Schepping en evolutie

logo-idW-oud

 

SCHEPPING EN EVOLUTIE

Er wordt in dit Darwinjaar heel wat geschreven over schepping en evolutie. Ik heb het niet allemaal kunnen lezen en wat ik wel gelezen heb was niet altijd even belangrijk. Maar er waren toch artikelen die eruit sprongen. In een daarvan vertelde iemand over een nog niet lang getrouwd echtpaar, waarvan de vrouw ziek werd. De dokter onderzocht haar met zijn kennis en schreef een behandeling voor. Intussen stond haar echtgenoot haar zo goed mogelijk bij. De schrijver van dit artikel stond erbij stil dat de arts en de echtgenoot op heel verschillende manieren naar die vrouw hebben gekeken: de eerste met zijn natuurwetenschappelijke kennis en de tweede met de ogen van de liefde. Hij vergeleek deze twee verschillende manieren met de manier waarop er in de evolutietheorie naar het ontstaan van mensen en dieren wordt gekeken en de manier waarop er in de Bijbel over de schepping van dieren en mensen wordt gesproken. Zij hebben het alle twee over één en dezelfde werkelijkheid. Daar ligt mijns inziens het probleem van schepping en evolutie. (Voor alle zekerheid: die vrouw is helemaal hersteld, ze ‘functioneert’ zo goed als ze maar wensen kan.)

Evolutie

‘Zo zien we dat de mens afstamt van een harige viervoeter, uitgerust met een staart en puntige oren.’ Met deze woorden bracht Darwin de mensheid in opschudding. Inderdaad, met een overweldigend grote hoeveelheid materiaal kan de evolutieheorie zeer plausibel maken dat ‘we van de apen afstammen’. Dat laatste is overigens niet nauwkeurig geformuleerd. Mensapen, zoals de chimpansee, en wij hebben een gemeenschappelijke voorouder, Lucy genaamd. Ik ben ooit naar het Tropenmuseum in Amsterdam gegaan om het gereconstrueerde skelet van Lucy te bewonderen. Ze deed me niets en ik dacht alleen: nou, dat zal dan wel zo zijn.

Ik heb overigens wel geconstateerd dat er in de theorieën over de oudste mens veel kan veranderen. Enkele tientallen jaren geleden heb ik me aan de hand van Manuel de préhistoire générale van Raymond Furon (Parijs 1958) in deze dingen verdiept. Het was toen: 600.000 jaar geleden: een aapmens die rechtop liep, 150.000 jaar geleden de Neanderthaler en sinds 60.000 jaar ‘mensen zoals wij’. Wanneer kon je van mensen spreken? Dat kon je wanneer je kon zien dat er vuur was gemaakt, werktuigen gebruikt en doden begraven waren. Maar in A short history of nearly everything van Bill Bryson (Great Britain 2003) is alles heel anders. Lucy blijkt een dubieuze figuur te zijn: betwijfeld wordt of zij terecht de ereplaats in de evolutie inneemt die haar is toegedacht. Dankzij de vondsten van de Leakeys in Kenia wordt er nu gesproken over de homo erectus, de rechtop lopende mens, die de door Furon genoemde kenmerken van het mens-zijn vertoont. Hoe oud is hij? Twee miljoen jaar, één miljoen of veel jonger? Daarover is verschil van mening. Ongeveer 100.000 jaar geleden verschijnt de homo sapiens, de verstandige, wijze mens – wij dus!

Er zijn grote verschillen tussen Furon en Bryson en hoe zal de evolutietheorie er over vijftig jaar uitzien?
Wij mogen natuurlijk gebruik maken van de kenmerken van Furon, maar wat maakt volgens de Bijbel de mens tot mens? Ik meen: de mens is mens omdat hij door God aangesproken wordt en antwoordt. Dat antwoord kan faliekant verkeerd zijn, bijvoorbeeld wanneer hij achter andere goden aansjouwt, maar antwoorden doet hij. Marx zei dat de eerste mens een werkende aap was. Ik heb er geen principieel bezwaar tegen te zeggen dat de eerste mens een door God aangesproken aap was. Maar er zal wel nooit een schedel gevonden worden waar een steentje bij ligt met het opschrift: hij/ zij was de eerste door God aangesproken aap. Betekent dat niet dat de eerste mens voor de theologie niet te vinden is?

Ik zie niet in wat er tegen de evolutietheorie is te brengen is. Maar ik protesteer wel wanneer van de evolutietheorie een evolutiegeloof en daarmee een levens- of wereldbeschouwing wordt gemaakt. Bijvoorbeeld wanneer je met de Amerikaanse paleontoloog Gould zegt: ‘De mens is het resultaat van een doelloos en natuurlijk proces dat hem niet bedoeld heeft’. Want wat kun je nog met je leven wanneer je dat zegt?

Kan er nog sprake zijn van de moraal wanneer je het evolutiegeloof aanhangt? Wanneer je het nationaal-socialisme ziet als sociaal-darwinisme ben je niet ver bezijden de waarheid: we slaan zoveel mogelijk Joden en mensen van het Slavische ‘ras’ dood, omdat het sterkste ‘ras’ de baas is, kortom, survival of the fittest. Wat kan een evolutiegelovige hiertegen inbrengen? Ik las ergens dat in de evolutieleer altruïsme wel degelijk mogelijk is. Maar dan blijft dit altruïsme toch iets van soortgenoten: je helpt elkaar tegen aanvallen van een andere soort of je probeert samen een andere soort uit te roeien.

