Van Gennep en Barth

In prijzenswaardige openhartigheid heeft Van Gennep ons deelgenoot gemaakt van zijn gemengde gevoelens over Barth. 1)

Hij heeft iets met Barth, zoals wij trouwens allemaal bij In de Waagschaal. Hij heeft ook het een en ander tegen Barth, en ook daarin zal hij geen uitzondering zijn, denk ik. Je moet wel heel slaafs zijn om het met alles eens te zijn Barth heeft gedaan en gezegd. Maar Van Gennep heeft niet alleen kritiek op Barth. Barth zit hem dwars. Met Barth kan hij geen ernstig gesprek met zijn kinderen voeren. Door Barth wordt de broodnodige communicatie met de geseculari­seerde mens belemmerd. Barth maakt het je onmogelijk om met een goed geweten en in goed vertrouwen je rationaliteit volledig te benutten. Kortom: bij de dringende opgaven waar wij nu voor staan is Barth een blok aan ons been. Aan de andere kant: in gesprek met feministische theologen vlucht Van Gennep naar Barth terug. Met het oog op allerlei religiositeit blijft Barths religickritiek onmisbaar. Van Gennep wil van Barth loskomen, maar het wil niet lukken.

Zijn ontboezemingen gaan ons ter harte voor zover zij ons helpen (of verhinderen) om zelf tot een waardering van Barths theologie te komen. In het beeld dat hij van Barth geeft herken ik verschillende trekken van Barth, maar lang niet alle. En ik vraag mij zelfs af of het de meest wezenlijke zijn. Nu ontstaat zo’n beeld uit een samenspel van vele factoren. Je levens- en denkstijl, je levenservaringen en je levensgeschiedenis, de invloed (positief of negatief) van je leermeesters, de preoccu­paties van je vakgebied en nog vele andere dingen spelen er in mee. Wat in elk geval en vaak aantoonbaar een grote rol speelt is de benaderingswijze. Ik kom bij Van Gennep een benadering van Barth tegen die je ook bij anderen aantreft, en die samenhangt met het feit, dat Barths theologie niet meer tot de actualiteit, maar tot het verleden behoort. De directe confrontatie waarin gemeenschappelijk naar waar­heid wordt gezocht maakt plaats voor afstandelijkheid. Bij Van Gennep blijkt deze distantie op drie manieren:

  1. Van Gennep concentreert zich op de genese van zijn theologie bij de jonge Barth als reactie op de negentiende eeuw. Wat Barth heeft gezegd wordt verstaan vanuit een reconstructie van de manier •waarop hij er toe gekomen is. Zo begrijpen wij wat Barth bedoelt wanneer hij een verburgelijkt christendom voorhoudt: „God is God”.
  2. Barths denken wordt geanalyseerd en gekarakteriseerd vanuit een gezichtspunt dat buiten dit denken ligt,   bijvoorbeeld in filosofische vergelijking met andere denkers: Barth keert het idealisme om. Of Barth wordt geplaatst in een cultuurhisto­ rische visie; Barth ontdekt met vele anderen in het begin van deze eeuw de beperktheid van het menselijk subject.
  3. Barth wordt begrepen als de voortbrenger van een bijzonder slag mensen dat niet kan luisteren, dat zich alleen op zijn gemak voelt in zijn eigen theologisch dieventaal- tje, dat vragen van anderen niet kan toelaten, dat buitenstaanders zijn bedoelingen niet kan uitleggen en dat een broertje dood heeft aan argumenteren: de barthianen. Ook deze drievoudige distantie is niet nieuw. De aandacht voor de denkontwikke­ ling van de jonge Barth, de meta-theologische analyse van godsdienstwijsgerige of cultuurhistorische, snit vinden we ook in recent Barthonderzoek en de frustraties in de omgang met barthianen vinden we precies zo bij   Kuitert.   Nieuw is deze afstandelijkheid echter wel in In de Waagschaal. Nieuw is ook dat Van Gennep deze benadering (die tot nieuw inzicht leidt in deelaspecten van Barths werk; bepaalde dingen zie je scherper op een afstand) opneemt in een persoonlijk gevecht met Barth. Hij heeft in elk geval iets met Barth. Daarom hoor ik des te opmerkzamer wat hij tegen Barth heeft. Het zit Van Gennep hoog. Hij heeft behoefte aan een fikse ruzie hierover in de redaktie van In de Waagschaal. Ik (nog) niet. Ik heb eerder behoefte aan Die kan wel eens door ruzie teweeggebracht worden. Maar wanneer een ruzie te vroeg komt blijft er vaak niet veel meer van over dan verwarring en ontreddering.

