Weimar en het humanisme: Cranach

logo-idW-oud

 

WEIMAR EN HET HUMANISME: CRANACH

I
Je moet maar op het idee komen om je jeugdherberg ‘Germania’ te noemen. Zoiets kan alleen in dat Thüringse stadje aan de Ilm dat model staat voor het ideaal van het Duitse humanisme: Weimar. Het moest de bakermat worden van het nieuwe Duitsland na de wereldoorlog, dat zijn troon en altaar verruilde voor kunst, cultuur en parlement. Of dat, na de tweede wereldoorlog, herinnerde aan de humane, burgerlijke wortels van het socialisme. Want Weimar, dat waren Goethe en Schiller, in 1857 broederlijk verenigd in een standbeeld op het Theaterplatz (waar in 1850 de première van de Lohengrin van Wagner plaatsvond). Maar ook Jugendstil en Bauhaus waren hier rond. In 1902 kwam de Belg Henry van de Velde op uitnodiging naar Weimar en stichtte met confraters een Kunstschule waar de ‘art nouveau’ verder ontwikkeld werd; in 1919 begon hier Walter Gropius het Bauhaus. En er is die kostbare bibliotheek van de hertogin Anna Amalia die in 2004 door een hevige brand werd getroffen, maar die gelukkig grotendeels bleef bewaard en nu als ‘brandpunt’ alle Duitstalige (ook vertaalde) literatuur over de Verlichting heeft. Kortom: als er ergens een aanknopingspunt voor het humanisme moet zijn, dan toch hier…

Maar het ‘project Weimar’ heeft het niet gered. Gropius vertrok in 1925 naar het vooruitstrevendere Dessau, om tot slot voor de nazi’s naar Berlijn te moeten vluchten. En in de DDR kon weliswaar een boek verschijnen als “Von Luther bis Liebknecht. Ein Lesebuch”, waarin de canon van Duitsland werd verbeeld als de ontwikkeling van protestantisme tot ‘radenrepubliek’, met daarin uiteraard ruim plaats voor de Weimarer vrienden, ook die lijn heeft het niet gewonnen. Dit classicistisch stadje, met zijn lieflijke park en Goethes ‘Gartenhaus’, de offciële feestzaal in het Slot voor de poëtische godenzonen Goethe, Schiller, Wieland en Herder; zijn collectie vooral Duitse meesters (Cranach, Dürer, Grien, impressionisten, expressionisten); en zijn nauwe straten, relatief kleine kerken en zijn tweedehandsboekwinkels met verantwoorde literatuur – dit stadje, zo bezijden de ‘echte wereld’ en met Buchenwald een aantal kilometers verderop, is verkeerd juist tot een triest symbool van het mislukken van het klassieke humanisme. Zijn de ‘barbaren’ daarvan de schuld, of zit er ook iets in dat humanisme zelf dat niet helemaal deugt?

Als weinig andere landen vecht Duitsland met zijn canon. Dat is begrijpelijk en verdient geen leedvermaak. Het is de strijd van een ‘Germaanse ziel’ die overhoop lijkt te liggen met zichzelf; die eeuwig op zoek is naar een vorm, die hem nooit helemaal past. In de Duitser zit iets anarchistisch, hij heeft moeite met de wet, met ordening en vormvastheid. Je kunt ook zeggen: zijn ideaal is niet schoonheid, evenwicht en harmonie, maar hij is vooral bewogen door iets wat daaraan nog ten grondslag ligt, noem het liefde of waarheid. Misschien is het veelzeggend dat ‘germanus’ in het Latijn ‘echt’ of ‘waar’ betekent, naast ‘van dezelfde familie’. In dit laatste herken je iets van de gerichtheid naar binnen die veel Duitsers hebben. Hij wil ‘zu den Sachen selbst’; wantrouwt de overgeleverde vormen. Het maakt hem ook ‘familiair’. We stappen opnieuw de Herderkirche binnen en bekijken met deze ogen het beroemde triptiek van Lucas Cranach.

II
Als Luther in Wittenberg zijn reformatie begint, vindt hij daar al snel de ruim tien jaar oudere schilder Lucas Cranach (1472-1553) aan zijn zijde. Net als Dürer en Holbein ontwikkelt Cranach een krachtige, expressieve tekenlijn, met vele harde koppen. De wat vlakke taferelen met symbolen verdwijnen ten gunste van de naakte mens; zo bijvoorbeeld zijn Adam en Eva uit 1513, die al hard op weg zijn uit hun kerkelijke contekst te treden. Maar dan, vanaf 1520, is hij een tijdlang slechts ‘tekenaar’ van kopstukken uit een bewogen tijd. Dit zijn geen heiligen of zondaars meer, maar ontlui-kende, zelfbewuste burgers. Niet alleen Luther wordt vele keren portretgeschilderd (Cranach schiep de bekendste Lutherkoppen), maar net zo goed zijn ‘huisvrouw’ Katharina von Bora, in precies dezelfde grootte. Zie aan, hoe langs de weg van de portretkunst kerkelijke kunst seculariseert: de mens mag in het midden staan.

