De volgende ronde? Meijering in gesprek met Kuitert

logo-idW-oud

 

De volgende ronde? Meijering in gesprek met Kuitert

Kuitert is uit. Zo’n dertien jaar geleden reden we met een volle auto vanaf het seminarium richting Amsterdam voor het tweegevecht tussen Kuitert en Versnel. Niet veel later werd ik in m’n eerste gemeente door gereformeerden uitgedaagd het ABC-geloof (1992) en het daaropvolgende Zeker weten (1994) tot speerpunt te maken van wat toen ‘kringwerk’ heette. Kuitert was hot.

Dat is alles verleden tijd. De naam Kuitert lijkt te staan voor discussies uit een andere eeuw. Er zijn nu nieuwe vragen, andere fronten. Zijn naam valt meestal als een archetype voor protestanten die op rationele gronden allerlei geloofsvoorstellingen hebben opgeruimd.

De eerste vraag die bij me boven kwam toen ik het dit voorjaar verschenen Wat verbeelden we ons wel?! van Eginhard Meijering in handen kreeg was: waarom gaat hij in gesprek met Kuitert? En dat na twee boeken over de relevantie van het vroege christendom. Het antwoord op die vraag vond ik uiteindelijk in zijn Vijftig jaar onder theologen uit 2002. Het alter ego van Meijering in dat boek, Piet, zegt op de laatste bladzijden ergens: “Wil de vrijzinnigheid enige toekomst hebben, dan is een sterke orthodoxie daarvoor een voorwaarde” (202).

Tegen die achtergrond begin ik te begrijpen, waarom de remonstrantse Meijering het gesprek met Kuitert zoekt en hem daarbij zo stevig aanpakt. Aanvankelijk verbaasde de toon van zijn inzet me. Neem alleen de titel al en let daarbij op de leestekens – het lijkt wel een sneer. En het blijft daar niet bij. Meijering schrijft dat hij Kuitert ‘lik op stuk’ wil geven (blz. 8). Verder positioneert hij zich tegenover Kuiterts meest recente zoekontwerp als fundamentalistisch orthodox (16). Dat is even wennen. Niet alleen omdat het geluid uit remonstrantse hoek komt, maar ook omdat de tijd van de felle polemieken met Kuitert achter ons ligt.

Maar Kuitert daagt Meijering blijkbaar nog altijd uit om te formuleren op welke punten hij het al dan niet met hem eens is. Zo schrijft Meijering als in een status confessionis: ‘We kunnen het al sinds meer dan anderhalve eeuw weten, maar tot sommigen schijnt het nog steeds niet te zijn doorgedrongen: de liberale, vrijzinnige theologie is niet wervend…Kuitert lijkt te veronderstellen dat zijn benadering van geloof en theologie de toekomst heeft en doet op grond daarvan ook voorstellen voor de kerk van de toekomst, maar op dit punt ben ik het totaal met hem oneens’(15-16). Daar gaat het Meijering dus om: om de toekomst van de kerk en om de toekomst van de vrijzinnige traditie, die slechts kan bestaan bij de gratie van orthodoxe theologie.

Meijering opent door aan te haken bij Kuiterts verzuchting in zijn laatste boek, dat hij een publiek debat over de grondslagen node mist. Kuitert schrijft: ‘Geloof is er genoeg, meer dan genoeg zelfs. Maar waar halen mensen geloof vandaan?’ (Hetzelfde anders zien – het christelijk geloof als verbeelding, Kampen 2005, 11) Meijering hoopt met Kuitert op een grondslagendebat en wil er middels dit schrijven een bijdrage aan leveren. Mij werd overigens, noch bij Kuitert, noch bij Meijering duidelijk welke vragen dat debat dan precies behelst. Mijn vraag bleef: gaat het in de systematische theologie vandaag de dag niet juist over de verhouding van ontologie en epistemologie en om de theologische doordenking van de linguistic turn? Bedoelt Kuitert niet hetzelfde – al zegt hij het dan zonder vaktermen? Zie bijvoorbeeld: ‘God is van taal’ (191) of ‘onze wereld is ‘van kijk’’ (47)?

Methodisch gesproken kiest Meijering er nogal eens voor, Kuitert met Kuitert te vergelijken. Hij geeft aan met de Kuitert van het Algemeen Betwijfeld Chistelijk geloof heel wat beter uit de voeten te kunnen dan de Kuitert van Schiften en Hetzelfde anders zien. Hij staat daarin overigens niet alleen. In 2004 verscheen naar aanleiding van de tachtigste verjaardag van ‘de man van het beroemdste zinnetje uit de Nederlandse theologiegeschiedenis’ (zo W. Drees over Kuitert; het betreft natuurlijk de quote ‘Alle spreken over Boven komt van beneden, ook de uitspraak dat iets van Boven komt’) de bundel Harry Kuitert: zijn God. In die lezenswaardige bundel geven diverse auteurs (Adriaanse, Brinkman, Van den Brom) ook al aan dat Kuitert in het laatste decennium weer een hele omslag in zijn denken heeft gemaakt. God is voor Kuitert niet langer een werkelijkheid (ook) buiten en boven ons. Meijering spreekt er in dit verband zijn verbazing over uit, dat Kuitert – bij alle recht dat ieder heeft om van mening en inzicht te veranderen – het nodig vindt uitvoerig allerlei voorstellingen te bestrijden waarvan hij tien jaar geleden nog even uitvoerig betoogde dat ze tot het wezen van het christelijke geloof behoorden.