Ik wil daarom volstaan met enkele kanttekeningen te plaatsen bij het beeld dat Van Gennep van Barth tekent. 2)

  1. Van Gennep heeft vooral oog voor de kritische functie van het „God is God” bij de jonge Barth. De goddelijkheid van God geeft echter tegelijk ruimte aan de menselijkheid van de mens; het menselijk leven hoeft niet vergoddelijkt te worden om de moeite waard te zijn.
  2. Door haar in haar godsdienstkritische functie te verstaan formaliseert Van Gennep de uitspraak „God is God” en dreigt het woordje „God” te worden ontledigd. „God is God” wordt dan formeel vergelijkbaar niet „Befehl ist Befehl”, Barth doelt met deze uitspraak echter op een hoogst bepaalde God: de HERE van het volk Israël en de Vader van Jezus Christus. Hij heeft dat weliswaar pas later breed ontvouwd, maar het zit er reeds bij de „Anfange der dialektischen Theologie” helemaal in. In dat kader is de uitspraak „God is God” volstrekt niet vergelijkbaar met „Befehl ist Befehl”, maar het tegendeel ervan. Dat weet Van Gennep natuurlijk ook wel. Hij zegt alleen: dat kan ik mijn kinderen niet duidelijk maken. Ook niet wanneer de positieve strekking, het bevrijdende van deze belijdenis voorop wordt gesteld?
  3. Het „God is God” scherpt ons in dat God nooit ons bezit wordt, zegt Van Gennep terecht. Dat wij Hem niet tot ons eigendom kunnen maken, neemt echter niet weg dat Hij zich zelf tot „onze God” heeft gemaakt. Barth heeft de uitspraak „God is God” dan ook uitgelegd (en niet vervangen) door de uitspraak: „God is mens geworden”. Daarin blijkt zijn goddelijkheid die niet abstract maar concreet, niet theoretisch maar levensecht, niet veraf maar dichtbij is.
  4. Van Gennep is onder de indruk van Barths intellectuele genialiteit. Wie niet? Ik ben echter nog meer onder de indruk van Barths vroomheid, als ik het zo eens noemen mag. Ik bedoel daarmee de verwachting waarmee hij zich telkens weer tot de Schrift heeft gewend om daar iets nieuws te horen. Die luisterhouding is de fundamentale relativering van elke denkbeweging en alle dcnkconstructies. Deze zelfrelativering is fundamenteel in Barths theologie, zij komt van binnenuit, want de grond van deze theologie ligt buiten de theologie en de theoloog.
  5. Maar juist deze zelfrelativering van de theologische denker zint Van Gennep niet. Voor hem is het een variant van „intellectuele zelfnegatie” en maakt het deel uit van de verrassende samenzwering tegen het menselijk subject aan het begin van deze Alleen door volstrekte formalisering van zijn denken kun je Barth een plaats geven in deze totaalvisie. Marx, Freud, Husserl, Barth, ze deden eigenlijk allemaal hetzelfde. Hier is ook niets tegen in te brengen wanneer je het ziet, zoals Van Gennep het ziet. Maar is het wel goed gezien? Hoe verder je je gezichtspunt buiten de stof neemt (met andere woorden; hoe sterker het ‘meta’-karakter van je benadering is), hoe meer verschijnselen je onder één hoedje kunt vangen. Maar watje in dat hoedje vindt is onherkenbaar geworden. Wat hebben de productieverhoudingen bij Marx gemeen met God bij Barth? Dat ze de mens tot object maken zegt Van Gennep. Maar bij Marx wordt dat zichtbaar gemaakt door middel van een verklaring van die productieverhoudingen die wetenschappelijk pretendeert te zijn, bij Barth kan er alleen over gesproken worden in het geloof dat deze onzichtbare werkelijkheid zichzelf kenbaar maakt. Alle vergelijkingen zijn mogelijk, maar wat is eigenlijk de zin van deze vergelijking? Wie formeel Barth en Marx bestudeert kan zich erover verwonderen dat niet alle barthianen marxisten zijn. Wie hen materieel bestudeert verwondert zich erover dat er barthianen zijn die marxist zijn. Want het is niet waar dat bij Barth God de mens tot object maakt. Maar daarmee ben ik al bij mijn volgende punt.
  6. Omdat God subject is, is de mens object, zegt Van Gennep. Dit is de halve Wanneer God de mens aanspreekt is de mens inderdaad het object van die- aanspraak. Maar diezelfde aanspraak doet hem antwoorden en creëert zijn subjectivi­ teit. God maakt de mens tot subject. Dat is het geheim van Barths theologie. God maakt de mens vrij om zelf te handelen en zijn verstand te gebruiken. In zekere zin gaat het Barth inderdaad om de verlangens van de Verlichting: vrijheid en redelijk­heid. Maar Barth wist dat de mens daartoe bevrijd moet worden en dat deze bevrijding alleen van God kan komen. Barth maakt de mens niet tot object waarbij er smalle marges van menselijke vrijheid overblijven. Barth bedenkt hoe de onvrije mens, gevangen juist in zijn waan vrij te zijn, vrij wordt gemaakt. Ook vrij om God te kennen en zelfs God te denken. Het staat echt m de KD: God wordt object van ons kennen en denken. Hij wordt dat in de dankzegging en in de lofprijzing, in een bevrijde en geheiligde rationaliteit. Men kan natuurlijk zeggen: Barth bedoelt met ‘subject’, ‘vrijheid’, ‘rationaliteit’ heel iets anders dan wat ons, pakweg sinds de Verlichting, met deze begrippen voor ogen staat. Dat is ook zo. Barth heeft daar zo zijn redenen voor. Vóór hem ervan te beschuldigen dat hij vrijheid, subjectiviteit en rationaliteit verkwanselt, moet men die redenen peilen. Ik begrijp niet waarom Van Gennep wel Barths kritiek op de religie voor zijn rekening neemt, maar niet zijn kritiek op onze rationaliteit. Verdient onze rationaliteit meer vertrouwen dan onze religiositeit en waarom dan?
  7. Hierbij kom ik bij mijn laatste punt. Het is een vraag, geen kritische, geen retorische, maar een echte. Wat bedoelt Van Gennep nu eigenlijk met ‘rationaliteit’, ‘symbolische rationaliteit’, ‘rationele argumenten’, ‘toetsen’. Kennelijk is hij op zoek naar iets dat hem nog niet helemaal helder voor ogen staat, maar hij \veet toch wel ongeveer wat hij zoekt. Ik niet. Welke rationaliteit, welk soort argumenten, welk toetsingscritcrium wil hij in de theologie invoeren?