In het najaar van 1552 verhuist Cranach naar Weimar, woont daar nog een jaar voordat hij overlijdt, en begint er aan zijn laatste werk. Zijn zoon Lucas de Jongere zal het afmaken. En dan zien we een toch wel eigenaardig schilderij ontstaan. Dat op het linkerpaneel keurvorst Frederik de Grootmoedige en zijn vrouw Sybilla afgebeeld zijn, is geen stijlbreuk. Frederik koos partij voor de reformatie en stichtte de universiteit van Weimar. Dat op het rechterpaneel ook hun drie zonen afgebeeld staan is iets over the top, maar zorgt voor enig evenwicht. Maar op het hoofdpaneel wordt dit evenwicht omwille van de waarheid grondig verstoord.

In het midden zien we een kruis met de mensenzoon genageld. Rechts van hem vertreedt hij als de opgestane Heer met een speer van licht draken en monsters. Links van hem staat Johannes, wijzend met zijn rechterhand naar hem en met zijn linker naar het bokje aan diens voeten. Maar hij kijkt opzij naar…. Martin Luther, links van hem, die druk de Schrift uitlegt en zijn ogen direct gericht houdt op de hemel. En wie staat er tussen Johannes en Luther in? De oude Cranach himself, na zijn overlijden door zijn zoon er nog even bijgezet. De verfkwast ontbreekt er nog net aan, maar hij heeft zijn handen vroom gevouwen en vooruitgestoken. Maar het bloed uit de zij van Jezus spuit in de vorm van rode verf wel precies op hem, terwijl zijn ogen recht in de lens kijken.

Dat is natuurlijk een flinke scheut anarchisme ten aanzien van de kerkelijke iconografie. Johannes en Luther staan samen aan de voet van het kruis. Dat is al tamelijk ongehoord. Maar Luther vouwt niet in aanbidding zijn handen: hij legt de Schrift uit, terwijl hij Jezus niet eens ziet. Wilde Cranach breken met de traditie om kerkelijke en wereldlijke gezagsdragers vaak knielend in hun vroomheid neer te zetten? Wilde hij Luther juist tekenen in zijn ambt om ongelijk-tijdig aan Christus toch direct zíjn getuige te zijn? Luther stáát voor zijn zaak als schriftuitlegger, dat is wel duidelijk; juist omdat hij niet naar Jezus kijkt maar zijn werk verricht, is hij zijn actuele getuige en zelfs representant. Overtuigend zie je hier de theologische beslissing van Luther verbeeld dat de vrijheid van een christen erin bestaat om ieders knecht, maar ook ieders heer te zijn. Om je niet boven de kleinste zondaar te stellen, én niet onder de grootste heilige – over anarchisme gesproken. Niet de fragiele Jezus, maar de stevige Luther in zijn zwarte toga lijkt op dit schilderij zelfs het rustpunt te zijn. Terwijl Johannes meer een wacht en bemiddelaar geworden is, die hem gedurig aan Jezus herinnert.

Maar hoe spannend ook, dit anarchisme zit me niet lekker. Het doet me denken aan het graf van Bach in de Thomas-kirche: pontificaal, midden in het koor. Iets minder had misschien ook gekund… Het is de paradox van Luther dat hij, die juist aan alle heiligen voorbij direct op Jezus wilde wijzen, zélf een heilige bij uitstek werd, en dan nog haast van de profane soort. Wat doe je, als je uit eerbied voor Christus alle heiligen gaat schrappen? Voordat je het weet, ga je staan op hun plaats. Wat doe je als je uit eerbied voor God elk wereldlijk of kerkelijk gezag ontkent en ondermijnt? Als je niet oppast, word je zelf de onaantastbare verkondiger van de waarheid.

Ik kan me maar niet aan de indruk onttrekken dat in dit schilderij van Cranach niet alleen twee vrome christenen komen binnenwandelen, maar ook twee burgers, die de natuurlijke omgeving van Christus, dus zijn getuigen in hemel op aarde, niet meer erkennen. Die heel bewust uit die kerkelijke orde stappen om zelf te gaan staan waar anderen in tijd en plaats voor hen stonden. Die beroemde mens van het humanisme – is die misschien zelf, o schrik, een product van het anarchisme dat haaks op elke orde staat? Is die beroemde mens een tikkeltje rancuneus misschien, omdat hij zelf geen God of vorst, geen heilige of hertog is?

Je hoeft niet direct terug te willen naar een standenmaatschappij om te onderkennen dat niemand zomaar dé mens representeert – behalve hij daar aan het kruis. Zie: de mens.

Wessel ten Boom

1 Ik citeer de vertaling in de uitgave Spruit, Feenstra, Wubbe van het Corpus Juris Civilis (deel VI, 2001). Paulus is de jurist Julius Paulus uit het begin van de derde eeuw.
2 Vgl. W. Brede Kristensen, Inleiding tot de godsdienstgeschiedenis (19762), 40-52.
3 Rechtbank ’s Gravenhage, 7 september 2005, 03/3395, r.o. 3.6.