De nieuwe Barth

II.

WIE PROBEREN opnieuw een praatje te maken als over de onderdeur met onze buurman, die óók de klok heeft horen luiden. Kijk, het gaat in dit elfde (en straks in het twaalfde) deel van de K.D. enkel om de verzoening; daar zijn we al twee delen mee bezig geweest; in het eerste deel ging het over de Heer-als-knecht, in het tweede over de knecht-als-Heer, in het eerste deel gaat het over de „staat der vernedering” subject: God, in het tweede deel gaat het over de „staat der verhoging” subject: de mens. In het eerste ontvouwt zich de goddelijke „natuur”, in het tweede juist de menselijke „natuur”; dat is vrijwel precies het omgekeerde van de oude orthodoxe leer en de gangbare prediking. De ommezwaai van „objectieve” naar „subjectieve” verzoening, waarover zoveel is te doen geweest in de 19e eeuw (maar waar vele vrijzinnigen nog geen kennis van hebben genomen) hebben wij ver achter ons gelaten. Het subject der verzoening is de eeuwige God; en dit subject stelt alle objectieve gegevens van de wereld in een nieuw licht, méér: in een nieuwe samenhang, in een nieuwe staat en stand. Daarom is de leer der verzoening functioneel-ident met de leer aangaande het bestaan van God, n.l. van dézen God. Daarom is van het recht verstand dezer leer ook het rechte verstaan der schepping afhankelijk. Men kan in een goede zin zeggen: de verzoening is „alles”; gelijk men ook in een goede zin zeggen kan: het geloof is „alles”.

Die goede zin veronderstelt, dat het geloof niet een psychologisch gegeven is naast andere, maar deze transcendeert; zo onderstelt: de verzoening is „alles”, een gebeuren. dat naast geen enkel ander gebeuren in de wereld en in de historie kan worden waargenomen; niettemin zou het niet „alles” kunnen zijn, als het niet het Al doordrong, leven gaf, zin verleende. In het eerste deel van de verzoeningsleer (men heeft enige tijd gehad die zich eigen te maken, want het verscheen in de vroege zomer van 1953!) ging het dus over de Werkelijkheid van het mensenleven als gerechtvaardigd en daarom gefundeerd; in het tweede deel van jan. ’56 ging het over de Werkelijkheid van het mensenleven als geheiligd en daarom vervuld van eeuwige bestemming.

ZOALS HET DE dogmatiek als bezinning en rekenschap op het drievoudig Woord (prediking, schrift en openbaring) past, is daarmee afgedaald tot diepten, waar de existentie-philosophie de adem bij verliest en gestegen tot hoogten, waar het idealisme in kracht tot bewonderen en loven te kort schiet. En dat niet omdat het Woord zo ver en mystiek is — integendeel omdat het de „Erhellung” is van het dagelijkse en van de dood, van de schoonheid en van het eeuwige leven. Maar wij mogen hierover niet langer uitweiden; de bedoeling is alleen, even aan te duiden, hoe dwaas het is de dialectische theologen te beschouwen als een isme, een richting; de schade van onze traagheid ligt juist open in zulke miskenning van een werk, dat ingrijpender revolutie brengt dan de reformatie en dat reeds als denkgewrocht, in z’n functie van, zo men wil, cultuurwerk het grootste is van wat de 20e eeuw ons heeft gebracht. Maar het is waar, ijdel klinken deze woorden hem in de oren, die ontdekt heeft met geest en ziel en zinnen, dat wanneer het Woord zo verstaan mag worden, ons geluk grenzeloos wordt.

GENOEG, WAT WIL nu dit derde deel? Is met de beide voorafgaande het wereldomvattend genadewerk Gods 1) der Gang des Sohnes Gottes in die Fremde en 2) die Heimkehr des Menschensohnes” niet, zij het in gebrokenheid, genoegzaam omschreven? Is vooral met de in één doorsnede mét de verzoening samengeziene leer van resp. 1) de hoogmoed van den mens en 2) de traagheid van den mens, van resp. 1) des mensen vrijspraak en 2) des mensen heiliging, van resp. 1) de pneumatologie en het zijn der gemeente en 2) de pneumatologie en de groei der gemeente; van resp. 1) de Heilige Geest en de daad des geloofs en 2 de Heilige Geest en de daad der liefde, wat het Schriftgetuigenis ons aanbiedt, niet uitgeput? Het antwoord kunnen we zelf geven. Wat er nog ontbreekt, dat is precies de „overbrugging” (niet van het heilsfeit naar de religieuse ervaring, niet van het objectieve naar het subjectieve, niet van het aanbod naar de toeëigening (daarover is gehandeld in IV, l en IV 2), maar van het eeuwige in de heilsgeschiedenis naar onze tijd, de profane, de godverlaten of godvergeten tijd; nu, is dit aan de orde: wat moet er gedacht worden wil de belijdenis en het lied der kerk aangaande Jezus Christus als de Tegenwoordige redelijk verantwoord en zinvol gezegd zijn?

Wat bedoelen wij, als wij, zelfs als vrijzinnig-beklemden of als orthodox-verzekerden spreken over de Heer-der-gemeente? Denken we dan sentimenteel aan een Beeld of occult aan een nalevende geest? Hebben we het over een gestalte, een invloed, een beginsel, een voortwerkende creatieve kracht? Ik dacht, dat al zulke voorstellingen exegetisch onmogelijk zijn en wijsgerig onder de maat van een wetenschappelijke rekenschap.

