Verdraagzaamheid als gebod, een interview

logo

Begin October heeft Karl Barth twee dagen ‘doorgebracht in het „Centre Protestant d’Etudes” in Genève. Daar voerde hij een gesprek met een studiegroep, die bezig is de „Dogmatik” in het Frans te vertalen. In het Bulletin van dit Centrum van October 1951 vertelt een der deelnemers, hoe Barth een aantal vragen, die in deze kring waren gerezen, heeft beantwoord. Men moet bij de lectuur van dit verslag natuurlijk bedenken, dat wij meer te doen hebben met wat Barth in een gezellig uurtje rond de thee als zijn mening uitsprak dan met een weloverwogen bladzijde uit een wetenschappelijke dogmatiek. Voor „In de Waagschaal” vertaalden wij Barths antwoord op de negende vraag. Deze luidde:

Hoe te denken over de verdraagzaamheid, de eerbied voor de vrijheid in de Kerk? Welke houding moeten wij aannemen tegenover de vrijzinnigen? In uw Dogmatik III, 4, 567 waarschuwt u nadrukkelijk tegen het schisma. Hoe moeten wij ons in deze kerk-politiek gedragen? Moeten wij partijpolitiek voeren (posten veroveren, een meerderheid in de besturen zien te krijgen)? Verschilt uw houding van die van Calvijn? Bent u minder dan hij geneigd tot het gebruik van tuchtmaatregelen in de Kerk? Hoe moeten wij over de kerkelijke tucht denken? Wat moeten wij onder Paulus woord verstaan: Er moeten ketterijen zijn (11 Cor. 11 :19)?’

Hierop antwoordde Karl Barth:

Verdraagzaamheid in de Kerk— ja, die is mogelijk. Beter, zij is noodzakelijk, zij is een gebod. Want.de Kerk is de plaats, waar men elkaar vindt in de liefde tot en de gehoorzaamheid aan Jezus Christus, Men herkent elkaar daar als leden van één lichaam, ook met de verschillen in geestelijke gaven, taken, verplichtingen. Er zijn in de Kerk hopen mogelijkheden van wettige en zelfs noodzakelijke verschillen tussen de leden onderling. In dit centrum, waar men in ieder der verschillende leden het Hoofd terugvindt en waar men in de naaste de mede-christen ontdekt, de Christus Zelf, Zijn boodschap, Zijn Geest, daar geschiedt de verdraagzaamheid vanzelf.

Toch staat het met die tolerantie niet zo eenvoudig. Want er zijn soms heel vreemde snuiters onder de leden der Kerk. Ik herinner u aan l Cor. 12—14. Niettemin geldt juist in de Kerk de verdraagzaamheid als gebod.

Vrijzinnigheid in verscheidenheid.

Thans is er echter sprake van de vrijzinnigen. Hier moeten allerlei vragen worden opgeworpen. Er zijn vrijzinnigen en vrijzinnigen. Het ligt allemaal niet zo duidelijk. Wat is eigenlijk een vrijzinnige? Er bestaan verschillende soorten en het is raadzaam hen niet allen over één kam te scheren. Dat neemt niet weg, dat er reden is om „verdenkingen” te koesteren als iemand zich als vrijzinnige aandient. Maar dat houdt niet in dat de verdraagzaamheid dan misplaatst zou zijn.

Een ander punt: u weet, dat in ieder van ons een vrijzinnige schuilt. In mij schuilt die heel zeker. Zodra men die vrijzinnige in de ongunstige zin des woords in zichzelf heeft ontdekt, begint de bestrijding. Dan zal het minder interessant zijn om die of die dominee te bestrijden, en stukken belangwekkender om de vrijzinnige in ons te lijf te gaan.

Nog een ander punt: Het is wel zeker, dat er in de 17de eeuw een vrijzinnigheid en vrijzinnigen zijn geweest, van wie God zich heeft bediend, misschien heel eenvoudig om de zonden van de orthodoxie te straffen. Men ontdekt soms situaties, waarvan men zegt: hier kwam vrijzinnigheid uitstekend te pas. Als wij in die situaties van de 17de of 18de eeuw zouden geleefd hebben, zouden wij vrijzinnig zijn geweest. God heeft de vrijzinnigheid gebruikt om de Kerk te herinneren aan een bepaalde nederigheid, of om bepaalde noodzakelijke correcties aan te brengen. Hoe dit alles ook zij, er zijn altijd vrijzinnigen geweest en zij zullen er altijd zijn, want steeds zal het voorkomen, dat men niet meer verstaat, dat het in de Kerk om Jezus Christus gaat.

