Het christelijk Openbaringsbegrip






I. HET WEZEN DER OPENBARING.

De Naam Jezus Christus duidt de Openbaring aan als geschied en geschiedend in het gebeuren van de existentie van Hem, die dezen Naam draagt. Men moet van Jezus Christus weten, om ook maar iets van Openbaring te weten, in den oorspronkelijken, echten en strengen zin van het woord. „Openbaringen”, die verschillen van de Openbaring, die in hem is geschied en geschiedt, kunnen alleen in een afgeleide, onechte en slappe beteekenis van het woord „openbaringen” genoemd worden. In Jezus Christus treedt namelijk — en dat geschiedt alleen in hem — iets werkelijk nieuws, wat tevoren onbe­kend was, omdat het verhuld en verborgen was, op het menschelijk vlak. Openbaring beduidt hier iets anders dan een buitensporig-vergrootende uitdruk­king voor de onverwachte en verrassende verschijning-en-ontdekking van een allerhoogsten trap in een overigens reeds bekende reeks ontwikkelingen; of voor de, naar aanleiding daarvan, plaats vindende weder-herinnering (anamnesis) aan den wezenszin (de idee) van deze reeks, die misschien wel vergeten, maar toch ten slotte niet onbekend is: Openbaring (apokalypsis, phanerosis, revelatio) beteekent hier werkelijk: de verschijning van iets nieuws, iets dat dus vroeger op geenerlei wijze bekend was.

Het nieuwe is allereerst Jezus Christus zelf, zijn Persoon in zijn concrete werkelijkheid. Reeds deze zijne concrete werkelijkheid als zoodanig steekt af bij elke andere werkelijkheid, omdat zij eenig in haar aard en eenig in haar verschijning is. Zij is zooals het in het Nieuwe Testament heet, „ephapax”, éénmaal. Er zijn wel teekenen, getuigen en getuigenissen, maar er zijn geen analogieën en geen herhalingen van deze werkelijkheid. Zij staat op zichzelf en zij spreekt voor zichzelf. Zij ontvangt geen licht van elders; zij geeft licht uit zichzelf en alleen uit zichzelf.

Dit nieuwe van Jezus Christus mag nu echter niet ongeveer zóó verstaan worden, alsof zijn Persoon ten slotte toch slechts zou zijn de (misschien hoog­ste, misschien slechts eenmaal voorkomende) ver­schijning van een niettemin op zichzelf bekend te achten wezen „God”, de boven-alles-uitstekende, en daarin misschien geheel-eenige verwerkelijking van een algemeene mogelijkheid „openbaring”. “Want nieuw is, evenzeer als de werkelijkheid, óók de mogelijkheid, die in de werkelijkheid van den Per­soon van Jezus Christus voorondersteld en verwerkelijkt is. Zij is een mogelijkheid, die aan God, maar niet aan ons, eigen en bekend is. Jezus Chris­tus is dus wel de vervulling van goddelijke profetie, maar niet de vervulling van menschelijk verlangen, van menschelijke postulaten en bespiegelingen. Hij is dus wel de verschijning der eeuwige, goddelijke Wijsheid, maar niet de bevestiging van een mensche­lijk weten a priori. Er is dus wel een door God ge­stelde mogelijkheid van zijn verschijning, en even­eens van de kennis zijner verschijning; maar er be­staat geen maatstaf, waaraan wij hem kunnen meten, geen standpunt, vanwaaruit wij hem kunnen overzien, geen beginsel, waarmee wij hem kunnen beoordeelen. Als wij de vrijheid nemen, om onze menschelijke vooronderstellingen tegenover hem te verabsoluteeren, — anders gezegd: als ons de vrij­heid ontbreekt, om onze menschelijke vooronder­stellingen tegenover hem te kunnen relativeeren, — als wij beslist van meening zijn, dat het ons moge­lijk en noodig is hem te meten, te overzien, te be­oordeelen en dus te critiseeren, — dan kan dat slechts een symptoom zijn, hoezeer ons zoowel de werkelijkheid als de mogelijkheid van zijn Persoon tot nog toe verborgen bleef. Zouden wij bekend zijn met zijn verschijning als met een enkel in God ge­gronde mogelijkheid, hoe zouden wij ons dan op die wijze boven hem willen verheffen? Dragen wij ech­ter geen kennis daarvan, dan komt tegelijk aan den dag, dat wij ook de werkelijkheid van zijn verschij­ning niet kennen, dat Jezus Christus ons in waar­heid nog verborgen is. Is hij echter niet verborgen voor ons, dan zal, behalve zijn werkelijkheid, ook zijn mogelijkheid voor ons staan als het onvergelijkelijk-nieuwe, en de neiging om hem te critiseeren zal of niet opkomen, of verzinken.

