De andere kant van het oordeel

    Pagina's:
  • De andere kant van het oordeel
  • 2

logo

 

DE ANDERE KANT VAN HET OORDEEL

(over de knecht als Heer)

inleiding

De verkondiging van de christelijke gemeente luidt kort en goed: God is mens geworden. Daarmee is een oordeel uitgesproken, een vereffening vindt plaats, de dingen worden recht gezet.

De ene kant van dit oordeel laat zien dat God zich vernedert. De andere kant van dit oordeel laat zien dat de mens wordt verhoogd. In deze ene beweging die het centrum vormt van de verkondiging van het nieuwe testament neemt God het oordeel dat de mens moest treffen voor Zijn eigen rekening. Daarmee redt Hij de mens van de eeuwige verlorenheid waaraan deze zichzelf blootstelt. Dat is kort gezegd de nieuwtestamentische verkondiging van het oordeel. De gemeente van de Messias Jezus heeft deze verkondiging gezien als de afsluiting en vervulling van Oude Testament.’

De draagwijdte en het gehalte van dit oordeel wordt trefzeker vertolkt in gezang 177 uit het liedboek voor de kerken.

Vers 2:

‘k Zie U, God zelf, in eeuwigheid geprezen,
tot in de dood als mens gehoorzaam wezen,
in onze plaats gemarteld en geslagen,
de zonde dragen.

O allerheiligst, onuitspreeklijk wonder:
de Rechter zelf gaat aan het recht ten onder.
O wreed geding; wie kan geheel doorgronden
de vloek der zonden.

God is rechtvaardig, ja een God der wrake;
En Hij is liefde, Hij wil zalig maken,
Zie hier de schalen die ten volle wegen
én vloek én zegen
.

Dit oordeel waar het nieuwe testament in het centrum van gewaagt geschiedt volgens een weloverwogen voornemen en een vast plan. Hier heerst geen willekeur. Het oordeel is geen goddelijke gril. Het betreft hier met recht ‘schalen die ten volle wegen’ zoals in de bovenstaande regels van lied 177 fijnzinnig is aangegeven.2 De toedracht van dit oordeel is alleen denkbaar als in de mens Jezus Christus de Zoon van God zelf gehandeld heeft als Rechter van alle mensen. Op de vraag van Anselmus ‘waarom de Zoon van God mens werd’ geeft het nieuwe testament het eenduidig antwoord: om de wereld te oordelen. Daaraan moet aldus Barth wel worden toegevoegd dat het hier een oordeel betreft, een richten, een rechtzetten overeenkomstig de eigen koninklijke vrijheid van deze Rechter. Daarmee wordt bedoeld een oordeel dat genadig is, een vonnis dat vrijspreekt, een gevangenname die bevrijdt en een verlorenheid die redding betekent.3 Wat, zo vraagt Karl Barth, gebeurde daar? Dit gebeurde er, dat de Zoon van God het rechtvaardig oordeel over de mensen voltrok hierdoor, dat Hij zelf als mens in onze plaats het oordeel onderging, waaraan wij vervallen waren. Daartoe trad en was Hij temidden van ons. Zó, in dit ‘voor ons’ , was Hij als onze Rechter tegen ons.4

het oude testament

Degene die nog niet (of: niet meer) opmerkzaam is op het volstrekt onherleidbaar karakter van deze toedracht en die nog altijd dit bericht wil rangschikken onder de noemer van een algemene rechtsverhouding, een verhouding tussen een algemene God en een algemene mens, die gaat voorbij aan de oudtestamentische context van dit bericht. Hij houdt geen rekening met het irreguliere karakter van de bijbelse tekst. Hij gaat voorbij aan de geïntendeerde vreemdheid van de bijbelse Godsnaam JHVH, hij ontkent de particuliere lading in de belijdenis van het ‘èchad Adonai’ (de enigheid van de Heer), hij verdoezelt het anti-heidense statement van Israël, dat God God is, en miskent het verbondskarakter van Immanu-el. Daarmee wordt impliciet voorbij gegaan aan de eenvoud van de Schrift, die in haar bijzondere woord-wereld al aangeeft, dat dit bijzondere het algemene niet alleen representeert en vertegenwoordigt, maar zelf ook IS. Kortom, men maakt van de concrete bijbelse God een religieuze abstractie. Wie het bijbels bericht van het oordeel bij benadering wil verstaan die zal het oude testament in het hoofd en in het hart moeten hebben (Luther) De Schrift kent geen abstracte, naakte God (nudus Deus). En de KD van Barth voegt daaraan toe: de Schrift kent ook geen naakte, abstracte mens.