Een vreemde geest.

Het komt er derhalve niet op aan, dat men alleen aandacht geeft aan bepaalde vrijzinnige formuleringen en ontkenningen. Veeleer is het zó, dat men, op een bepaald ogenblik tegenover een geest gesteld wordt, die vreemd is aan het Evangelie. Dan moet men wel zeggen: Als deze preek de inhoud van de Kerk is, dan behoor ik daar niet bij. Want voor r-zover ik meen Jezus Christus te kennen, voel ik me van deze vrijzinnige Kerk gescheiden (séparé).

Ik kan niet toegeven, dat dit goed koren is, omdat ik er alleen een kwaad gewas in kan ontdekken, een ziekte van de Kerk.

Onder de naam van vrijzinnigheid ontmoet men deze vreemde geest, dit kwade gewas. Men ontmoet het in zijn omgeving, in zich zelf. De grote strijd tegen deze vrijzinnigheid, tegen deze vreemde geest, tegen dit kwade gewas moet echter niet negatief (door geestelijke of morele uitbanning en onderdrukking) gevoerd worden, maar positief. Hoe? Door de blijde boodschap te verkondigen en beter te preken dan tot nu toe. Misschien zullen wij dan ontdekken hoe moeilijk het is om niet vrijzinnig te zijn en het juiste en goede woord te spreken.

Tegenover de vrijzinnigheid moeten wij een opbouwende, constructieve strijd voeren, niet een afbrekende.

Mijn ervaring heeft mij geleerd dat men meer bereikt door wat men positief betuigt dan door de critiek. Dit geldt zelfs op het theologische terrein. Ik weet niet of u met mij eens zijt, dat ik in mijn loopbaan tegenover de vrijzinnigheid niet veel gedaan heb aan zuivere polemiek. Wat hen in het harnas joeg waren steeds de dingen, die ik positief beweerde. Zij werden kwaad als ik over Jezus Christus sprak.

Elke directe aanval draagt een element van zwakheid in zich. Calvijn stond sterk zolang hij de grote geloofswaarheden, die hij herontdekte, betuigde. Zijn polemische stukken in de Institutie daarentegen hebben alleen betekenis gehad voor die tijd en zijn tamelijk menselijk. Zijn kracht tegenover de Wederdopers en de Roomsen komt voor de dag wanneer hij zegt wat nodig is.

Bestrijding en getuigenis.

Natuurlijk moet men zeker van zijn zaak zijn om de strijd op die manier te voeren. Dikwijls gaat men tot bestrijding der vrijzinnigen over omdat men van zijn eigen getuigenis niet zeker is. Is men daarvan wél zeker, dan kan men zich veroorloven niet alleen om hen te verdragen, maar ook om hen te zien zoals zij zijn. Er zijn zeer merkwaardige vrijzinnigen.

Wat mijzelf betreft vind ik het bewijs van een goede houding tegenover de vrijzinnigheid van de vorige eeuw daarin, dat ik enerzijds het christelijk geloof zonder vrijzinnige zuurdesem kan betuigen en anderzijds tegelijk van Schleiermacher kan houden, de structuur van een dergelijke geest kan waarderen en hem kan .begrijpen.

Met mijn studenten doe ik dezelfde ervaring op. Hoe nuttig is ’t voor hen om de vrijzinnigheid te bestuderen! Zij, die er zich niet mee willen bezighouden, zijn uitgerekend de mensen, die gevaar lopen vrijzinnig te worden! Ik zou u dus willen aanraden u altijd opnieuw daarin te verdiepen, en wel uit liefde en niet uit strijdlust. Wij begeren toch ook, dat men ons onze zonden vergeeft, ook onze theologische zonden? Die vergiffenis bestaat voor heidenen en rechtvaardigen, maar ook voor de vrijzinnigen. Wij missen te veel het vertrouwen in deze vergeving. Ik zou daaraan willen toevoegen: wij missen ook de echte nederigheid, en ons goede humeur tegenover de vrijzinnigen. Juist aan dit laatste hebben wij behoefte, omdat zij altijd droevig gestemd zijn Daarom een goed humeur en natuurlijk ook uw vasthoudendheid, die van geen wijken weet. Dat alles welt op uit ons vertrouwen in Gods Woord. Als wij dit maar hebben en daaruit leven en de deugden bezitten, waarover ik sprak, behoeven wij niets te vrezen.

