De nieuwe Barth

logo

 

HET ELFDE DEEL van de „Kirchliche Dogmatik” (K. D. IV 3a) is al meer dan een maand uit; (straks, in Juni, komt de tweede band IV 3) en het is hoog tijd, dat we de nieuwe Barth begroeten. Het wordt toch te gek een simpele aankondiging voortdurend uit te stellen, omdat we er nog niet doorheen zijn en het nog niet helemaal dóórhebben. Een bespreking kan het toch niet worden, want dit blad is géén theologisch tijdschrift — het lijkt er zelfs niet op. We volstaan met een hartelijke, dankbare groet aan „de nieuwe Barth”, want ‘t is weer iets nieuws, telkens staat de meester ergens anders dan waar we hem verwacht zouden hebben; dit is niet het gevolg van een wisseling van inzicht of van ‘n aanpassing aan de eisen der actualiteit. De reden is te simpel om te noemen en verklaart toch alles: hij heeft de Schrift op een bepaald punt willen lezen, precies en met de hele waaier van de werkelijke implicaties. De rechte wijze, om het uit te leggen, uitéén te leggen vergt de krachtige inzet van nieuwe denkmiddelen. En wat we tenslotte voor ogen krijgen ontlokt ons éérder een: „o ja, natuurlijk!” dan een „hoe komt-ie eran?”

Waar gaat het over? Over iets, dat we allemaal weten, dat we op z’n tijd  allen  zeggen  of  zingen,  en wat  we  steeds   traditioneel of dichterlijk mede veronderstellen, n.l. dat  Jezus  zelf  als  een  tegenwoordige  Macht  handelt,  dat Hij leeft  en  dat  Zijn  leven  licht  is, licht  geeft,  licht  ontsteekt.  Men kan ook zeggen: we gaan er allemaal  van  uit  dat  de  verzoening (van God en mens)  ook openbaring is, dat de werkelijkheid  (van Jezus’  leven ook wáárheid is,  dat wat gebeurd is (toen en daar) iets veranderd heeft aan het menselijk bestaan.  En  we  zijn  bovendien overtuigd,  dat  dit  „meerdere”‘  of „andere”  of  „hogere”  (dan  de historische  heilsfeiten)  door  Jezus Christus zelf wordt gesteld en geschapen,  wordt  aangebracht  en ingegoten,  gegeven  en  bewaard voor en in de wereld, waarin wij leven,  de  wereld,  die  wij  mede zijn. Daar zijn we inderdaad van overtuigd  (zo  niet met  het  hart, dan  toch  met  ons  verstand);  let maar  op  onze  gezangen;  we  zeggen in ons lied: „Jezus, gij zijt de weg tot God” of „Jezus neemt de zondaars  aan”  of  „Jezus  leeft  en wij met Hem” of „Jezus, die mijn ziel  bemint“.  Alles  tegenwoordige tijd.  Telkens  die  Ene  als  ware hij  tegenwoordig  bij  ons  in  huis, in onze straat, als zou hij met ons verkeren, ons leiden, troosten, hier in deze kamer, hier in mijn leed, als zou hij zelf bezig zijn ons uit ons zelf weg te halen om ons in de  eeuwige  vreugde   binnen  te laten. En weet u, wat nu zo vreemd en verrassend is? Dat geen  christenmens  zich  het  hoofd  daarover breekt, hoe dat kan, hoe dat past in  onze  wereldervaring,  hoe  dat te  rijmen  is  met  Jezus’  dood  of hoe dat te rijmen is met Zijn verheerlijking.  Vanzelfsprekend  hoort dit niet-peinzen tot de historische en psychologische feiten, die zeer typisch zijn voor het christelijk geloof.