Juist dit volkomen nieuwe van Jezus’ verschijning kenmerkt de Openbaring als Openbaring in den oorspronkelijken, echten en strengen zin van het woord. Juist daarom echter moet gezegd worden, dat alleen wie van Jezus Christus weet, van Open­baring weet. Die noodlottige vrijheid (of liever: on­vrijheid) tegenover Jezus Christus zou onmiddellijk verraden, dat wij nog in ‘t geheel niets van de on­vergelijkelijke Openbaring weten. Want Openbaring met analogieën en herhalingen, Openbaring, die al­leen de vulling is van het raam of den beker van een algemeene mogelijkheid, is geen Openbaring. Open­baring kent men — zonder de mogelijkheid hem te kunnen critiseeren! — in Jezus Christus, of men kent haar in het geheel niet.

Nu kan echter de stelling, dat de Persoon van Jezus Christus nieuw is, en dus ook de stelling, dat hij en hij alléén Openbaring genoemd kan worden in den oorspronkelijken, echten en strengen zin van het woord, — ook niet het resultaat zijn van algemeene beschouwingen en overwegingen. Op den grondslag van algemeene beschouwingen en overwegingen kon deze stelling hoogstens een besliste overtuiging zijn, waar men dan noodzakelijk een minstens evenzoo stellige betwijfeling tegenover kon stellen. Voorzoover zij echter van zich uit oorspronkelijk, echt en streng bedoeld is, ontstaat zij niet op den grond­slag van algemeene beschouwingen en overwegingen; juist daarom kan deze stelling, die erkentenis en belijdenis is, dan ook niet aangevallen, laat staan omvergeworpen worden. Zij ontstaat met eigen innerlijke noodzakelijkheid door de kennis van den Persoon van Jezus Christus als het eeuwige Woord Gods, dat vleesch geworden is.

Deze kennis nu wil in elk geval dit zeggen: dat Openbaring genade voor zondaren is, d.w.z. een bizondere, vrije, onverplichte en onverdiende daad, een goddelijk zich-keeren en zich-neerbuigen tot den mensch. Het Woord is eeuwig; het is zelf God. Juist door de kennis van Jezus Christus, dus door de kennis, dat het Woord is vleesch geworden, zullen wij niet meer zeggen, dat het vleesch moest worden, maar dat dit zoowel naar zijn werkelijkheid als naar zijn mogelijkheid gegrond is in vrije barm­hartigheid. En daarom zal de kennis van Jezus Christus ons juist tot de erkentenis brengen, dat het eeuwige Woord ons zonder deze vrije barmhartig­heid Gods eeuwig verborgen zou gebleven zijn.

De in Jezus Christus verschenen genade Gods voert ons noodzakelijk in het gericht: zij ontdekt ons als menschen, die niet waard zijn, en dus ook niet in staat zijn, het Woord Gods, zooals het eeuwig in God en zelf God is, als zoodanig, in zijn naakte goddelijkheid, te hooren. Wie genade ontvangt, en dus erkent dat hij genade noodig heeft, dat hij ge­heel en al een voorwerp van goddelijk erbarmen is, die kan in geen geval zeggen, dat hij de Openbaring zonder bemiddeling heeft ontdekt en ontvangen. Maar dan misschien toch wél, dat hij een andere, van Jezus Christus verschillende Openbaring, door bemiddeling heeft ontdekt en ontvangen? Neen, ook dat niet! Wel zal hij toegeven, dat hetzelfde eeuwige Woord Gods, dat vleesch werd, ook gehoord kan worden in de natuur, in de geschiedenis, in zijn eigen hart, geweten en verstand. Maar hij zal dan verder gaan, en tot zijn eigen schande erkennen, dat hij het in feite daar nog nooit heeft gehoord, noch ooit hooren kan en zal. En dat zal hij dan niet zeggen, bijvoorbeeld op grond van een critische kennis­theorie, die ons leert, dat wij met ons kenvermogen in de natuur enkel verschijnselen ontmoeten en tot den eeuwigen achtergrond niet kunnen door­dringen, maar wederom door de kennis van Jezus Christus als het Woord, dat vleesch werd; door de kennis van het feit, dat het God heeft behaagd, tot openbaring van Zijn Woord dezen geheel anderen weg te gaan; doordat hij weet, dat hij genade heef r ontvangen en dus genade noodig heeft. Door deze kennis zal hij zich stellig onbekwaam achten om het Woord Gods als Woord Gods in de Schepping te hooren. Integendeel, omdat hij door de genade in het gericht is gebracht, zal hij veeleer bekennen, dat hij daar altijd alleen de stemmen der afgoden, d.w.z. de door God geschapen elementen dezer wereld, ge­hoord heeft en hooren zal: de stem van de aarde en van het animale leven, de stem van den schijnbaar oneindigen hemel en daaruit de stem van zijn schijnbaar onontkoombaar noodlot, in zijn aderen de stem des bloeds van zichzelf, van zijn ouders en van zijn ras, en in zijn eigen hart de stem van den genius en den heros, — en deze alle omkleed met een valsche goddelijke waardigheid en autoriteit — dit alles heeft hij beluisterd en voor goddelijk ge­houden, maar het eeuwige Woord Gods heeft hij daar niet vernomen.