Wat de kerkelijke tucht betreft, deze wordt uitgeoefend door Gods Woord. Vrijzinnigheid en vrijzinnigen kunnen slechts veranderd en verwijderd worden door het Woord van God. De dwang, die voor de verwijdering van de vrijzinnigheid nodig is, komt niet uit ons. Laat ons God trouw dienen, dan zal de tucht vanzelf zich laten gelden.

Kerk en belijdenis.

Vraag: Zou het, ter voorkoming van de vrijzinnigheid, niet goed zijn om tenminste door de predikanten een geloofsbelijdenis te laten afleggen?

Barth: Ik zou graag willen, dat wij Kerken met een geloofsbelijdenis hadden. (De belijdenisgeschriften zijn in Zwitserland officieel terzijde gesteld, P.). De belijdenis zal er echter eerst komen wanneer wij goede belijders zullen hebben. Het is nodig, dat wij een belijdende Kerk worden. Wij zullen ermee moeten beginnen om die belijdende Kerk te worden, want de Kerk als zodanig is dubbelzinnig (evenals de oecumene). De Kerk is naar haar wezen het lichaam van Christus. Maar wat zichzelf Kerk noemt, is misschien niets meer dan een gelegenheid om te preken en in Jezus Christus te geloven. Misschien niet meer dan een dak, waaronder zich de ware Kerk moet gaan vormen. Het kan gebeuren dat onze Kerk werkelijk met de ware Kerk kan gaan samenvallen, met de Kerk die belijdend is en ook een belijdenis zal hebben. Men moet zich van het hebben van een belijdenis niet te veel voorstellen. Want men kan niet zeggen: hier is de belijdenis; u moet die aanvaarden.

Heel iets anders moet gebeuren: wij moeten tegenover de anderen ons leven leven en hopen, dat onze belijdenis hen zal overtuigen. Wij kunnen slechts getuigen. Maar dit moet dan ook gebeuren. Laten wij daarnaar streven. De anderen zullen dan wel een grote keel opzetten, maar het is ook mogelijk, dat dit getuigenis hen treft. Dat is de weg naar een Kerk, die een belijdenis heeft.

Vraag: Betreurt u het ook, dat men de belijdenis heeft laten varen?

Barth: Ik betreur dat niet, want in feite had men de Helvetica (de belijdenis der Zwitserse Kerk, P.) reeds laten varen op het moment van haar officiële intrekking. Zeker, de huidige situatie is betreurenswaardig. Wij hebben Kerken en niemand weet precies wat zij willen en welk hun getuigenis is. Maar liever dan te vechten voor een belijdenis is het mij om de goede belijdenis te betuigen in de Kerk zoals zij is.

Kerkelijke tucht.

Vraag: Men kan niet teruggaan en opleggen wat voorbij is. Maar dat neemt niet weg, dat wij betreuren een Kerk te hebben, waarin ieder kan komen op voorwaarde, dat hij ernstig en fatsoenlijk is.

Barth: Men kan onze officiële Kerk geen Kerk van Jezus Christus noemen. Het is niet meer dan het dak, waaronder het Evangelie van Jezus Christus kan gepredikt worden. Laten wij ons uiterste best doen om deze leegte te vullen.

Is er ooit een tijd geweest, waarin wij een goede kerkelijke tucht hadden? Zelfs de tijd van Calvijn kan daarop geen aanspraak maken. Ongetwijfeld is de tucht voor de Kerk iets essentiëels. Maar hoe haar uit te oefenen? Volgens mij oefent zij zichzelf uit door de prediking, de zielszorg, de theologie. Ik kan me voorstellen, dat een gemeente een bepaalde predikant niet herkiest (in Zwitserland moet elke vijf jaar een predikant door zijn gemeente herkozen worden, P.), omdat hij het christelijk geloof niet leert. Maar zulk een tuchtoefening zou onze gemeenten eerst bijgebracht moeten worden.

Vóór de belijdenis uit gaat een geestelijk beleven. Wij moeten eerst een belijdende Kerk zijn, niet een belijdeniskerk. Wij moeten geen nieuw confessionalisme invoeren. Wij hebben geen behoefte aan een herleving van de goede oude tijd….

Pagina's: 1 2 3