Van hieruit kunnen de elementen van de Barthse verzoeningsleer doorzichtig worden gemaakt. Daar is, om te beginnen, de ultieme ernst van het oordeel, die teruggaat op de oudtestamentische notie van de heiligheid van God, hier weergegeven met het uiterst signiflcatieve foneem ‘God=Gód’. Heel de anti-heidense strekking van het oude testament ligt in dit analytisch oordeel opgesloten. Daar is vervolgens het bericht van de vleeswording van het Woord in Jezus Christus: de ogenschijnlijk willekeurige toespitsing van het israëlitisch verbond op de concrete existentie van de mens Jezus. Daar is in aansluiting bij de oudtestamentische cultusverhalen het bericht, dat het offer aan JHVH gebracht, in onze plaats wordt gebracht. Daar is vervolgens het denkbeeld van de noodzaak van de verzoening omwille van de rehabilitatie van het verbond en en daarmee van de beëindiging van de twist (ribh) tussen JHVH en zijn volk. In de wereld van de religie hebben dergelijke berichten niet dat specifiek gewicht als in het oude testament. Daar zijn zij getuigenis van openbaring en als zodanig de peilers waar de bijbelse verkondiging op rust. Daar zijn zij omgeven met de laatste ernst van een eenmalig, definitief en onherhaalbaar gebeuren, dat zonder inzicht in de structuren van het oude testament ontoegankelijk blijft.

De uitzonderlijkheid van dit bericht wordt door Karl Barth in zijn verzoeningsleer nog onderstreept, door de oudkerkelijke leer van de vernedering en van de verhoging van Christus van toepassing te houden op de bijzondere relatie van God en de mens. Het gevolg van deze nieuwe schikking is ondermeer dit geweest, dat de vernedering komt te staan op het conto van God en dat de verhoging komt te staan op het conto van de mens. Deze herschikking in de verzoeningsleer met betrekking tot het oordeel leert, dat God zelf zich vernedert en dat zó en daarin de mens wordt verhoogd. De consequentie van deze zienswijze is, dat het traditionele Godsbeeld (de God der wrake!) drastisch wordt veranderd en dat de leer van de genoegdoening (satisfactie) in zijn katholieke en moderne gedaante naar het rijk der fabelen wordt verwezen. Het is een van de vele vernieuwingen in de theologie die wij danken aan het ontzagwekkende oeuvre van Karl Barth. De verzoeningsleer in de KD komt er daardoor als volgt uit te zien. Het thema van het eerste deel van deze leer luidt: Jezus Christus, de HEER als knecht. Hierin wordt het oordeel beschreven onder het gezichtspunt dat God zelf zich vernedert.3 Het thema van het tweede deel van de verzoeningsleer luidt: Jezus Christus, de knecht als HEER. Hierin wordt het oordeel beschreven onder het gezichtspunt dat de mens wordt verhoogd.6 Het goddelijk oordeel in zijn uniciteit en eenmaligheid heeft deze beide kanten. De ene kant weerspiegelt de vernedering van God: de Heer als knecht. De andere kant weerspiegelt de verhoging van de mens: de knecht als Heer. De verhoging van de mens berust op de vernedering van God. Zij vormt om zo te zeggen de andere kant van het oordeel Barth behandelt deze ‘andere kant’ op aangrijpende wijze in KD IV 2 onder de titel ‘ De koninklijke mens’.7