De kennis der genade vernietigt inderdaad ook de voorstelling van een openbaring, die door bemidde­ling komt, door de natuur, door de geschiedenis en door het bewustzijn van eigen bestaan. Naarmate deze kennis echter verduistert, beginnen wij nood­zakelijkerwijze opnieuw, onszelf te vertrouwen, en dus te rekenen met allerlei Openbaring, die buiten Jezus Christus om, door bemiddeling, en daarna dan stellig ook wel zonder bemiddeling tot ons gekomen is en tot ons komen zal. De stelling, dat de Persoon van Jezus Christus nieuw is, en dus ook de stelling, dat hij en alleen hij in ernst Openbaring genoemd kan worden, wordt in de sfeer van zulk zelfvertrouwen onmiddellijk onduidelijk en moei­lijk houdbaar voor ons eigen besef. Eenvoudig en vanzelfsprekend is die stelling daarentegen, wan­neer wij staan in de erkentenis van den éénen weg, dien Gods Openbaring in Jezus Christus is gegaan: het Woord werd vleesch. Hebben wij door de ken­nis van dezen weg het Godsvertrouwen ontvangen, waardoor wij onszelf mogen kennen als begenadigde zondaars, dan is ons meteen het zelfvertrouwen ontnomen, waardoor wij ons zouden willen be­roemen op een menigte andere, door of zonder be­middeling ontvangen, openbaringen. Men kan zich tegen de, ongetwijfeld bittere, vernederende kennis van de genade in Jezus Christus verweren. Men kan iets anders en beters willen zijn dan louter en alleen een voorwerp van goddelijke barmhartigheid. Dan kan men zich beroemen op andere openbaringen. Dan kan deze of gene „natuurlijke theologie” meer of minder luid en consequent het woord nemen. Uit kracht der kennis van Jezus Christus en dus op grond van de erkentenis, dat wij genade ontvangen en genade noodig hebben, zal het daar niet toe komen; dan wordt integendeel onvermijdelijk de belijdenis: dat Jezus Christus alleen de Openbaring is.

Jezus Christus is daarom de Openbaring, omdat hij de aan ons verschenen genade Gods is, genade in den volledigen zin des woords: dat God, zonder op te houden God te zijn, mensch werd, „vleesch”, d.w.z. mensch zooals wij, in de volkomen beperkt­heid, gebrekkigheid en machteloosheid van ons mensen-zijn, veroorzaakt doordat wij zoo ver van God zijn. Openbaring beteekent in zichzelf reeds genade. Genade beteekent neerbuiging. En neer­buiging beteekent menschwording, menschwording beteekent vleeschwording. Dat is Jezus Christus. En dat en dat alleen is Openbaring. Er zou geen Open­baring zijn, maar de mensch zou aan zichzelf zijn overgelaten, als God niet genadig zou zijn, d.w.z. als Hij de majesteit van Zijn Godheid voor zichzelf zou hebben behouden, als Hij Zich niet door Zijn eigen vrije besluit tot den mensch zou gekeerd heb­ben. Er zou geen Openbaring zijn, als Gods genade niet geheel en al genade was, als zij niet bestond in een onbegrijpelijk waarlijk nederdalen van God in onze diepte. Er zou geen Openbaring zijn, als God niet zóó diep in onze diepte afdaalde, dat Hij ons ontmoette als één der onzen, in de volle afstand en nabijheid van het beeld eens menschen. Er zou geen Openbaring zijn, als Hij niet in alle opzichten een mensch zooals wijzelf en dus „vleesch” geworden zou zijn. Juist dit alles is het, wat God in Jezus Christus voor ons heeft gedaan. Wij belijden Gods genade, wanneer wij belijden, dat het eeuwige Woord des Vaders, van den Heer des hemels en der aarde, geboren is, geleden heeft, gekruisigd werd, stierf en begraven werd. Juist doordat wij de waar­achtige menschheid van Jezus Christus belijden, be­lijden wij Gods ware en eenige Openbaring.

