Correspondentie over Mozart

logo

 

L., 15 september 1968

Zeer Geachte Professor,

De weg, die mij via deze brief tot U leidt, is niet de gebruikelijke! De reden ervan is niet de ene of andere zaak van het geloof, maar eenvoudig uw grote liefde (zoals ik concludeerde uit uw „dankbrief aan Mozart”) voor Mozarts muziek, om precies te zijn: kerkmuziek, die ik helemaal met U deel.

Hoewel ik sommige van uw dogmatische stellingen vierkant afwijs, — sinds ik helaas „Tot nader order”! in een religieus „niemandsland” leef — voel ik mij in dit opzicht heel sterk met U verbonden, zo sterk als men —-merkwaardigerwijs alleen maar in het geloof — met elkaar verbonden zijn kan. Dat hoeft overigens geen verwondering te wekken, want Mozarts muziek en het geloof hebben immers alles met elkaar te maken. Ze heeft zelfs op sommige geloofsinzichten dit voor, dat ze in zekere zin „gemeengoed” is, d.w.z. dat ieder mens, geleerd of eenvoudig, rijk of arm, jong of oud, er toegang toe heeft en er op dezelfde manier door gelukkig gemaakt, getroost en verheugd wordt. Ze is, — zoals U zegt, „in iedere gesteldheid van het gemoed en situatie in het leven getuigenis van een steeds geordende wereld”, die men immers wel eens „Koninkrijk van God” zou kunnen noemen. Wat mij zelf betreft, zou ik U — U zult dat wel het best kunnen begrijpen! — nog iets willen bekennen, dat misschien ook U een kleine vreugde zal bezorgen. Dit: hoezeer ik mij ook van sommige (conventionele) geloofswaarheden heb gedistancieerd — tot aan.de grens van het ongeloof — ik ben toch vol vertrouwen, dat ik, zolang ik in de gelegenheid zal zijn met Mozarts kerkmuziek geconfronteerd te worden, ook steeds weer „naar huis” mag terugkeren. Want of het nu gaat om de tekst van zijn missen, offertoriën of Maria-liederen, wanneer deze woorden door Mozarts hart zijn gegaan en in de taal van zijn muziek tot klank gemaakt, dan kan ik geen verzet bieden: ik moet geloven!

In deze muziek, die in de gebruikelijke zin van de woorden brillant, noch geniaal of magistraal is, ligt een glimlach van God verborgen. Niet alleen wanneer zijn engelen musiceren, maar juist: omdat Mozart zelf een engel was!

En zo geheel de uwe,

Annie E.


Bazel, 30 september 1968

Zeer Geachte Mevrouw E.

Uw korte brief van de 15de september heeft mij zo — in de beste zin van het woord — vrolijk gemaakt, dat ik U, wat anders niet vaak meer voorkomt, met een paar woorden zelf zou willen antwoorden.

1.            Mozarts kerkmuziek is een deel van zijn werk, waarover zich gewoonlijk ook zijn goede, zelfs beste vrienden met een zekere bevreemde terughoudendheid plegen te uiten. En nu bekent een mij tot dusverre onbekende (jonge? oude? ik zelf ben in mijn 83ste levensjaar) dame uit Schwaben, dat nu juist Mozarts kerkmuziek haar heel veel zegt. .Gelijk, hebt U!

2.            U schrijft mij aanduidend, maar duidelijk over uw geloof, respectievelijk onge­loof, uw inzicht in het geloof en de grenzen daarvan, over de problematiek  van vele, ook mijn „dogmatische stellingen”,  die  U bezig houdt  en dan,  hoe   U uw „ongeloof’ respectievelijk  die problematiek  dan  omgekeerd  toch  weer juist  door Mozarts kerkmuziek begrensd en zelfs opgeheven vindt. Precies in deze omgeving ontstond en bewoog zich mijn beetje inzicht in het geloof sinds vele tientallen jaren (Marcus 9 : 24).  U kunt mijn „dogmatische stellingen” in hun sterkte en in hun zwakte gerecapituleerd vinden in de teksten van bij voorbeeld de missen van Mozart! Waaraan  ik  overigens  wel zou  willen   toevoegen  dat   ter optische   ondersteuning sinds 50 jaar het schilderij van Grünewald van de kruisiging voor mij hangt.