Schepping

Geen bezwaar dus tegen de evolutieleer, zolang je er maar geen levens- of wereldbeschouwing van maakt. Het geloof dat God, de Vader de almachtige, hemel en aarde geschapen heeft, heeft alles te maken met de manier waarop je je leven opvat en je in de wereld staat. God heeft hemel en aarde geschapen met het oog op zijn verbond met de mens. De zes dagen van Genesis 1 betekenen dat de schepping op de menselijke maat toegesneden is. Een dag is het hapje tijd dat de mens aankan: na een uur of zestien al dan niet bezig geweest te zijn moet hij zijn bewustzijn afgeven en gaan slapen. Aan de zes dagen kan de mens dus al merken dat de schepping alles met hem te maken heeft. Verder: in Genesis 2, 7 blaast God de mens de levensadem in – de dieren leven natuurlijk ook, maar bij de mens wordt er even bij vermeld dat hij zijn leven aan God te danken heeft. Dat maant hem tot enige bescheidenheid.

Welke bezwaren hebben de creationisten tegen de evolutietheorie? Ik vermoed dat zij denken: als het ontstaan van het leven veel en veel langer heeft geduurd dan de Bijbel over de schepping vertelt, wist God dat dan niet toen Hij door zijn Geest de Bijbelschrijvers inspireerde? Ik zou op dit bezwaar antwoorden: de Bijbelschrijvers hadden een ‘naïef’ wereldbeeld, wisten van geen natuurwetenschap af en zijn zo door de Geest in dienst genomen. Laten we wel wezen: in het leven van iedere dag gebruiken wij dit ‘naïeve’ wereldbeeld ook nog en ik neem aan dat ook de meest fanatieke evolutiegelovige nog zegt dat de zon opgaat.

Volgens de evolutietheorie is er al gestorven zolang er leven is geweest. In een ander artikel over schepping en evolutie las ik dat dit overeenkomt met wat Paulus in Romeinen 8, 18-25 zegt over de vergankelijkheid waar de schepping tegen haar wil aan is onderworpen. (Volgens Bauers woordenboek bij het NT betekent mataiotès in vers 20 vergankelijkheid en is phthora in vers 21 het verderf waarin je terechtkomt doordat je onderworpen bent aan de vergankelijkheid.) Eerst leek mij dit wel wat, maar bij nader inzien vind ik dit toch geen goed gebruik van Romeinen 8: het gaat de apostel hier in de eerste plaats om de bevrijding tot de vrijheid van de heerlijkheid van Gods kinderen.

Uit Calvijns commentaar op Romeinen 8 maak ik op dat Adam door te zondigen de hele schepping in de ellende heeft gestort. Dat zeg ik hem, gezien de evolutietheorie, niet na. Maar je kunt wel zeggen dat de mens voor planten en dieren veel meer een ramp dan een zegen is.

Er staat in de bijbel meer over de schepping dan Genesis 1 en 2, bijvoorbeeld Kol. 1, 15-17.

Het probleem

Wanneer ik nadenk over wat er van de evolutietheorie tot mij is doorgedrongen komt er een gevoel van verwondering èn een gevoel van verbijstering over me. Het eerste om de schitterende constructie van het menselijk brein, waar de evolutie dan toch maar op uitgelopen is. Het tweede om de vele, vele planten en dieren die zomaar uitgestorven en verdwenen zijn. Schiet mij dan ook een Bijbeltekst over de schepping te binnen? Nee, bij het tweede wel de verbijstering die spreekt uit Prediker, bijvoorbeeld uit 3, 16-4, 6.

In het geloof kennen wij op een manier die ontspringt aan gekend worden. Zoals we in psalm 139 zingen: ‘Heer, die mij ziet zoals ik ben, /dieper dan ik mijzelf ooit ken, / kent Gij mij’. Dat is de kennis van het bemind worden en van daaruit liefhebben, waar de Bijbel vol van is. De gekruisigde en opgestane Jezus Christus heeft ons in het verbond opgenomen, zodat wij beginnen de eerste schreden als verbondsmensen te doen. Naast de kennis van het geloof is er de kennis van de natuurwetenschap. Ze richten zich op één en dezelfde werkelijkheid. Wat nu? Boedelscheiding? Ik voel daar veel voor maar kan die in dit artikel al niet volhouden. (De lezer zal gemerkt hebben dat ik er van uitga dat er voor de schepping niets bestond. Ik doe dat omdat ik denk dat de schepping uit het niets, creatio ex nihilo, in de dogmatiek de sterkste papieren heeft.)

Wijze woorden van H. M. van Praag: ‘Ik geloof dat zielenleven en het materiële leven verschillende werelden zijn. Zij hebben raakvlakken, beïnvloeden elkaar, hebben elkaar nodig, maar je hoeft ze niet te mengen’. Dan lijkt boedelscheiding mij niet onmogelijk.

Nu Darwin zelf. Hij zegt in het voorwoord bij de eerste druk van The origin of species: ‘Ik ben ervan overtuigd dat natuurlijke selectie het belangrijkste, maar niet het andere middelen uitsluitende middel is waardoor mutaties tot stand zijn gekomen!’(Cursivering van mij –AAS) In het voorwoord van de zevende druk merkt hij toornig op dat niemand zich daarvan iets aangetrokken heeft. Darwin was dus geen darwinist.

Waarvan akte.

A.A. Spijkerboer