Opstanding, Over 1 Corinthe 15

    Pagina's:
  • Opstanding, Over 1 Corinthe 15
  • Fragmenten

OPSTANDING, Over 1 Korinthe 15

INLEIDING

Christendom? Waar gaat dat ook al weer over? Deze en dergelijke vragen zijn kenmerkend voor de geestelijke situatie van onze tijd. De onverschillige toon geeft aan dat het voor de spraakmakende massa gedaan is met de christelijke godsdienst De vervreemding van de bijbel heeft inmiddels even bizarre als verontrustende vormen aangenomen. Daarom: terug tot de oorsprong!

Het voorliggend boekje wil daarbij behulpzaam zijn. Het is de vertaling en bewerking van Barths interpretatie van 1 Korinthe 15, het klassieke bijbelgedeelte over de opstanding van de doden. Bezinning op het wezen lijkt ons geen overbodige luxe, maar noodzaak. Dat was in de jaren twintig reeds de mening van Karl Barth (1886‑1968). Hij werd later de ‘kerkvader’ genoemd van de twintigste eeuw. Maar ook voor Calvijn (1509‑1564) staat of valt het fundament van het christendom met de hoop op de opstanding van de doden.

DieAuferstehung der Toten verscheen in 1924, kort na de geruchtmakende tweede editie van de Römerbrief uit 1922. Het kan geen toeval zijn dat de publicatie van het boek over de opstanding plaatsvindt in een periode, waarin Barth zich in toenemende mate kritisch uitlaat over de moderne theologie, met name die van Friedrich Schleiermacher., Terecht wordt Schleiermacher de ‘vader van de moderne theologie’ genoemd. Men kan de Auferstehung heel goed lezen als de tegenhanger van Schleiermachers Reden über die Religion. Daarbij moet evenwel worden bedacht dat de ‘Opstanding van de doden’ nadrukkelijk gelezen wil worden als uitleg van de Korinthebrief van Paulus en dat de ‘Redevoeringen’ van Schleiermacher geschreven zijn als apologie, als verdediging van de menselijke godsdienst Tegenover het godsdienstige christendom in de gemeente van Korinthe verkondigt Paulus de opstanding van de doden als de onbegrijpelijke daad ‘van‑God‑uit’. Tussen de menselijke godsdienst en de boodschap van de opstanding gaapt, aldus Barth, een onoverbrugbare kloof Daarover gaat het boek.

De ondertitel van Schleiermachers’ Redevoeringen over de religie’ luidt: ‘Aan de ontwikkelden onder haar verachters’. De ondertitel van Barths boek over de opstanding had op zijn beurt kunnen luiden: ‘Aan de auguren en ‑ingewandkijkers van de moderne theologie’? Schleiermacher zag in de religie het ferment van de menselijke vooruitgang, van haar groei en haar ontwikkeling. Daartegenover is volgens Barth de boodschap van de opstanding het einde van de religie en de klaroenstoot tot een radicaal anders denken over God, een denken dat het raamwerk van de menselijke religie volledig doet springen. Christendom, naar zijn wezen beoordeeld, heeft met menselijke godsdienst nauwelijks iets maken. Het gaat in het christendom om de onbegrijpelijke omkeer van alle dingen ‘van‑God‑uit’.4 Daarom moet volgens Barth de eerste Korinthebrief van Paulus gelezen worden ‑ als een ongemeen heftige aanval op het christendom, veel radicaler dan de boeteprediking van de jakobusbrief of later de aanval van Kierkegaard op het christendom., De brief van Paulus moet, aldus Barth, gewerkt hebben als een aardbeving. Paulus ziet in de toestanden die hij in de gemeente van Korinthe aantreft, hoe met name de christelijke mens zijn godsdienst perverteert en misbruikt. De boodschap van de opstanding betekent het einde van de menselijke religie.

