Nikolaus Ludwig, Graf von Zinzendorf und Pottendorf, 1760-2010

logo-idW-oud

 

NIKOLAUS LUDWIG, GRAAF VON ZINZENDORF UND POTTENDORF, 1760-2010

 

Graaf Von Zinzendorf, de man die zich door niets liet weerhouden de lof van het Lam te bezingen en anderen uitno-digde met de lofzang in te stemmen, is geboren in Dresden op 26 mei 1700 en gestorven in Herrnhut op 9 mei 1760. Hij is dus 250 jaar geleden overleden, nog geen 60 jaar oud. In dat leven van bijna 60 jaar heeft hij voor velen veel betekend en 250 jaren na zijn dood is de herinnering aan hem levend gebleven. Met zijn persoon en werk heeft hij invloed uitgeoefend op heel verschillende personen, op tijdgenoten en op mensen na hem: op de Wesleys maar ook op Goethe, op Lessing maar ook op Schleiermacher, op Herder maar ook op Novalis en zelfs op Kierkegaard. Ook Karl Barth heeft zich in verscheidene opzichten verwant gevoeld met Zinzendorf.

Karl Barth
Barth heeft zich meermalen opmerkelijk positief over Zinzendorf uitgelaten. Wat Zinzendorf bezielde, zijn passie die hem aandreef (‘Ich habe nur eine Passion: Er, Er, Er’ en Er is Jezus Christus) en zijn betekenis voor de theologie, de zending en de oecumene, vinden we bij Barth uiteengezet en je krijgt de indruk dat hij graag over hem schrijft nadat hij eerst aandachtig naar hem heeft geluisterd. In een brief van 31 juli 1962 schreef hij aan Helmut Gollwitzer dat hij onder meer de Londense preken van Zinzendorf aan het lezen was in een uitgave uit 1756, het geboortejaar van Mozart, ‘mit hellem Vergnügen’ over de ‘eenzijdigheid’ en de ‘kernachtige originaliteit’ van deze ‘producten’. (Briefe 1961-1968, 83). Deze eenzijdigheid is een gelukkige eenzijdigheid, een concentratie op het eigenlijke en wezenlijke.

Uit de Kirchliche Dogmatik begin ik met de bekende uitspraak van Barth, dat Zinzendorf in zijn prediking, dichtwerk en dogmatiek (voor zover hij zoiets heeft gehad) ‘de grootste en misschien de enige volstrekt echte Christozentriker van de nieuwe tijd is geweest’. Tussen haakjes staat: ‘Christomonist’ zeggen de dwazen. Barth vervolgt dan dat Zinzen-dorf waarschijnlijk ook de eerste echte (dwz de uit de zaak denkende en sprekende) oecumenicus genoemd moet worden. Hij noemt in dit verband de profetische intentie bij de stichting van zijn merkwaardige ‘Broedergemeente’ dat hij niet de gevestigde kerken wilde opblazen of vervangen door een superkerk naar deze confronteerde met de op-dracht van de eenheid. (KD IV/1, 763).

Sprekend over de gehoorzaamheid aan God schrijft Barth dat Zinzendorf steeds met geconcentreerdheid en intensi-viteit heeft gezegd dat gehoorzaamheid aan God betekent Jezus gehoorzaam te worden en te blijven. Hij zei dat in de confrontatie met de verwereldlijkte orthodoxie en het gespleten piëtisme van zijn dagen. Daarmee, aldus Barth, heeft Zinzendorf niet alleen een reformatorisch maar vooral een Nieuw Testamentisch inzicht naar voren gebracht. Zinzen-dorf is een van de weinigen, niet alleen van zijn tijd, maar van alle tijden, geweest die beslist, luid en indrukwekkend juist dat heeft gezegd, wat men verder ook allemaal tegen hem meent te kunnen inbrengen (II/2, 631).

Bij Zinzendorf was er een grote en beslissende aandacht voor de wonden van Jezus, vooral de wonde in zijn zijde waaruit bloed en water stroomde. Velen hebben het een ongezonde aandacht gevonden. Barth echter wilde zich niet distantiëren van de ‘bloedtheologie’van Zinzendorf (IV/1, 302). De aandacht voor de ‘Seitenwunde’ leidde, in aanslui-ting aan oude tradities, tot de hoge achting voor het Avondmaal als heilsmysterie. Volgens Barth had Zinzendorf gelijk, niet in hoe hij het zei, maar wel in wat hij ten diepste zei, wat zijn duidelijke bedoeling was. De gemeente leeft van Jezus met zijn wonden. Zij is ‘kruisgemeente’ of zij is volstrekt geen christelijke gemeente en de christen is lid van deze gemeente of hij is geen christen (IV/ 4, 137v).

Voor Zinzendorf was geloof geen prestatie, geen volheid maar leegte, lege handen uitgestrekt naar de Heer, de ‘See-lenmann’, de volstrekte afhankelijkheid van en gerichtheid op de Heer. Met instemming citeert Barth een lied van Zin-zendorf: Hebe an, hebe an, Zion heb, am Elend an. An der Armut, an der Staube, so ist deine Sach getan. Habe gar nichts, aber glaube, dass der Herr, der treue Seelenmann, helfen kann. Dat, zo merkte Barth op, lijkt toch veel op de ‘Hohlraum’ waarover hij sprak in zijn Römerbrief van 1921 (IV/1, 701).