osmose

Dat de Rechter zelf in het gericht gaat heeft als keerzijde: dat de mens wordt verhoogd. De ene kant van het oordeel laat zien: de Heer als knecht. De andere kant laat zien de knecht als Heer. Zij vormen de beide kanten van een en hetzelfde oordeel. Zij vormen de beide aspecten van het wonderbaarlijke, god-menselijk leven van Jezus Christus. De ene kant kan niet los worden gezien van de andere kant. Beide kanten doordringen elkaar wederzijds. Funktioneel bezien gaan zij als het ware een ‘osmotische’ verbinding aan. Deze wederzijdse doordringing is volgens het Nieuwe Testament het geheim van het god-menselijk leven van de Messias Jezus. Het weerspiegelt het vreemde goddelijke oordeel en in deze hoedanigheid openbaart het de werkelijkheid van de nieuwe mens. ‘Waarlijk God en waarlijk mens’ belijdt de kerk met recht.   Het feitelijk bestaan van de mens Jezus is de resultante van deze beide ‘factoren’: de Heer als knecht en de knecht als Heer.

Geen wonder dat de figuur van Jezus bij zijn tijdgenoten opperste verbazing wekt. Zijn optreden doet denken aan een aardbeving of een natuurramp.8 Hij stelt de wereld en de mens voor een onontwijkbare beslissing. Hij voltrekt een oordeel. Hij was onder de mensen als Rechter. Zijn dood was het oordeel over de zonde van de wereld. Toch was zijn oordelen geen veroordelen. Zijn oordelen laat zien, dat Hij Rechter was over allen hierin, dat Hij zichzelf liet richten in hun plaats. Een neutrale verhouding tot Hem is dan ook uitgesloten. Onder zijn medemensen was Hij de Heer geweest. Ongetwijfeld een mens, zoals wij allen. Niet in het bezit van goddelijke almacht of autoriteit. Maar onmiskenbaar daarvan getuigend. In de grote mensenhoop was Hij de grote uitzondering. Een vrij mens. Vrij om te doen de wil van Zijn hemelse Vader. Voor hem bestond geen noodlot of uiterlijke dwang, geen mensenmacht of geschiedenismacht. In hem was enkel de nieuwe, de ware Mens aan de macht. Voor hem bestond maar één moeten. De uitvoering van de wil van Zijn hemelse Vader. De titel kurios (Heer) wordt in het nieuwe testament emfatisch gebruikt als verwijzing naar de oudtestamentische Godsnaam JHVH. Hij was in eigen persoon hetgeen Hij in woord en daad verkondigde: het nabijgekomen Godsrijk, autobasileia zoals Origenes placht te zeggen. Dit Rijk was te midden van de mensen met dat Jesus te midden van hen was. Zo heeft de gemeente van het nieuwe testament Hem gezien en daarom was Hij voor hen onvergetelijk.

Deze ‘osmotische gesteldheid’ van Zijn god-menselijk leven treedt ondubbelzinnig scherp aan het licht in zijn lijdensgeschiedenis. Hij was de mens die door te sterven zijn sterfelijkheid juist weerlegde en overwon. Het beeld van de opgestane heeft het beeld van zijn lijden en sterven niet kunnen verdringen. Juist als de gekruisigde was Hij de nu tegenwoordige en de eens komende en juist daarom de levende Heer.