1 Korinthe 15 biedt geen leer van de laatste dingen. Het is geen eschatologie. Veeleer is het de ‘methodeleer van de apostolische prediking’. Daarin wordt beschreven hoe de apostelen het ‘onmogelijke’ van de opstanding hebben gedacht ‘Dit hoofdstuk uit de Korinthebrief’, schrijft Barth, ‘is uitermate geschikt om in alle scherpte duidelijk te maken dat theologie de discipline is die zich bezighoudt met datgene wat bij mensen onmogelijk i S’. 17 Toch zou het een vergissing zijn te menen, dat de opstanding zou samenvallen met een leer ‘over de laatste dingen’. Opstanding is in geen geval eschatologie.18 Paulus denkt niet temporeel vanuit het begin naar het einde, maar hij denkt omgekeerd vanuit het einde (van Christus!) naar het begin. De leer van de apostelen gaat uit van de dood van Christus. Zij is eerder thanatologie (leer van de dood) dan eschatologie (leer van het einde). Hetzelfde geldt voor de toekomst zowel in de Romeinenbrief als in 1 Kor. 15 wordt de toekomst door Barth het Futurum resurrectionis of Futurum aeternum genoemd. 19 Daarmee wil gezegd zijn dat toekomst in nieuwtestamentische zin enkel bestaat bij de gratie van de opstanding van Christus. De Korinthebrief kan niet gelezen worden vanuit een lege toekomstgedachte, maar evenmin vanuit het historische factum ‘Jezus’. In beide gevallen reduceert men de opstanding tot een mirakel, tot een mythe of tot een specimen van menselijke ervaring. Opstanding kan enkel worden verstaan als gebeuren van‑God‑uit Hier luidt het alternatief‑ of God wordt erkend als Heer, schepper en oorsprong, óf er is geen openbaring in de geschiedenis.20 Het christendom staat of valt met de erkenning van het concretissimum van de openbaring.21 Barth noemt de theologen die de concrete opstanding loochenen ‘theologische auguren en ingewandkijkers’. Hij zegt daarvan: Wij behoren dan tot die kerkmannen die onder de dringende verdenking staan meer zichzelf dan God te dienen en die zich daarmee een autoriteit aanmeten die niemand ons gegeven heeft: theologische auguren en ingewandkijkers die elkaar niet kunnen tegenkomen zonder elkaar een betekenisvol glimlachje toe te werpen in de fatale zekerheid dat hun hele onderneming niets voorstelt. “Papen” kan men ze ook noemen, die over dingen praten waarvan zij evenveel verstand hebben als ieder ander’. 12

De uitleg van 1 Kor.15 verloopt in vier overzichtelijk afgegrensde stukken:

I.

De uitleg begint met de exegese van de verzen I‑II. Dit stuk draagt als titel: De boodschap van de opstanding als grondlegging van de gemeente.23 De gemeente heeft geen andere grond dan de grondeloze boodschap van de opstanding van Christus. Fundamentalistisch respect voor ‘historische feiten’ en liberale verknochtheid aan ‘visioenen’ worden beide als bewijsgrond voor de opstanding afgewezen. Het is volgens Barth tactloos om uit de verschijningen van jezus ‘visioenen’ te willen maken zoals de liberalen doen. Maar het is even brutaal om daaruit’historische feiten’ te maken zoals de positieven doen. Alsof niet ook deze ‘positieve’ manier om met de opstanding van jezus aan de haal te gaan, de heimelijke loochening betekent van de opstanding als DAADVAN GOD in de geschiedenis, daad ‘die geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart is opgekomen’, maar die alleen gevat kan worden in de categorie van de openbaring.14 De Korinthiërs lijken wel ergens te geloven in het wonder van de opstanding van Christus (misschien geloven zij wel met bijzondere geestdrift in het lege graf), maar dat de oorsprong van het christendom over de hete linie de openbaring is en enkel de openbaring, dat schijnen zij niet begrepen te hebben

II.