Maar dit „geen-probleem-zien” zou ook héél gevaarlijk kunnen zijn en wilde gedachten kunnen voortbrengen, onredelijkheid, geestelijke en zedelijke willekeur, godsdienstwaan. Precies! en daarom moet er theologie zijn; niet om het geloof, ook dit heel-eigenaardige geloof van Jezus-bij-ons (die dezelfde is als die in de evangeliën predikt en helpt en lijdt en sterft) te funderen, ook niet om het te verdedigen, nog minder om het aannemelijk te maken, maar om het achteraf krachtens het geloof te begrijpen. En hier is dat wel bijzonder nodig en urgent; want als de mensen er over gaan denken en de lineaturen van de Schrift verlaten, dan wordt het geheim niet ten náástebij begrepen (àls geheim, wel te verstaan, als wèlk geheim), maar dan wordt het, strijk en zet, stom of quasidiepzinnig verdraaid, plat getreden, geschoffeerd. En dat komt niet alleen voort uit onze natuurlijke dwarsheid, maar het ligt ook in het heel-bijzondere, unieke en ultieme van wat de liederen en de preken en de gebeden vóóronderstellen. Zijn die vóóronderstellingen dénkbaar of voorstelbaar, zijn die zonder in botsing te komen met andere getuigenissen van de Bijbel door te voeren, zijn die vol te houden in de praktijk van het leven ten overstaan van het totaal van onze levenservaring en de bevindingen van de ziel?

DOGMATIEK IS altijd een vragen naar de bekende weg, gelijk philosophie een uitspreken van het vanzelfsprekende onderneemt. De hele dogmatiek is dáárin ernstig en diep, dat ze een rij van analytische oordelen bevat en au fond niets anders, niets méér. Wanneer zal me:: het eindelijk begrijpen en zowel de griezelverhalen als het jagerslatijn afschudden. Dogmatisch denken is een heel eenvoudig en noodzakelijk een heel menselijk en hartelijk, maar ook een zeer begrensd en heel bescheiden werk. Inderdaad, bij dit werk kan men lelijk verdwalen en in het moeras raken, b.v. wat deze wondere tegenwoordigheid van Jezus betreft in de zonderlinge voorstelling van een „historische Jezus”, wiens beeld voor onze herinnering voortleeft middels de evangelie-verhalen, of in de vreemde speculatie, dat er een „Christusidee” zou „zijn” (waar?, in onze hoofden en harten? hoe? waarom eigenlijk „Christusidee”? krachtens de chiffre, die in onze cultuur zich heeft vóórgedaan en in onze taal voortleeft.) Nu, zulke abenaties moet men bij Barth niet zoeken; hij is er mijlenver van, eenvoudig omdat het Gegevene, dat wij achteraf zouden trachten te begrijpen, waarin opgeheven en vernietigd wordt, of anders gezegd: omdat de uitdrukkelijke bedoeling van het N.T. beide gewelddadigheden uitsluit. Het moeilijke ligt echter hierin, dat er nog heel wat andere misverstanden zijn, die er ten dele bijbels uitzien.

Ik geloof niet, dat ooit in de Kerk zo diep, zo onbevangen, en zo consequent op deze misverstanden is ingegaan. Het is aangrijpend om te zien, hoe Barth zich geheel ingraaft in wat de Bijbel (en zoals we reeds hoorden, het kerklied en de preek en het gebed) over de zijnswijze-van-Jezus-in-ons-heden zeggen; nooit werd zoveel denkwerk verzet, om werkelijk, al vragende naar de bekende weg, met bewuste kennis op die weg te komen en te blijven. Het is mij ondoenlijk, al heb ik dit stuk opgezet als een vlot radiopraatje, zo simpel en onmiddellijk mogelijk, ook maar een idee te geven van het denkwerk, dat ons hier is voorgelegd.