Ik herinner me een redaktievergadenng waarin werd opgemerkt, dat de zegswijze „daar kunnen we niet meer achter terug” ons vastpint op gangbare vanzelfsprekend­heden en de discussie doodslaat. Wat Van Gennep toen zei is me altijd bijgebleven: ,Je kunt niet meer terug achter watje zelf als waarheid hebt ontdekt en ervaren”. Dat de omgang met de bijbel ons leven bewaart en redt van de vertwijfeling, dat Christus present en werkzaam is ook al zien wij dit maar „soms”, „even” dat God altijd anders blijkt te zijn dan wij dachten (ook als we niets anders doen dan roepen dat Hij „anders”, dat Hij God is) – dat zijn de ontdekkingen en ervaringen waar Barths theologie van leeft. Of moet ik hier nu gewoon zeggen; waar de theologie van leeft? Want dat de ware gemeente, het echte geloof en de rechte theologie ontspringen aan de verwondering en verbazing, aan de verbijstering en verrukking over de God van de bijbel, nee, daar kunnen we niet achter terug, ook al is het niet gangbaar, niet vanzelfsprekend en geeft het altijd aanleiding tot levendige discussie.

J. Muis

1) Zie in deze jaargang van IdW no. 7, 222, 223; no. 8, 252, 253; no. 9, 283, 284; 110. 10, 318, 319.

2) Ik laat daarbij buiten beschouwing wat reeds is opgemerkt door J. D. de Boer in no. 10, 315-317.

 

In de Waagschaal, nieuwe jaargang 17, nr. 12, 8 oktober 1988