Opstanding is niet enkel de grondlegging van de gemeente, maar is bovendien de zin van het geloof horen we in de verzen 12‑34 .26 Naast de onmogelijke, ongelofelijke en ontoegankelijke boodschap van de opstanding laat Paulus voor zijn lezers geen andere mogelijkheid over dan de ‘afgrond van een radicale scepsis’. Men moet hier aan Pascal denken of aan Kierkegaard, sowieso aan het verschil tussen een profeet en een kerkman .21

Niet als zielzorger in de ons bekende zin bouwt Paulus zijn gemeente, maar als getuige van de opstanding.21 In een enerverende gedachtewisseling met Luther11 toont Barth aan, dat de opponenten van Paulus in Korinthe een volslagen verkeerd beeld hebben van de opstanding. Zij erkennen de opstanding niet als ‘daad van Gód’. Terwijl zij Paulus houden voor een dogmatisch denker die hen opzadelt met overbodige en niet te voltrekken denkbeelden, toont Paulus hun omgekeerd aan dat juist zij het zijn ‘die een blind spel spelen met abstracties die van de reële werkelijkheid zijn losgemaakt’.10 De Korinthiërs ‘menen het absolute te kunnen vinden in de wereld van relatieve wonderen, de eeuwigheid in de tijd, de tegenwoordigheid van God reeds in het aardse lichaam’. Een schoolvoorbeeld hiervan is hun geloof in het voortbestaan van de ziel. Maar Paulus loochent het voortbestaan van de ziel na de dood. Het geestelijke (pneumatische) lichaam waarvan hij spreekt is geen voortzetting van het natuurlijke lichaam. Het is een absoluut wonder! Paulus denkt veel kritischer over ‘geestelijke’ mensen dan de Korinthiërs. Die kom je niet op straat of in de kerkbank tegen .31 De geestelijke of pneumatische mens is ‘uit de hemel’.Wat wij roemen als ons geestesbezit is puur psychologie. De mens die wij kennen is geen geest, hij is lichaam. En opstanding betekent verlossing, verandering van ons lichaam!

In de strijd over de opstanding stoten twee werelden op elkaar. De lichamelijkheid van de opstanding is daarbij slechts het topje van de ijsberg. Twee werelden: de wereld van het evangelie zoals Paulus die verstaat én de wereld van een religiositeit en moraal die sprekend lijkt op het christendom, een wereld waaruit behalve de Korinthiërs ook wij zelf en wij allen voortkomen… De ontkenning van een lichamelijke opstanding door de Korinthiërs komt voort uit hun onwetendheid met betrekking tot Gód. De zenuw van het christendom is doorgesneden, wanneer de Korinthiërs menen dat vlees en bloed het koninkrijk Gods wél kunnen beërven. Maar dat kan nu juist niet, zegt Paulus met grote nadruk.’Dit spreek ik evenwel uit: vlees en bloed kunnen het koninkrijk Gods niet be‑erven’.Vanuit dit’niet’ is de eerste Korinthebrief geschreven. Het is het’niet’ van het positiefste wat er bestaat: de opstanding van de doden?’

III.

De uitleg van de verzen 35‑49 draagt als opschrift: De opstanding als waarheid.” In dit gedeelte onderzoekt Barth de ‘denkmogelijkheid’ van de opstanding. zoals hijzelf zegt‑ Kan er zoiets als opstanding worden gedacht? We treffen hier een hoogst originele en diepzinnige analyse aan van de analogieën van de opstanding die Paulus in dit gedeelte opsomt,34 Barth bestrijdt de opvatting als zou Paulus bij de opstanding gedacht hebben aan een ‘natuurproces’. ‘Wij worden hier niet gevoerd naar het “inwendige” van de “natuur” waar de achttiende eeuw zo brandend in geïnteresseerd was, maar wij worden gevoerd naar de oorsprong van de natuur naar haar schepping en verlossing’ .15 Wat Paulus hier beschrijft mag men niet ‘apologetie’ noemen. Daarom niet, omdat het hele hoofdstuk veeleer een aanval is op het christendom van de Korinthiërs dan een verdediging* .36De analogieën willen alleen maar aangeven dat er in de opstanding een volstrekt wonderbaarlijke verandering plaatsvindt die van verre doet denken aan de natuur. In de natuur komt namelijk het verschijnsel voor dat er een wisseling van predikaten kan optreden terwijl toch het subject gelijk blijft‑ Maar daarmee houdt de vergelijking op. De opstanding zelf is geen natuurgebeuren. Ook niet het hoogste natuurgebeuren. Men merke op: met betrekking tot de opstanding is bier en wordt hier niets bewezen. Veeleer wordt hier zuiver hypothetisch aangetoond wat opstanding betekent indien er een opstanding is’.