Maar wij moeten verder gaan: Jezus Christus is daarom de Openbaring, omdat hij de aan ons ver­schenen genade Gods is, in den volledigen, radicalen zin van het woord: God: Hij is, terwijl Hij mensch werd en is, de Heer, die ons heeft geschapen en zonder Wien wij niet zouden ontstaan en bestaan, de Heer der wereld, de Heer van alle heeren dezer wereld. Openbaring beteekent genade Gods. Ge­nade Gods — ziehier de volgende schrede in ons betoog en de keerzijde van de erkentenis der ware menschheid van Christus — beteekent echter tegenwoordigheid en handeling van Godzelf. „Godzelf” beteekent echter: de Heer. Met „Heer” bedoelen wij de Eene, de Onveranderlijke, de Eeuwige, de Almachtige, de Schepper des hemels en der aarde. Dàt is Jezus Christus. Het zijn van Jezus Christus is het zijn Gods. Zie, dat en dat alleen is Openbaring. Er zou geen Open­baring zijn, maar de mensch zou aan zichzelf zijn overgelaten, als hij ook slechts één oogenblik er aan moest twijfelen, of de genade, die hem bewezen wordt, wel genade Gods is. Er zou geen Openbaring zijn, als het Subject, dat in de Openbaring tot den mensch komt met Zijn genadige nabijheid en Zijn genaderijk handelen, niet de Schepper zélf zou zijn, maar toch, evenals de mensch-zelf, tot de door God geschapen wereld zou behooren, als de mensch in deze genade slechts een halfgod of een engel of een bizonder verheven mensch zou ontmoeten. Er zou geen Openbaring zijn in den vollen zin des woords, als ons in de Openbaring niet Godzelf in Zijn volle heerlijkheid wilde ontmoeten en zich be­kend maken. Maar dit is het nu juist, wat Hij in Jezus Christus voor ons gedaan heeft. Wij belijden de genade Gods, wanneer wij belijden, dat deze mensch is ontvangen van den Heiligen Geest, ge­boren uit de maagd Maria, ten derden dage wederom opgestaan van de dooden, opgevaren ten hemel, zit­tende ter rechterhand Gods des Vaders. Door de waarachtige Godheid van Jezus Christus te belijden, belijden wij Gods ware en eenige Openbaring.

Nu kan en moet het beslissende gezegd worden: Jezus Christus is daarom de Openbaring, omdat hij als de genade Gods, die aan ons verschenen is, de Weg, de eenige Weg is, om de menschen met God bekend te maken, om betrekking, ja om geméénschap tusschen den mensch en God te weeg te bren­gen. Hij is de Openbaring, omdat hij in zijn existentie de Verzoening is. Alleen dank zij de ver­zoening, die geschied is, kan de mensch God ken­nen. Wat hij zonder de verzoening, dus in den „natuurlijken” toestand van den rebel tegenover God, en diensvolgens onder den toorn Gods, als „God” meent te kennen, dat zijn in waarheid de afgoden van zijn hart. Tusschen God en hem staat, allesverduisterend, zijn zonde. De verschijning van Jezus Christus is de verzoening en daarom de wegneming van den afgrond, die hier gaapt. En dat zóó volkomen, dat in hem Godzelf in de plaats van den zondigen mensch treedt, terwijl omgekeerd de zondige mensch in de plaats van God wordt gesteld. God treedt in de plaats van den zondigen mensch. Jezus Christus is waarachtig mensch, mensch zooals wij. Maar als mensch-zooals-wij doet hij iets geheel anders als wij doen: hij belijdt namelijk, in zijn ver­nedering, in zijn leven en sterven, de verlorenheid der menschheid, de rechtvaardigheid van den goddelijken toorn en van het gericht; hij onderwerpt zich aan den doop der boete; hij geeft God gelijk tegenover zichzelf; hij roept uit de diepte tot Hem en prijst alleen Zijn genade. Onschuldig, — juist door zich zoo, in tegenstelling met onze rebellie, te buigen onder Gods gericht, bewijst hij zijn zondeloosheid! — draagt hij onze onreinheid en de straf, die er op volgt, en maakt die tot de zijne. En omdat hij, die dat doet, het eeuwige Woord Gods is, kan zij werkelijk niet meer de onze heeten, maar zij is zijn onreinheid en straf; is eens voor altijd geschied, wat geschieden moest tot verzoening, tot bedekking en uitdelging, tot vergeving onzer zonde. Is zij de zijne, heeft God zich er meester van gemaakt, dan is zij niet meer de onze; dan worden wij, als wij aan onze zonde denken, opgeroepen, om daarbij niet meer aan onszelf, maar aan hem te denken, die ze aan het kruis en in het graf heeft gedragen, eens voor altijd.