WAT MOETEN WIJ met de betuiging b.v. van Ernst Troeltsch, dat Jezus niet slechts in zijn historische concretie en isolement moet worden beschouwd, maar „wij zien in hem de doorbraak van een sterk godsdienstig leven, dat zich door twintig eeuwen uitstrekt”? wat laat zich daarbij dènken? en wat hebben we aan het „godsdienstig leven”!, hoe sterk ook, van een ander, die eeuwen en eeuwen geleden gestorven is en dat mij wellicht aanspreekt en aanvuurt? Het ééne overleden subject bereikt dan via de overlevering een ander subject — en het geheel hangt in de lucht, een wondere, weemoedige of inspirerende luchtspiegeling. „Wij mogen hem niet in de begrensdheid van de verschijning zien: pas in de straling van zijn werking, in het licht van een Paulus, een Augustinus, een Luther verstaan wij hem geheel“. Men wrijft zich de ogen uit, dat dit ooit als theologie heeft gegolden (en we begrijpen dat de wetenschappelijke hoofdambtenaar van de formidabele geleerde (die toch zulke leegten voortbracht) kort na de bezorging van de posthume „Glaubenslehre”… is overgegaan naar de katholieke kerk; het was Gertrud von le Fort, ons allen door haar verzen en haar romankunst wel bekend, door velen onvoorwaardelijk bewonderd.

MEN KAN ZICH opwinden over zulke vlakke, liberale wijsheid, maar wijzer is het te vragen, hoe dan de waarachtige tegenwoordigheid van de Heer als grond en overkoepeling van alle menselijke tijden wél moet worden gedacht. Zeker, wij vragen dan „naar de bekende weg”; bekend ook vanwege de kennis die onze vaderen dienaangaande hebben ontvouwd; dat was niet gering; maar niemand heeft tijd om bij hen ter schole te gaan; men begint dan maar als het mooi loopt, met Barth. Och arme, men kan het verrassend-niéuwe niet peilen als men van het oude, van het klassieke geen notie heeft. Vandaar het onduldbare gedaas, het gescherm met moderne duitstalige termen, die ons zijn aangevlogen, en die zonder achtergrond en perspectief als ze zijn, verwarde en eigenwijze theologanten in een baaierd van onherkenbare waarden doen verzinken.

Het derde deel van de verzoeningsleer geeft een nieuw antwoord, dicht bij het gerweten van de gemeente, een antwoord waarin weliswaar ook veel kennis der ouden is verwerkt, maar waarin niettemin het nieuwe op haast verblindende wijze overweegt. Barth sluit zich een ogenblik aan bij de leer van het „profetisch ambt”, maar verwijdt en verdiept dit zo, dat dit woord moet worden losgelaten.

Als Jezus werkelijk Gód-met-ons en wij tegelijk in Zijn persoon wij-met-God zijn, dan betekent dit, dat Zijn levenstijd Gods tijd was en is en zijn zal, dat het medezijn Gods met ons blijft, zo objectief als de zon en zo objectief- subjectief als de rede.

ALS DIT MEDEZIJN (welverstaan) „wederkerig” genoemd kan worden, dan sluit dit in, dat wat des mensen is, in de kracht der verzoening gerechtvaardigd is.

En als dit dubbelzijdige Immanuel der Openbaring, het Woord, de Zin, de eeuwige Bedoeling uitdrukt, dan volgt daaruit dat het een sprekende tegenwoordigheid moet zijn, in die zin, dat de geschiedenis van Jezus Christus in de geschiedenis der mensen als Waarheid present is.

Hoe kan ze present geacht worden, tenzij wij doceten zijn en de dood van Christus niet ernstig nemen? Antwoord: alléén als wij die ernstig nemen, wordt de geschiedenis zélf prophetie, getuigenis; want in het generzijds  van  de  dood  is  niets meer … dan God. Wanneer Jezus spreekt, spreekt Hij „vom Tode her”; niemand heeft ooit gesproken vandaar; dit besluit ook dit in zich, dat „vom Tode her” de tijden om Hem heen gelijktijdig worden. Zoals Zijn werkelijkheid het werkelijk leven van alle mensen in één voortschrijdend Heden omvat, zo begeleidt Zijn waarheid alle kleine en grote waarheden van alle mensen in één meereizende Lichtpresentie. Want te zeggen „vanuit de dood” komt Zijn Woord, of „van God” of „uit de hemel”, dat is in de diepte één en hetzelfde.

„In het Woord was het leven en het leven was het licht der mensen; dit is het waarachtige licht, dat verlicht een ieder mens komende in de wereld; en het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet overmocht” zegt de Proloog van het Johannesevangelie, (die niet van een algemeen, diffuus scheppings of oerlicht spreekt, maar van het Woord, dat is vlees geworden én onder ons heeft gewoond).

HET  LICHT-DES-LEVENS  is opgegaan in een totaal leven, dat als zodanig totaal licht is. Het is niet een Licht uit het wereldleven, noch een Licht over het mensenleven ; we mogen horen en geloven, belijden en verstaan, dat dàt leven, dat in zijn aard en werking licht is, het eeuwige leven blijft, dàt een Godsbewijs, en wel het énige Godsbewijs was en is, temidden van de chaos, de duisternis, de zonde en de waanzin, de religie en haar verzet.

Want het verzet tegen de Verzoening is een religieus verzet, dat constant duurt de eeuwen door en steeds de tegenwoordigheid van Christus met een donkere hartstocht of met een kille verharding ontkent, tenslotte omdat deze presentie de presente waarheid is d.i., de waarheid van de werkelijkheid der verzoening, het licht van dit leven, de straling van het Woord dat vanuit de dood, vanuit de hemel, vanuit God alle harten bezocht heeft of bezoekt of zal bezoeken en zo geschiedenis maakt.

Pagina's: 1 2 3