De analogieën van Paulus hebben ten doel opmerkzaam te maken op de lichamelijkheid van de opstanding. Het subject mens wordt nadrukkelijk verstaan als lichaam. De dood is de dood van zijn lichaam. Is die dood niet enkel het einde, maar de wending, dan moet het nieuwe leven bestaan in de Neupredikation van zijn lichaam! Dan wordt de opstandingsvraag pas echt acuut. Het ‘gezaaid’ en ‘opgewekt’ worden moet dan gelden voor het lichaarn.17 Opstanding is dus geenszins de overgang van de mens naar een onlichamelijk bestaan.Van een spiritualisering van de opstanding moet Paulus niets hebben. Het volhardend subject blijft juist het lichaam. Een natuurlijk lichaam is de mens aan deze zijde van de opstanding, een geestelijk lichaam wordt hij aan gene zijde van de opstanding?’

IV.

Het laatste stuk handelt over het Futurum resurrectionis en is de uitleg van de verzen 50‑58.19 Het is getiteld: De opstanding als werkelijkheid. In dit gedeelte is de polemiek verstomd. Paulus strijdt niet meer. Hij gaat eenvoudig uit van de opstanding als werkelijkheid, als voldongen feit. De analogieën breken af en wat er nu nog te zeggen valt is dat wij Adams‑mensen zijn en dat wij Christusmensen zullen worden. Maar dan wel als lichamelijke mensen. Anders zou het niet waar zijn. Dus als gans andere lichamelijke mensen. Bij het klinken van de laatste bazuin zullen de doden worden opgewekt en de nog levenden zullen veranderd worden. Zonder opstanding is er überhaupt geen gekwalificeerde toekomst De ‘eschatologie’ in de Korinthebrief is uitsluitend gegrond in de lichamelijke opstanding van Christus. joodse toekomstverwachting en Griekse spiritualisering worden hier bij de wortel afgesneden. Daarin ligt het werkelijkheidsgehalte van de opstanding. De overwinning op de dood is en blijft een ‘gave Gods’. Deze beheerst niet alleen de toekomst, maar ook het heden. Er is geen vollere, vreugdevollere en krachtiger toekomst (futurum aeternum) dan die in Christus is, was en zijn zal. In Hem is onze toekomst wel bewaard. Ook dit laatste deel sluit Barth af met een citaat van Calvijn: Zo zeker het is, dat het hele gebouw van de vroomheid zou instorten als de hoop op de opstanding wegviel. omdat daarmee het fundament eraan onttrokken wordt, zo zeker is het andere, dat als men eenmaal de werkelijkheid van de opstanding erkend heeft, en daarin de werkelijkheid van God, men de zo oneindig smalle bergweg van het christendom gaan kan en gaan mag.40

Wij danken Dr. W. Klouwen voor zijn kritische lezing en correcties en Dr. L.W. Lagendijk voor zijn adviezen, aanvullingen en eindredactie. De Stichting Breukelman was zo vriendelijk een financiële bijdrage te leveren waardoor het mogelijk werd deze studie uit te geven.

Nico T. Bakker

zie recensie: L.A. Kopmels: Opstanding: geen facultatief geloofsartikel!

Pagina's: 1 2