gelijkvormigheid

Van de nieuwe koninklijke mens wordt gezegd dat hij ‘geschapen is naar God’ (Efese 4:24). Hij existeert overeenkomstig de bestaanswijze van God. In Hem geschiedt Gods wil op aarde, zoals die ook geschiedt in de hemel. Hij wordt in het Nieuwe Testament gezien als de mens die gelijkvormig is aan God: de tweede Adam. Maar let wel! Deze gelijkvormigheid moet niet ‘grieks’of filosofisch worden opgevat, maar ‘israëlitisch’. De gelijkvormigheid heeft betrekking op de Israëlitische godsnaam JHVH of zo men wil: de gans andere God! De koninklijke mens Jezus deelt het wonderlijke lot dat JHVH zélf te midden van zijn volk toevalt. Hij wordt over het hoofd gezien, Hij wordt vergeten, Hij wordt geringschat, ja veracht. In deze gelijkvormigheid spiegelt zich het ware karakter van de bijbelse God: de verachte, de vernederde, de alleen rijke die arm werd. Zijn koninkrijk is in vergelijking met onze koninkrijken zonder glans en zonder macht. Hij, de alleen rijke, leeft onder ons als de armste man. Zijn macht is verborgen in onmacht, zijn heerlijkheid verborgen in geringheid en zijn overwinning in nederlaag. Jezus, de koninklijke mens, deelt dit lot. Hij heeft de vernedering die Hem als Zoon van (deze) God beschoren was, niet verloochend, maar heeft haar getrouw afgebeeld tot het laatste toe. Blijkbaar liet hij het zich welgevallen om eenzaam en verlaten onder de mensen te existeren. Hij leefde in de schandhoek van het bestaande, omdat dat nu juist Gods deel is in een wereld die van Hem is afgevallen. Nergens wordt de vraag van Anselmus: ‘waarom God mens moest worden’ zo drastisch en concreet beantwoord als hier. En nergens kon de stralende uitwerking van dit oordeel duidelijker worden gedemonstreerd dan in de leer van de knecht als Heer. Het was de knecht Gods die hier als Heer het menselijk toneel betrad.

De vernedering van God is recht evenredig aan de verhoging van de mens. De vijfde strofe van gezang 177 bezingt deze verhoging als volgt:

Dit breekt mijn trots. Waar zou ik nog op bogen?
Ik lig in ‘t stof, maar God komt mij verhogen,
nu ik van vijand Gods en tegenstander
in vriend verander.

Het Heer-zijn van deze knecht was voor de gemeente van het nieuwe testament een grote verborgenheid. Maar het zal niemand verbazen, dat dit verborgene niet verborgen kon blijven. ‘Zalig wie zich niet aan Mij ergert’ horen we de evangelist Mattëus zeggen. Deze verborgenheid maakt het onmogelijk het Rijk, waar de bijbel van spreekt historisch of ethisch te duiden. Tot de gelijkvormigheid met God behoort ook zijn partijgangerschap met de armen. Jezus ziet voorbij aan wat groot, machtig en rijk is. Waarom eigenlijk ? De grond daarvoor was zijn merkwaardige solidariteit met die God, die zelf ook bestond als zo’n geestelijk arme te midden van de bij mensen geldende waarden en normen. In de ogen van de wereld leefde deze God zélf aan de rand, zélf als grensbegrip.

De gelijkvormigheid van de mens Jezus aan God bestaat niet in de laatste plaats in het uitgesproken revolutionaire karakter van zijn optreden tegenover de geldende instituties. Toch was zijn kritiek nergens principieel. Het revolutionaire karakter ervan werd er enkel nog door verscherpt. Jezus was geen hervormer. Hij bestreed de ordeningen niet om er andere voor in de plaats te stellen. Hij verdedigde geen bepaald program. Daarentegen stelde Hij alle programma’s en principes ter discussie. Dat was het diep verontrustende van zijn optreden. Ook hierin was zijn vrijheid transparant op het Rijk van God zelf en gaf Hij op verontrustende wijze blijk van het oordeel van God. Zijn oordeel strekte zich uit over het geheel van de menselijke instellingen: de tempel, het huwlijk, het gezin, de economische orde, de politieke en de rechterlijke macht. De crisis die Hij bracht stond onder het voorteken: ‘Geen nieuwe wijn in oude zakken’.