En de zondige mensch wordt in de plaats van God gesteld. Dat is de andere zijde van dezelfde zaak. Jezus Christus is waarachtig God. Maar juist als waarachtig God behoudt hij de majesteit van zijn godheid niet voor zichzelf, maar in de majesteit van zijn godheid kiest hij voor den mensch in zijn laagheid, in zijn lijden en sterven, in zijn stand on­der het gericht, in zijn prijsgegeven-zijn aan den dood, in zijn volstrekte behoefte aan genade. Deze mensch, het „vleesch” immers, is het, wat het eeuwige Woord Gods in den Persoon van Jezus Christus tot eenheid met zichzelf heeft aangenomen en opgenomen.

Met deze eenheid nu is gegeven de verhooging van dezen mensch, eens voor altijd voltrokken in de opstanding en hemelvaart van Jezus Christus. In Jezus Christus, die waarachtig God is, is de mensch ontrukt aan de ordeningen en noodzakelijkheden van zijn mensch-zijn zonder meer, van zijn verloren staat en daarom ook eindelijk en ten slotte ontrukt aan den dood, en het vrije, boven de noodwendig­heid verhevene, eeuwige leven van Godzelf deel­achtig. In Jezus Christus is Gods heerlijkheid, zon­der dat zij ophoudt de Zijne te zijn, ook de onze geworden. Is zij de onze, heeft God ze ons in hem geschonken, dan worden wij opgeroepen, ons leven in het geloof dáár te zoeken, daar te laten leven, waar het in Christus nieuw geworden, en ons ware leven is, — daar, waar wij, armen, in de verhoogde menschheid van Jezus Christus nu reeds ter rechter­hand Gods in heerlijkheid staan.

Deze „ruil” (kat allagè) is de verzoening, is onze rechtvaardiging tegelijk met onze heiliging, de ver­geving onzer zonden en tevens onze wedergeboorte tot een nieuw leven. In dezen ruil is de afgrond tusschen God en mensch gedempt, is de duisternis op­geheven, die ons verhindert God te kennen. Deze „ruil” is de waarheid (alètheia), en daarom de Openbaring. Omdat in Jezus Christus deze ruil vol­trokken is, daarom is hij Gods ware en eenige Openbaring.

Nu spreekt het stellig niet vanzelf, dat wij het werkelijk nieuwe (dat, wat ook in zijn mogelijkheid nieuw is!) van de verschijning van Jezus Christus als zoodanig erkennen. Het spreekt niet vanzelf, dat de genade Gods, die in hem verschenen is, ons tot gericht wordt, en daarmede het zelfvertrouwen, waarmede wij uitzien naar allerlei andere openbarin­gen van middellijken of onmiddellijken aard, on­mogelijk maakt. Het spreekt niet vanzelf, dat wij in Jezus Christus den waren mensch (en niet bijvoor­beeld een idee), en den waren God (en niet bijvoor­beeld een half-god), en dat wij den waren God en den waren mensch juist in Jezus Christus onder­kennen. En het spreekt in ‘t geheel niet vanzelf, dat wij in hetgeen in den dood en de opstanding van Christus geschied is, die ruil, en daarom ook onze eigen verzoening, rechtvaardiging, heiliging en we­dergeboorte als eens en voor altijd geschied, erken­nen. Het spreekt niet vanzelf, dat er een christelijk verstaan van de Openbaring is als antwoord van den mensch op het Woord Gods, waarvan Jezus Chris­tus de Naam is. Het spreekt niet vanzelf, dat wij gelooven.