Vervolgens snijdt Meijering een aantal kernthema’s aan.

Het eerste betreft de verbeelding, het sleutelbegrip in Kuitert’s jongste boek. Heel het christelijke geloof zet Kuitert onder die noemer. God zelf is van verbeelding. Geloven is een taalspel. Het kan inspireren – maar het betekent voor Kuitert, dat die verbeelde G/god onmogelijk nog kan handelen of kan zijn. Kuitert zelf spreekt in dit verband over de shift-toets die hij in zijn boek hanteert: van een hoofdletter gaat hij over op een kleine letter. Daarmee is geloven psychologie geworden. En niets ten nadele van de psychologie, maar wanneer geloof uitsluitend een vorm van psychologie is zoals bij Kuitert het geval lijkt te zijn, dan staat een gelovige toch met lege handen? Wat is er nog over van het relationele van geloven – wanneer het geen vertrouwen meer is op iemand?

Meijering laat fraai en ook fair zien, hoe bij Kuitert vervolgens meer verschuift.

Wanneer eenmaal het relationele aspect uit het geloof wegvalt – dan verwordt het scheppingsverhaal tot historische informatie over het ontstaan van de aarde – en dat is toch niet meer aannemelijk? Dan verwordt de zondeleer tot een negatief mens- of zelfbeeld en betekent het dat de christelijke traditie alleen wormstekig over de mens kan spreken – en dat geeft toch geen pas? Dan is het Koninkrijk slechts verbeelding en wensdroom van de Jezusbeweging. En dan is het eeuwige leven komen te vervallen – want het is niets anders dan menselijke projectie post mortem. Op al deze punten laat Meijering zien, dat Kuitert eerder ook anders heeft beweerd, ja, zelfs prachtige zinnen als ‘vriendschap met de Eeuwige is eeuwige Vriendschap’ heeft geconcipieerd. Maar met zijn nieuwste opvattingen rekent Kuitert daarmee af.

Toch is het niet alleen de Werdegang van Kuitert die Meijering beschrijft. Hij stelt er ook iets tegenover en kiest positie: ‘Kuitert verandert het christendom in een religie van het eeuwige hier en nu. Ik ben van mening dat het christendom hierdoor niet alleen een ander jasje aan zou krijgen, maar een heel ander persoon in dat jasje zou zitten. In die persoon zou ik mijn geloof in ieder geval niet meer herkennen’(58). ‘Willen we het in de kerk doen zonder een God buiten ons? Mijn antwoord luidt: nee’(59).

Ook aan het eind van zijn boek komt Meijering opnieuw over dat verschil tussen religie en geloof te spreken. Kuitert, die al dertig jaar geleden afscheid nam van de barthiaanse visie, heeft in die zin gelijk gekregen dat de religieuze mens niet uitgestorven, maar springlevend gebleken is. Het is alleen de vraag hoe kritisch de kerk daarmee omgaat en of ze nog weet te onderscheiden tussen religie en geloof. Dat ligt Meijering na aan het hart.

Al lezend deed het me denken aan de vraagstelling die Leonard Hodgson in zijn dagen als hét thema van de Vroege kerk beschouwde (een vraagstelling die overigens onlangs door Robert Louis Wilken weer opnieuw onder de aandacht werd gebracht): Should religion transform the theology or should theology stifle the religion? Is dat niet wat in het gesprek tussen Kuitert en Meijering op het spel staat? Waarbij Kuitert staat voor de ene positie en Meijering voor de andere? Ik kwam niet meer los van deze vraagstelling. Alleen daarom al deed het gesprek van Meijering met Kuitert me zo goed: het legt die belangrijke vraag voor kerk en theologie in deze tijd op tafel.

Eén ding nog. Hoezeer Meijering ook tracht Kuitert recht te doen, het boekje houdt onvermijdelijk iets van een eenzijdig aangegaan gesprek. Je vraagt je af hoe Kuitert erop zou reageren – gesteld dat hij dat doet. Maar sneller dan verwacht kreeg ik daarover uitsluitsel. De opleidingsgids die onlangs in de bus viel bij alle PKN-predikanten bracht het nieuws. In Leiden staat er komend najaar een gesprek tussen beiden gepland. Er nadert dus een volgende ronde van de serie ‘Kuitert in gesprek met…’. Rijdt er dit keer nog iemand mee?

Peter Verbaan.

(n.a.v. E.P. Meijering Wat verbeelden we ons wel?! Overwegingen bij Harry Kuitert Zoetermeer 2006 79 blz. Eu 9,90)

terug naar inhoudsopgave

volgende artikel