Geheel in de lijn van Jezus was het, dat Hij, nadat zijn vijanden hun beulswerk tot het einde aan hem hadden verricht, voor hen bad met de woorden: ‘Vader vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen’ Hier opnieuw dringt de vraag: welk rechtsbestel of staatsbestel kan onder deze orde bestaan ? Hier opnieuw wordt gewrikt aan de fundamenten van het bestaan. Ook hier is evident dat de bestaande orde in de hoogste staat van bedreiging is gebracht. De bijl is aan de wortel van de boom. Ook hier schemert een oordeel door, dat bevreemdt door zijn radicaliteit en dat de wereld niet meer met rust zal laten. Maar de gelijkvormigheid met God komt het helderst naar voren hierin, dat Jezus niet tégen, maar vóór de mensen is. Ook en juist vóór de mens in zijn onmogelijke afwending van God in de oude adamswereld. De nieuwe, koninklijke mens weerspiegelt het goddelijk JA tegenover de mens en zijn kosmos. Het is Gods oordelend, scheidend, onthullend en straffend JA. Een JA dat ook een NEE bevat. En juist omdat het Gods JA weerspiegelt is dit JA geen Nee. De mens Jezus is namelijk daarin de verhoogde, de koninklijke mens, dat Hij niet enkel mens is met de andere mensen, maar ook vóór de mens, zoals God vóór hem is, in weerwil van zijn fundamentele dwaling, in weerwil van zijn pseudo-zekerheden, maar bovenal in weerwil van zijn ellende.

gekwalificeerd erbarmen

Tot het bestek van de bijbelse grondwoorden behoort in laatste instantie het woord ‘erbarmen’. Het kan alleen maar van God worden gezegd. Wel te verstaan van de bijbelse God. Wat de mensen in Jezus ontmoetten was de klare ondubbelzinnige sprake van het reddend erbarmen van God. Dat was het wat zijn getuigen in de existentie van Jezus te zien en te horen kregen. Hierin was zijn bestaan ondialectisch transparant op God. Deze doorslaande, definitief reddende en erbarmende overgave, dat was de hulp die Jezus de mensen bood. Door dit gekwalificeerde erbarmen was Hij op aarde zoals God in de hemel is. Met deze ontferming zag Jezus het mensenvolk, omdat zij er aan toe waren als schapen die wel herders hebben, maar geen goede herder. Dat was de ellende van de scharen, waarover Jezus zich erbarmde Door het optreden van Jezus valt een volstrekt nieuw en verrassend licht in de menselijke situatie. Dit licht was het echt wonderbaarlijke en onbegrijpelijke van zijn daden. De wonderen van Jezus zijn Rijkswonderen! Zij hebben een eigen heerlijkheid en onbegrijpelijkheid, die niet te verwisselen is met enig andere onbegrijpelijkheid.

De door dit licht beschenen mensen zijn mensen met wie het niet goed gaat. Het zijn mensen in het nauw. Zij bevinden zich in nood. Het zijn ongelukkigen. Zij lijden zoals blinden, lammen, doven, melaatsen of bezetenen lijden. In het licht dat op hen valt verschijnt het leven van de mensen als één groot hospitaal waarin allen zich zus of zo bevinden. Met deze mensen vereenzelvigt Jezus zich. Hun ellende neemt hij op zichzelf. En daarmee draagt hij het weg. Het bijzondere licht dat op deze genezingen valt wordt samengevat door de betekenisvolle woorden van Mattëus: ‘En die ernstig ongesteld waren genas Hij allen, opdat vervuld zou worden hetgeen gesproken werd door de profeet Jesaja, toen hij zei: Hij heeft onze zwakheden op zich genomen en onze ziekten heeft Hij gedragen. (Mt.8:17; Jesaja 53:4). De God die werkzaam is in het handelen van Jezus is geïnteresseerd in de mens als zijn creatuur. Hij is in hem geïnteresseerd aan zijn zonde voorbij. Hij is dwars door zijn zonden