Hoe zullen wij tot dit antwoord, hoe zullen wij tot het geloof komen?

Geloof is immers nog veel meer dan de kennis, die ons in staat stelt tot dit antwoord. Geloof is het be­trokken-zijn van ons geheele leven, denken, willen en gevoelen op de verschijning van Jezus Christus als op den eenigen grond, waarop wij kunnen staan, — als op het eenig steunpunt, waaraan wij ons vast­houden, — als op de eenige spijze, waardoor wij ge­voed worden. Geloof is, midden in de wisseling en de tegenstrijdigheden van menschelijken overmoed en menschelijke vertwijfeling, van menschelijk wel­slagen en mislukken, van menschelijke goedheid en boosheid, van menschelijke gemeenschap en een­zaamheid, de laatste rust, de zekerheid, de onbe­zorgdheid en de hoop, die daarom echt en blijvend zijn, omdat zij niet op onze eigen werkelijkheid, niet op onze ervaringen en onze daden, maar op de existentie van Jezus Christus gegrond is. Geloof is ons deel-hebben aan de menschheid, aan het vleesch en bloed van Jezus Christus, en daarom aan Gods eenig Woord, hetwelk in Jezus Christus ons vleesch en bloed tot het zijne gemaakt en ter rechterhand Gods verhoogd heeft. Geloof beteekent leven op grond van dien ruil, en daarom op grond van de, in Jezus Christus aan den mensch geschonken, recht­vaardiging en heiliging, het leven van den in Jezus Christus nieuw geboren mensch. De kennis der Openbaring, waarover wij spraken, is de kennis die eigen is aan en behoort bij dit gelóóf. Daarom spreekt zij zoo heelemaal niet vanzelf.

Want wel is het geloof, en dus ook de kennis des geloofs, een vrije daad van menschelijke keuze en beslissing, een werk van òns hart, ònzen wil en òns verstand. Echter kunnen wij van uit onszelf begrij­pen, als wij Jezus Christus begrijpen kunnen uit het­geen wij overigens van den mensch en de menschheid weten. Waarom geloof ik? Stellig geloof ik in vrije keuze en beslissing, maar even stellig kan ik mijzelf daarbij alleen begrijpen als iemand, die, vóór hij koos, gekozen wèrd; over wien, vóór hij besliste, een beslissing gevallen is. Het kan alleen een dienst aan het werk van het Woord Gods zijn, die ik ver­richt, wanneer ik geloof, door het werk van mijn eigen hart, wil en verstand. Daardoor alleen kan ik voor God staan en wandelen, en in mijn bestaan op Zijn Woord antwoord geven, doordat Jezus Chris­tus, waarachtig God en waarachtig mensch, bij God voor mij intreedt. Dat ik geloof en belijd, dat ik ge­roepen en bereid en bekwaam ben om dat te doen, daar kan ik mij geen oogenblik en in geen enkel op­zicht op beroemen, daarvoor kan ik alleen dank­baar zijn. De Openbaring heeft dan, krachtens haar eigen macht en beslissing, ook aan mij zich vol­trokken als Openbaring. De verzoenende genade van Jezus Christus is dan, als verkiezende, roepende, verlichtende, bekeerende genade des Heiligen Gees­tes, ook mij bewezen. Hoe zou ik kunnen uitleggen, hoe ik er toe kom, te gelooven en te belijden? Hoe zou ik kunnen zeggen, hoe ik er toe kom, begenadigd te zijn? Zou ik inderdaad daarover iets weten te zeggen, dan zou het zeker niet de genade des Heiligen Geestes zijn, maar een of andere religieuze overmoedigheid; en mijn belijden zou dan geen be­lijden, maar een of andere willekeurige meening zijn. Van de genade des Heiligen Geestes zal ik altijd alleen kunnen zeggen, dat ik er dankbaar voor ben, dat zij als een wonder tot mij is gekomen.

Het christelijk verstaan van het wezen der Open­baring zal daarom noodzakelijk zijn voltooiing moeten vinden in de erkentenis, dat ook dit verstaan zelf, wannéér het tot stand komt, alleen door Open­baring tot stand komt, ja dat ook dit verstaan zélf Openbaring is, uitstorting des Heiligen Geestes, waarin de vleeschwording van het Woord Gods, die geschied is, haar bevestiging vindt, waarin de opge­stane Christus zijn macht en goedheid bewijst.

Pagina's: 1 2 3 4 5 6