, des Werkes, des Wortes Gottes, zu dessen Dienst sie als „neue Kreatur” (2 Cor. 5 : 17) geschaffen ist. Diese Kraft macht sie in ihrer sichtbaren Schwachheit unüberwindlich” .

ZOALS ZO VAAK breekt ook in dit gedeelte van de K.D. die oecumenische synthese door, tussen Oost en West, ook tussen luthers en gereformeerd; met woestijntocht, pelgrimage, ascese is slechts de helft en, ons dunkt, horizontaal gezien, de kleinste helft van de kenmerken van de gemeente aangegeven; wat mede en beslissend tot het kerkzijn behoort — dat is de dienst, de door­braak, de vernieuwing van het leven, de aanvankelijke genezing van de wereld en het afleggen van het kleed van de weemoed om het te verwisse­len met het „gewaad des lofs”. (Jes. 61 : 3), Zoals er in de wereld ware gelijkenissen van het Godsrijk ge­steld worden, zo voltrekken zich in de geschiedenis waarachtige vervul­lingen der belofte Gods. Door de bemiddelende arbeid van het „nieu­we schepsel”, dat de gemeente is! „Want met U loop ik door een ben­de en met mijnen God spring ik over een muur”. Dit voor een werelds, vermetel activisme te houden is het eigenlijke euvel van de oosterse kerk; hier het chiliasme als „joodse droom en ketterij” te duchten schijnt ons het wezenlijke, levensgevaarlijke tekort van de lutherse innerlijkheid. Reden te meer om dankbaar te zijn voor elk denken, dat zich strekt naar een oecumenische synthese ook in de leer van kerk-en-wereld, van de onmacht en de macht der gemeente in het wereld gebeuren.

K.H. Miskotte

(In de Waagschaal, jaargang 15, nrs. 14, 15, 16, 17, 19. 23 januari, 6 februari, 20 februari, 5 maart, 2 april 1960)

 

Pagina's: 1 2 3 4 5