heen geïnteresseerd in hem zelf als bijzonder kosmisch wezen. Hij heeft hem niet vergeten. Hij heeft hem niet aan zichzelf overgelaten. Hij heeft hem ondanks zijn zonde niet opgegeven. Hij staat in voor zijn verbond met hem. Hij neemt hem ernstig, ook als zondaar. Hij blijft hem trouw. Dat de mens dat wedervaart, dat is Gods machtsgreep op aarde. Daarin is Hij heerlijk in hun midden. Dat Hij op deze wijze God is, op deze wijze majesteitelijk, dat is het nieuwe, het onbegrijpelijke en wonderbaarlijke in de daden van Jezus. Een transcendente God heeft niets bevreemdends, ook niet een god die niet in de mens is geïnteresseerd. Zo zijn de ons bekende door mensen verzonnen godsbeelden. Voor hun openbaring is waarlijk geen wonder nodig. Wél echter voor de levende God. Wél voor die God die zich ertoe bestemd heeft schepper, Heer en bondgenoot van de mens te zijn. Dat God déze God is, dat is in geen mensenhart opgekomen: als ervaring niet, maar ook niet als idee. Het kan hem alleen maar overkomen als het novum. Enkel in het concrete wonder van de tegenwoordigheid van God. En daarover gaat het in de daden van Jezus.

Jezus wordt getekend als de gezworen vijand van de dood! Ook dat aspect behoort tot de onoverkomelijke vreemdheid van zijn menselijk bestaan. Men lette op de hardheid waarmee Hij de wenenden en weeklagenden behandelt in het huis van het dochtertje van Jaïrus. Waarom deze hardheid ? Omdat Jezus daar geconfronteerd werd met de cultus van de dood, met het statige en sentimentele eerbetoon dat de mensen aan de majesteit van de dood brachten. Jezus zei Nee tegen deze majesteit: ‘Het kind is niet gestorven, maar slaapt’ en vervolgens: ‘meisje, Ik zeg u sta op’. Hier dus opnieuw: de realiteit van het almachtig erbarmen van (deze) God in botsing met de manifeste realiteit van de dood! Zijn eenzaam Nee tegen de dood, gesproken krachtens zijn eenzaam Ja tot Gods almachtig erbarmen, is de zin van zijn hardheid in het sterfhuis. Dezelfde houding treffen we aan in het verhaal van de opwekking van Lazarus. ‘Toen Jezus haar (Maria) dan zag wenen en ook de Joden die met haar meegekomen waren, werd Hij verbolgen in de geest en hij werd diep ontroerd.’ (Joh. 11:33vlg.). Zündel schrijft daarover: allereerst komt Jezus in opstand tegen de huilwoede, dit plengoffer gebracht ter verheerlijking van zijn vijand: de dood, deze lust van de mensen om in hun wonden te roeren, deze stille verheerlijking van de almacht van de dood. Zeer merkwaardig is de korte vermelding daarna: ‘Jezus weende’ (v 35). Dus ook Hij? Ja ook Hij! Jezus strijdt niet tegen de bedroefden en de treurenden, maar Hij strijdt aan hunzijde, in solidariteit met hen. Maar in solidariteit strijdt Hij voor hen, wenende met hen…9

De wonderdaden en genezingen van Jezus geven blijk van een onbegrijpelijke overvloed, van een onvoorstelbare luxe! Het is begrijpelijk dat de gangbare christelijkheid daar geen raad mee weet. Geen wonder dat zij zich daaraan ergert en ze behandelt als een pudendum, iets waarvoor je je schaamt. Zij weet er niets mee aan te vangen. Hierom niet omdat het uitzonderlijke van de vrije genade van God zoals die in de wonderdaden betuigd wordt, haar ten diepste toch te vreemd, te uitzonderlijk is. Het typeert de typische rigiditeit van het westerse christendom, in het bijzonder van het protestantisme. Een normaal westers christen houdt zich aan de regel. Hij heeft geen begrip voor luxe, zelfs al was dit de luxe van de lieve God zelf.

