Van Gennep en Barth II

Misschien kan ik Van Gennep nog wat verder uit zijn tent lokken door mijn vragen aan zijn adres aan te scherpen.

  1. Van Gennep reageert (1) op de twee punten uit mijn bijdrage die hem het meest bezighouden. Wat mij het meest ter harte gaat laat hij rusten: Barths ‘vroomheid’, zijn bereidheid om telkens vol verwachting naar de Schrift terug te keren om daar zijn denkarbeid van voren af aan te beginnen. Deze houding is wezenlijk voor Barths streven naar een bijbelse theologie. Zij kan niet worden uitgesloten bij een analyse van deze theologie, zoals Adriaanse meent. (2) Wie zich tot het ‘theoretisch gehalte’ beperkt maakt er een andere theologie of zelfs filosofie van. Daarom vind ik het onverteerbaar dat Van Gennep gewoon doorgaat met Barth ‘ideologische stelligheid’ in de schoenen te schuiven. Deze is misschien bij de jonge Barth en zeker bij menig barthiaan aanwijsbaar. Voor de schrijver van de Kirchliche Dogmatik is het een belediging.
  2. Van Gennep geeft geen antwoord op mijn vraag waarom onze rationaliteit meer vertrouwen verdient dan onze religiositeit. Hebben Barths kritiek op de religie en op het rationalisme niet dezelfde theologische wortel? Van Genneps zorg om de vertaal­ baarheid en de verstaanbaarheid van het evangelie in onze huidige cultuur is geheel de mijne. Maar ik krijg de indruk dat hij verstaanbaarheid koppelt aan (redelijke) aanvaardbaarheid. We moeten Gods ‘Denkbarkeit’ en zijn ‘Sagbarkeit’ (3) onderschei­den. Het is niet onze taak de redelijkheid (van welke aard dan ook) van het Godsgeloof aan te tonen, wel om de Ondenkbare verstaanbaar ter sr rake te brengen (en met het oog daarop te ‘denken’). Barth leert mij dat dit onmogelijk is zonder te luisteren naar de Schrift. Bovendien noopt zijn theologische inzet mij ertoe, me af te vragen of in het kritisch rationalisme van Popper, de theorie van het communicatieve handelen van Habermas en de symbolische logica van Ricoeur niet een materiele norm voor ons spreken (of zwijgen) over God is voorondersteld. Het evangelie kan worden afgewezen omdat men het niet verstaat. Het kan ook worden afgewezen omdat men het maar al te goed verstaat. (4)

J. Muis

 

1)  IdW nw.pg 17, 373-377.

2)   H. J. Adriaanse, Zu den Sachen selbst, ‘s Gravenhage 1974, 147.

3)   Dit zijn termen van E. Jüngel, Gott ah Geheimnis der Welt, Tübingen 1977, in de titels van deel C en D.

4)   H. Berkhof, Bruggen en bruggehoofden, Nijkerk 1981, 70.

 

In de Waagschaal, nieuwe jaargang 17, nrs. 12,13. 8 oktober 1988, 22 oktober 1988