Toch kunnen wij het niet opgeven, op dezelfde simpele weg voortgaande, een paar misverstanden, die er ten dele bijbels uitzien, te noemen. 1) Jezus is vanzelfsprekend tegenwoordig omdat hij God is. 2) Hij is tegenwoordig, omdat de hemel alom tegenwoordig is. 3) Hij is tegenwoordig, omdat Hij als de opgestane, als de verheerlijkte, aan geen tijd of ruimte gebonden is. 4) Jezus is tegenwoordig in en voor de prediking van het evangelie. 5) Hij is tegenwoordig in en door het geloof, dat voor Hem kiest. — Dit alles klopt niet met het N.T. getuigenis, het verstoort het wezenlijke en doet het geheel van de verkondiging uit het lood zakken. Immers 1) Is Jezus dan nu niet neer de Zoon des mènsen? 2) Is Hij dan niet op aarde of anders op aarde dan tijdens zijn dienend, lijdend en strijdend leven? 3) Spreekt de Schrift niet in de tegenwoordige tijd van hem als de gekruisigde (en niet die gekruisigd is gewéést!)? 4) Zou men werkelijk kunnen menen, dat Hij alleen als object (én subject!) van de boodschap met ons huidig bestaan in verbinding staat? 5) Kan men zeggen, dat het geloof Jezus’ presentie voortbrengt, of bevestigt in plaats van omgekeerd: dat Hij het geloof wekt en onderhoudt in eeuwige prioriteit?

WANNEER WE DIT alles verwerpen (niet omdat we een andere philosophie hebben of een andere religieuze ervaring maar) heel eenvoudig omdat het tenslotte de structuur van het kerygma verkracht — hoe moeten we dàn bij benadering in zuiverheid over deze presentie van een gestorvene (Wien als opgestane te kènnen ons nu nog niet gegeven is) denken?

ZIE, DAAROVER gaat „de nieuwe Barth!” Men kan ook zeggen: het gaat over „het profetisch ambt”, zeker! het gaat over het „derde aspect van de verzoeningsleer”, het gaat over „de belofte des Geestes”, het gaat over „de waarachige Getuige”, zeker, zeker! en daarbij komen excursen over het apostolaat en over de geschiedenis van de zending, over de uitwijkpogingen van alle mogelijke menselijke wereldbeschouwingen, over de bouw van de grondelementen van de natuur, die naar de Waarheid Gods verwijzen — en nog een hele rij nieuwe themata, doch de kern van alles ligt toch uitgedrukt in de titels van § 69 : 2 en 3: „Das Licht des Lebens” en „Jesus ist Sieger” — waartegen zich afzet het enorme stuk over „Des Menschen Lüge‘” (met een uitvoerige exegese van het boek Job, in vier onderscheiden doorsneden, die de leugen van ons bestaan geheel nieuw omlijnen). Van dit eerste deel kan men zeggen: so etwas ist noch-nie-da-gewesen!; en hoe zij het heel aan de buitenkant staande, geleerde lezers (hebben ze werkelijk gelezen?) kunnen zeggen, dat zij het „vervelend” vinden om dat het „steriel” is, laat zich op de meest milde wijze verstaan uit het feit, dat deze voor de christen zo insnijdende vragen hen totaal niet interesseren.

Ongetwijfeld moeten we op een en ander nog uitvoeriger ingaan, hoewel het geen kleinigheid zal wezen, het te doen in dezelfde trant als die van dit kort inleidend vertoog.

Nog één ding: — moet u niet direct lachen om de naïeveling! — als u dit deel (men kan heel goed met het elfde deel beginnen, dat hoort óók tot de geheimen van dit werk) nu eens kocht (dat halve deel dus: IV 3a) en als u zich daar nu eens toe zette, goede hemel: niet om akrobatische. toeren mee te maken van een eigenzinnige denker, maar om te leren begrijpen, op welke wijze men tot zo’n onnoemelijke verrijking (van geest, verstand en hart) naar de bekende weg kan leren vragen en het vanzelfsprekende in grote klaarheid, kan leren uitspreken — zou dat niet een goede bekering zijn? Want voor ons geldt, in meerdere of mindere mate, wat Gunning zei: „wie niet studeert, is niet bekeerd”.

Dan zou, dat durf ik u beloven, pastoraat en apostolaat en diaconaat, er wel bij varen. Hoe zou het anders?

Pagina's: 1 2 3