Over het voelen van woede

logoIdW

OVER HET VOELEN VAN WOEDE

Woede en christelijk geloof: het is een ongelukkige combinatie. In het christendom staan woorden als vergeving en liefde en vrede centraal. En wie als gelovige (nog) woede of boosheid voelt, heeft op zijn minst nog een lange weg te gaan. Want woede valt niet te rijmen met alles wat we voor christelijk houden, woede is niet wat God van ons wil zien, woede zouden we zelfs niet moeten voelen. Dat is een breed gedragen opvatting over christelijke ethiek, die we onlangs nog in het julinummer van In de Waagschaal aantroffen, in het artikel van Coen Wessel.

Wie boos is, valt onder Gods oordeel, schreef Wessel naar aanleiding van Mt. 5,21-26. Alleen al het feit dat je boos wordt, is reden tot berechting. De onvervalste versie van de eerder genoemde heersende opvatting valt hier te lezen: niet boos worden maar aanvaarden en verdragen. De oproep tot berusting die uitmondt in de dwingende moraal van de andere wang, het zeventig maal zeven dat vele slachtoffers van geweld en ander onrecht heeft doen stikken in hun leed. Niet boos worden maar verdragen en vergeven: het betekent aan de hand van deze moraal dat de dader vrijuit gaat en het slachtoffer zelfs het recht op protest wordt ontnomen. Wie echt gelooft, vergeeft, wie echt gelooft, die wordt zelfs niet boos, die kent zelfs niet de emotie van woede. Want wie woedend is valt onder Gods oordeel en zal zich voor zijn opstandigheid moeten verantwoorden voor een hemels gerecht.

Ik maak ernstig bezwaar tegen deze exegese. Ernstig bezwaar, omdat mensen op deze manier in hun pijn en lijden ontkend worden. De woede om het onrecht, soms onvoorstelbaar onrecht, de ene mens door de andere aangedaan, mag er niet zijn. Maar ik zeg: wie terecht boos is over ongerechtigheid, die mag rekenen op recht, die mag zich daarop beroepen. Beroepen op een hemelse gerechtigheid. Die ziet zelfs uit naar de rechtspraak, die ziet uit naar een Rechter die in zijn of haar zaak gerechtigheid zal doen. Die heeft een God nodig die het heilige niet ongestraft laat ontheiligen.

Dat is wat Jezus doet als Hij merkt dat het heilige ontheiligd wordt, namelijk de tempel (Joh.2,13-17). Dat is wat Jezus doet: het niet ongestraft laten. Hij verjaagt woest de kooplieden, nota bene met een zweep die Hij eerst zelf maakt. Zegt Jezus niet zelf dat wat heilig is niet voor de honden gegooid mag worden, in Mt. 7,6? Als dat wat heilig is niet gerespecteerd wordt, de tempel, het lichaam, het leven, is er dan niet iemand nodig die een grens trekt, een daad stelt, het kwaad verdrijft van de plaats waar de liefde hoort te wonen? Moet het kwaad overal vrij spel krijgen door het alsmaar de andere wang toe te keren, of is een gelovige ook verplicht die liefde te beschermen, de parels niet voor de zwijnen te gooien? Maar hoe kan een gelovige die zelfs geen woede meer mag voelen, ooit nog het onderscheid maken tussen wat goed is en kwaad, tussen het heilige en het ontheiligen? Woede voelen is een indicatie dat iets niet in de haak is. Protest aantekenen bij mensen, en als het moet bij God, boos worden omdat de dingen niet kloppen, boosheid uiten om onrecht, om het lijden, dat is geen gedrag dat door God wordt afgewezen. Kijk naar Job, hoe hij zijn klacht de hemel in roept, en God veroordeelt hem er allerminst om. Kijk naar de Psalmdichters, hoe ze zonder scrupules hun jammer en hun wrok voor God neerleggen en Hem onomwonden smeken te straffen, en wel zo streng mogelijk. Veroordeelt God hen om die woede? Veroordeelt Jezus mensen om hun woede?

Jezus droomt hardop van een wereld van vrede en gerechtigheid. Maar Hij raakt ook zienderogen gefrustreerd van de onwil van mensen om naar Hem te luisteren, Hij raakt gefrustreerd van de stompzinnige discussies met de theologen van Zijn tijd, en slikt Hij die frustratie daarover in? Allerminst! Lees Matteüs 23, en zie hoe Hij ze aanspreekt. Niet erg vergevingsgezind.

Er is, zo zegt John Day,1 in de Bijbel sprake van een kenmerkende ethiek, die liefde is en mild en vergevingsgezind is. Maar daarnaast is er ook een extreme ethiek, die geldt in extreme situaties van onrecht en duisternis. Die extreme ethiek wordt gehanteerd door God en door Jezus, en die mag ook voor gelovigen gelden. Want waarom zouden we alleen aan Jezus’ zachtmoedigheid een voorbeeld nemen, en niet aan de momenten waarop Hij die zachtmoedigheid laat varen?