3.            U hebt aan het slot van uw brief het vermoeden uitgesproken, dat Mozart wel eens een engel geweest kon zijn. Dat klopt op een merkwaardige manier met wat
de juist van zijn dienst in de dom van Bern afscheid nemende belangrijkste Zwit­serse predikant W alter Lüthi (op zichzelf een mens en denker met al heel on-mozartachtige  trekken)   mij  eens toegefluisterd  heeft.   Volgens  mijn   tamelijk  uitvoerige dogmatische leer over de engelen zou dat wel mogelijk kunnen zijn. Maar voor een „dogmatische stelling” is dit natuurlijk niet genoeg. Daar ik het genoegen heb met de huidige paus persoonlijk op een zeer goede voet te staan  (ondanks de pil en een paar andere meningsverschillen) kon het wel eens gebeuren dat ik hem op een goede dag souffleer: niet een heiligverklaring maar een zaligverklaring van Mozart kon zo langzamerhand wel eens aan de orde zijn.

Met dank en een vriendelijke groet, Uw

—KARL BARTH

(In de Waagschaal, jaargang 24, nr. 9. 1 februari 1989)

 


De correspondentie, die Barth in de herfst van 1968 over Mozart heeft gevoerd, gepubliceerd in het num­mer van l februari 1969, bracht mij in herinnering dat Barth bij de Mozart-herdenking in 1956 voor de Zwingli-kalender van dat jaar over de „zeer grote Wolfgang Amadeus” een heerlijk essay heeft geschre­ven, dat I.d.W. op 31 maart 1956 in vertaling heeft opgenomen (blz. 421). (zie: Wolfgang Amadeus Mozart 1756-1956)

Een reactie van mij op dat stuk verscheen in het nummer van 7 april 1956 (blz. 446) helaas onder de titel Mozart en Bach (i.p.v. Barth!). Ik heb toen niet om een herplaatsing wegens misstelling durven vragen. -Thans put ik uit de correspondentie tussen mevr. Annie E. en Prof. Barth voldoende moed om na bijna 13 jaar terug te komen op het resonnerende spel van actie en reactie in die oude nrs. van I.d.W. Barth schreef dat Mozart volgens het doopboek uit 1756 vier voornamen kreeg, Johannes Ghrysostomus (= gouden mond) Wolfgangus Theophilus. Gebruikt en algemeen bekend geworden zijn van deze vier na­men slechts de laatste twee, waarvan Theophilus ( = door God geliefd of God liefhebbend) alleen in de Latijnse vorm Amadeus. In het essay onderstreepte ik destijds: „Met een bijzondere, directe toegang van de Lieve Heer tot deze mens zal men in ieder geval rekening moeten houden”.

„Wie hem ook maar een beetje ontdekt heeft en dan over hem probeert te spreken komt gemakkelijk tot een schijnbaar overdadig stamelen”. „Dat is het typisch opwindende en kalmerende van zijn muziek: ze komt kennelijk van een hoogte, van­waar uit — het goede en het kwade — in hun wer­kelijkheid maar ook in hun begrenzing worden door­zien”.

„(Hij  dringt)   de .toehoorder  niets  op,  verlangt  van hem   geen   beslissingen,   geen   bepaalde   houding;   hij laat hem geheel vrij.” En nu mijn reactie van destijds: Eén als Mozart, één als Barth is God ons schuldig af en toe! Een Amadeus die ons vrij laat, niets ons opdringt, geen besluit eist, ons weer lust geeft in de schepping (hoeveel schoonheid daar ook breekt. . .), ons doet raden, wat God vóór heeft met alle dingen, die de mensen niet laten mogen in die zon, waaronder (of hij schijnt of niet) meestal immers heel geen nieuws is … Eén die (als elke Amadeus) de eeuwige lust ons doet vermoeden die ‘t klein geloof heet te vergoeden!

—VOGELS

(In de Waagschaal, jaargang 24, nr. 13. 29 maart 1969)