Karl Barth over das Nichtige (KD III/3)

§. 7 Theologie als Erzählung

In § 2 begon ik met vast te stellen, dat Barth ons in § 50 van de KD direct in een impasse voert. Er is hem blijkbaar veel aan gelegen dat we het bestaan van het Nichtige werkelijk als een probleem beschouwen en deze problematiek niet met alle ons ter beschikking staande vernuftigheden neutraliseren en dus uit de weg gaan. De theologie leeft volgens Barth van het luisteren naar Gods getuigenis, en kan daarom nooit bij zichzelf blijven steken, een systeem bouwen – ‘zum System entarten’, zegt Barth (III/3, 334). De theologie mag haar vermogen tot ‘Vermittlung’, tot het via allerlei kunstigheden en vernuftigheden verenigen van wat eigenlijk niet te verenigen valt, niet tot norm maken. Als het om het Nichtige gaat is het beter, om eenvoudig de imbecillitas captus nostri (de zwakte van ons bevattingsvermogen) te belijden. Theologie is theo­logia viatorum, het spreken van hen die God nog niet zien van aangezicht tot aangezicht, van hen die tot aan het eschaton altijd slechts op weg zijn naar de volkomen kennis (332-333).

Het voorbehoud dat ons denken stuk­werk blijft, is voor Barth geen excuus om vervol­gens brokwerk te leveren. Hij voert ons niet in een impasse om vervolgens alleen nog maar in boude en onbegrijpelijke tegenstrijdigheden te spreken.[18] Maar theologia viatorum mag niet pretenderen al theologia visionis te zijn, juist niet als het om het Nichtige gaat. Juist wanneer we beseffen, dat ons begrijpen stukwerk blijft, kan het in de theologie ‘Bestand und Sinn’ krijgen (332). Wat we denken te kunnen zeggen om het onbegrijpelijke toch inzichtelijker te maken, moeten we uiterst zorgvuldig, ‘in größter intellektueller Gewissenhaftigkeit, in guter Ordnung und in strenger Sachlichkeit (333)’, te berde brengen.

Aangezien het hier om theologia viatorum gaat, is het de taak van de theologie gaan­deweg te spreken, te ‘erzählen’ van de hoogte- en dieptepunten uit de geschiedenis van God met zijn volk. In die geschiedenis is het Nichtige niet meer dan een dieptepunt, onderworpen aan Gods voorzienigheid en heerschappij. De geschiedenis heeft geen openbarende waarde. Maar de openbaring voltrekt zich wel in de geschiedenis, en zij trekt daarbij haar sporen. De taak van de theologie is het, om die sporen na te gaan en om van Gods gang met zijn volk te getuigen. Theologie is geen sys­teem, maar ‘Erzählung’ (334).[19]

Barth voert zo een pleidooi om de warmte, de dynamiek en de spanning van Gods geschiedenis met zijn volk niet te laten verkoelen in een statisch denksysteem. Daarom mogen ook Barths eigen gedachten over het Nichtige niet worden opgevat als systematische formules, die het probleem op acceptabele wijze zouden kunnen oplossen. Die oplossing is in onze bedeling niet voorhanden:

Daß und wie ein dem Willen Gottes nur eben Entgegengesetztes, dem sich Gott seinerseits nur entgegensetzen kann, Realität haben und sein kann, das ist und bleibt ja unserem Erkennen gewiß rätselhaft, dunkel und unzugänglich (IV/3, 203).

Wat Barth in § 50 gezocht heeft, is een weg waarop het probleem een andere gestalte krijgt: de gestalte van een probleem dat ons niet kan schaden, ook niet in een geloof in de almachtige en algoede God. Barth plaatst het meebeleven van de heilshistorie tegenover de systematische vermogens van ons denken.[20]

Denken over de oorsprong van het kwaad heeft volgens Paul Ricoeur geen andere functie dan onze ogen te openen voor de diepte van de aporie waar we hier op stuiten. Zo wordt er een weg geopend om, op een door het denken verdiepte wijze, te leren handelen in een wereld waarin het kwaad aanwezig is. Het denken kan er niet in slagen om Gods goedheid en de werkelijkheid van het kwaad met el­kaar te rijmen. Maar door toch te denken, te theologiseren, kan de gelovige gaan inzien dat geloven nog wel wat anders is dan het bevredigen van de behoef­te om de oorsprong van het kwaad te weten. Geloof kan zo het karakter van het ‘ondanks’ winnen: geloven ondanks het probleem van het kwaad.[21] Iets dergelijks[22] moet Karl Barth bij zijn tasten naar de oorsprong van het kwaad voor ogen hebben gestaan.

E. van ‘t Slot, NTT, juli 2004

Pagina's: 1 2 3 4 5 6 7 8