Woede is een normale reactie op het ondergaan van onrecht en geweld. Onrecht en geweld mogen we nooit aanvaarden, we mogen er nooit in berusten. Het is gevaarlijk om de reactie daarop te ontkennen, het is gevaarlijk om mensen te ontkennen in hun worsteling met de meest extreme vormen van geschondenheid. Daarmee wordt iemand verder beschadigd, en verdwijnt de woede ondergronds. Dat is de werkelijke dreiging voor het individu en voor het hele systeem waarin hij functioneert. Want het is niet de woede zelf die leidt tot moord en doodslag, het is juist het ontkennen ervan dat ziekmakend en vergiftigend is. Peter Sloterdijk beschrijft dat etterende proces in ‘Woede en Tijd’ als woederessentiment: een vernietigende, borrelende kracht die ondergronds huist, maar op een onvoorspelbaar moment als een vulkaan uitbarst.2

Wat een last kan er van schouders vallen als de christelijke liefde eruit bestaat, de ander te erkennen in haar recht op woede. Wat een bevrijding kan het betekenen, wanneer die oproep tot berusting en vergeving niet als een plicht wordt opgelegd, maar wanneer een gelovige zelf haar weg mag zoeken naar rust en vrede, hoe lang en hoe pijnlijk die weg ook is. Wat kan het een bevrijding zijn die confrontatie te zoeken die Wessel beschrijft in Mt. 5.24, die confrontatie waartoe Jezus aanspoort. In die oproep begrijp ik niet alleen maar de plicht tot vergeven, zoals Wessel, maar ik begrijp er ook uit dat gelovigen de plicht hebben elkaar de wacht aan te zeggen, hoe moeilijk en onaangenaam dat ook is. Voor die confrontatie zijn veel mensen bang. Het is immers gemakkelijker het slachtoffer tot berusting op te roepen dan de dader op zijn misdaden aan te spreken. Deze constatering wordt op bittere wijze onderstreept door de gedachte aan de vele plegers van incest en geweld die ongestoord in de kerk kunnen zitten, tot op de dag van vandaag. Onder de mantel der liefde waarmee we kwaad en onrecht bedekken, hangt een onwelriekende geur. Ten koste van wat willen we vrede en liefde? ‘Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard’, zegt Jezus in Mt. 10,34. We moeten niet zo bang zijn voor een botsing, we moeten er ook niet zo bang voor zijn die gerechtigheid op te eisen, als het moet bij God Zelf.

Nee, ik legitimeer geen geweld. Geweld is een overschreden grens, hoe dan ook. Maar het is geen oplossing te verzwijgen dat die grens overschreden is of wordt. Ik wil dat die grens benoemd wordt. Ik wil dat geweld benoemd wordt, ik wil dat het kwaad en het onrecht benoemd wordt. Ik wil geweld voorkómen door te erkennen dat de behoefte aan wraak en gerechtigheid ons door het leven in gebrokenheid wordt opgedrongen. Wessel schrijft dat woede soms als toevallig bijverschijnsel het goede kan bewerkstelligen. Ik ben er echter van overtuigd dat woede en frustratie noodzakelijk zijn om, ook als gelovige, de wereld en het leven het hoofd te kunnen bieden. Zij behoren tot de basale mogelijkheden die we als mens hebben om het goede te doen en het kwade te bestrijden, zij vormen mede de mens zoals die voor God mag zijn. Het kwaad is er, daar moeten we mee dealen, ook als gelovigen. Maar wie gelooft in Gods toekomst van vrede en gerechtigheid, kan niet anders dan iets ervaren bij de werkelijkheid die daar zo schrijnend van afwijkt, en voor sommigen, laat dat maar eens gezegd zijn, onvoorstelbaar veel schrijnender dan voor anderen. De mens die in alle oprechtheid opstaat en het kwaad aanklaagt, die mens wordt door God niet afgestraft. Het is ander gedrag dat afgestraft wordt: onwaarachtigheid, leugenachtigheid, onverschilligheid, ongeloof. Wie liefde voelt, moet ook woede kunnen voelen. Als wij, gelovigen, niet meer boos mogen worden, wie zal dan ooit nog het kwaad aanklagen? Wie zal dan ooit nog om recht schreeuwen? Wie zal dan ooit nog een tempel schoonvegen wanneer die ontheiligd wordt?

Marijke van Selm

Auteur is theologe.

1    Day J.N., Crying for Jusctice. What the Psalms teach us about Mercy and Vengeance in an Age of Terrorism, Grand Rapids 2005

2    Sloterdijk P., Woede en Tijd, Amsterdam 2007