Het zendingswerk van Zinzendorf en zijn Broedergemeente overtrof aan het einde van zijn leven alles wat het protes-tantisme tot dusver voor de verkondiging van het Evangelie onder de heidenen had gedaan en is ook later niet over-troffen. Dat hing samen met zijn liefde tot Christus. Dat is de drijfveer om voor allen en voor iedereen, voor heel de wereld, een getuige van de Heiland te zijn. Het was zijn ‘ene passie’ die hem dreef tot zijn actie de weg met het Evangelie naar de mensen van verre en de mensen van nabij te gaan. Omdat hij Jezus wilde toebehoren die voor hem en voor allen is gestorven, kon en wilde hij als zijn bode de Goede Tijding niemand schuldig blijven. Dat is niet alleen zijn centrale motief geweest, maar zijn ene en enige zendingsmotief (IV/3, 653v).

In korte tijd gingen velen van de Broedergemeente naar verre landen en zelf maakte hij grote zendingsreizen naar de West en naar Noord-Amerika. In een conferentie bracht hij alle Broeders over de wereld bijeen te Londen. In Nederland had hij en de Broeders te maken met veel tegenstand maar desondanks waren er al sedert 1735 Herrnhutters in Amsterdam en later in IJsselstein. In 1746 schonk de Amsterdamse koopman Schellinger aan de Broeders het Slot in Zeist, waar hun bloei in Nederland begon en hun zending in Suriname.

Liederen

Barth roemt Zinzendorf omdat zijn ik-liederen voluit Christus-liederen zijn (IV/1, 845). Als dichter is Zinzendorf bij-zonder vruchtbaar geweest. Er bestaan meer dan 2000 liederen van hem. Vele ontstonden spontaan in de zang-diensten (Singstunden) van de gemeente te Herrnhut. Dat spontane had tot gevolg dat de liederen naar vorm en inhoud nog al wat gebreken vertoonden, maar Christian Gregor heeft vele liederen bewerkt en bruikbaar gemaakt. Buiten de Broedergemeente zijn slechts enkele liederen bekend geworden. In het Liedboek voor de kerken is één lied opgenomen, Gezang 442, in de vertaling van Ad den Besten. Jesu geh voran is een lied over de navolging van Christus, maar willen we Hem kunnen navolgen, dan moet hij wel ons voorgaan. Bij de navolging moet de Heer zelf ons wel steeds bijstaan wil er iets van terecht komen. Zo wordt in de derde strofe gevraagd: Richte unser Sinn auf dein Kommen hin en in de laatste regel van de laatste strofe wordt gevraagd: Tu uns nach dem Lauf Deine Türe auf. In het Compendium bij het Liedboek wordt van dit lied gezegd dat het ‘in zijn eenvoud voor ontelbaar velen tot troost en steun (is) geworden. Enkele regels eruit waren soms het laatste gebed van een stervende: Leid ons aan uw hand naar het Vaderland’.

O. Noordmans
We zagen dat Zinzendorf geen nieuwe kerk wilde, geen superkerk, geen vervanging van de bestaande kerken. Wat hij wel wilde noemde Noordmans een ‘orde’. Hij schreef dat in ‘Kerk en Orde’ ten tijde dat de synodale reorganisatie-commissie het ontwerp-1938 voltooide (Zoeklichten, A’dam 1949, 218-221, in Verzamelde Werken, deel 5, 271vv). Aan het begin definieert Noordmans een ‘orde’. ‘Orde’ betekent een organisatie, die geen kerk wil zijn, maar iets min-der…Het is een bescheiden titel, waarmee een groep mensen zich siert, die geen boze bedoelingen tegen de kerk heeft, maar die de middelen, welke het gewone lidmaatschap der kerk haar biedt, onvoldoende vindt om tot uitdruk-king te brengen wat haar bezielt.’ Zij gaat binnen de grenzen van de kerk een eigen leven leiden. Een orde is een geestelijke beweging die zich richt op iets bijzonders, bijvoorbeeld op een opwekking of een vernieuwing van de kerk. Noordmans vraagt of het protestantisme de orde helemaal niet meer kent. ‘Het schijnt. Maar misschien lijkt dat maar zo. Ik denk aan de Herrnhutters. De Broedergemeente is naar haar wezen een orde en geen kerk.’ Volgens Noordmans bedoelde Zinzendorf iets anders dan de Piëtisten. Zij wilden het geheel van de christelijke gezindheid verdiepen en hadden daarom geen organisatie in grote stijl nodig. Zinzendorf ‘had een kerkvorm nodig, zonder dat hij behoefte voelde aan een nieuwe kerk’. Een deel van de christelijke doelstelling werd verabsoluteerd. ‘Zo’n kerkvorm is een orde. Zinzendorf voerde dan ook terecht de titel van ordinarius’. De Broedergemeente moest de allures van een kerk aannemen omdat de lutherse kerk van die tijd te weinig katholieke ruimte bood om haar daarin haar natuurlijke plaats te laten innemen.

Aan het slot van zijn artikel stelde Noordmans vragen en maakte hij opmerkingen die ook in onze tijd van belang zijn. Welke houding moet de kerk tegenover de orde aannemen? Is zij bij machte deze in zich op te nemen en dienstbaar te maken aan de totaliteit van haar bestemming in hemel en op aarde? ‘Is de tijd misschien ook gekomen, dat zij de orde weer binnen haar muren moet toelaten? Of is de figuur van een protestantse kerk daartoe te eng? Dan zou het misschien goed zijn, als zij zich herinnerde, dat de kerk oorspronkelijk en uiteindelijk bestemd is een rijk te zijn. En zij zou bij haar inrichting daarmee kunnen rekenen’.

Barth en Noordmans rekenden Zinzendorf en de zijnen niet zonder meer tot de piëtisten. Als zij het waren, dan toch andersoortige piëtisten. Zinzendorf was een piëtist met een wijde blik, met openheid naar de mensen, ver en nabij, een piëtist met veel hoop voor de wereld, niet bekrompen maar heel royaal, niet somber, maar blijde in de Heer.

M.G.L. den Boer