de gekroonde knecht

Het kruis is het motief dat heel dit wonderbaarlijk god-menselijk leven beheerst. Naar de zienswijze van de evangeliën was deze mens die de spiegel was het vaderlijk erbarmen en die het Rijk van God in eigen persoon belichaamde bij de mensen niet welkom. Hij werd niet aangenomen, maar Hij werd verworpen en zijn leven werd uitgewist.Hij moest lijden en sterven, beschuldigd van misdaad tegen God en tegen de mensheid. Hij werd overgeleverd en verloochend, zelfs door zijn leerlingen. Maar tegen zijn lijden en sterven heeft Hij zich niet verzet. Hij heeft er JA tegen gezegd. Hij heeft het vrijwillig gedragen en op zich genomen. ‘De Zoon des Mensen moet veel lijden’ (Mt.8:21,Mrc.8:31 en Lc.9:22) Dit ‘moeten’ is beslissend. Het betekent niet dat Hij veel moest lijden in weerwil van het feit dat Hij de Zoon des mensen is, maar juist omdat Hij de Zoon des mensen was.

De evangeliën hebben zijn lijden en dood allereerst verstaan als een overwinnaarsweg. Zij zagen zijn kruis als de bekroning van zijn leven. Niet als een gebeuren krachtens een Hem vreemde noodwendigheid, maar krachtens de Hem opgedragen zending om de wereld met God te verzoenen, als de vervuiler van alle gerechtigheid in de voltrekking van zijn koninklijk ambt. Het synoptisch getuigenis, zo verstaan, stemt geheel overeen met het evangelie van Johannes. Juist hier wordt duidelijk dat de dimensie van de dood noodzakelijk de dimensie is van zijn leven, de dimensie van de hoop en van het voorwaarts dat het leven van Jezus kenmerkt. Dat Jezus in de dood gaat, betekent hier: Hij gaat tot de Vader die Hem gezonden heeft (Joh. 14:12; 16:5, 28; 17:11) Hoe juist de vernederde God het wezen uitmaakt van de verhoogde mens wordt hier expressis verbis betuigd. Zo horen we in hoofdstuk 17: ‘Vader de ure is gekomen; verheerlijk uw Zoon, opdat uw Zoon U verheerlijke’. Verhoogd worden van de aarde, zoals Mozes in de woestijn een slang verhoogde, betekent hier op huiveringwekkende en stralende wijze tegelijk: zijn verhoging aan het kruis.(Joh.3:14) Zijn verhoging als de Zoon des mensen, die ook hier geschieden moet (!), geschiedt, ‘opdat een ieder die in Hem gelooft eeuwig leven hebbe’, en zij moet geschieden, omdat Hij juist in deze verhoging ‘allen tot zich trekken zal'(Joh. 12:32). Nergens wordt de strengheid van het oordeel zo ondubbelzinnig manifest als hier. En nergens wordt de heilsbetekenis van ditzelfde oordeel zo triomfantelijk duidelijk. De mensen van die eerste gemeenten hebben geweten van dit hoogst positieve van zijn dood. Zijn kruisdood was voor hen en voor alle mensen de beslissende wending. Op de vraag hoe zij dat wisten, hebben zij geantwoord, dat Hij hen als de opgestane uit de doden tegemoet was getreden en dat Hij daarmee het geheim van zijn dood en van daaruit van heel zijn leven had geopenbaard als het werk van de helende en verlichtende macht van (de Gans Andere) God. Het geheim van de knecht als Heer is het geheim van de Heer als knecht. Het zijn de beide kanten van het ene oordeel.

Lied 177 eindigt als volgt:

Vers 7:

Laat mij, o Heer, uw wondre wijsheid prijzen,
dwaasheid en ergernis voor wereldwijzen,
laat mij uw kruis dat sterken zwakheid noemen
als sterkte roemen.

NICO T. BAKKER   Pasen 2003

Pagina's: 1 2