Over de oecumene

logo

 

Karl Barth heeft in Bazel een lezing over oecumenische vragen gehouden. Drs A. Dekker heeft hem gehoord en vertelt in Trouw van 17 juli een en ander over Barth’s beschouwingen en adviezen. Met toestemming van de redactie van Trouw nemen wij zijn artikel in „In de Waagschaal” over. Barth heeft volgens sommigen zijn tijd wel gehad, maar ik vind het nog altijd de moeite waard, naar hem te luisteren. Dat moet men een van denaarBarthluisteraarsvanheteersteuur maar vergeven. J.J. Buskes.


TER GELEGENHEID van de conferentie van de wereldraad van kerken in Uppsala hield Karl Barth in Bazel een lezing over oecumenische vragen. Hij deed dat in de protestantse „Titus”kerk, dezelfde waarin amper twee weken geleden zijn vriend de tachtigjarige Eduard Thurneysen vol enthousiasme gepreekt had. Het verschil tussen de beide „strijders van het eerste uur” viel direct op. Thurneysen is nog de man van de sterke dialectiek en het beroemde „senkrecht von oben” was niet van de lucht. Historisch was het een buitengewoon boeiende preek, theologisch tegelijk „lebendige Vergangenheit”. Barth is verder gegaan, kijkt meer naar de toekomst en wil van het verleden weinig meer horen. Het was verder treffend dat Barth over de oecumenische vragen enkele uren eerder gesproken had in de vlak bij liggende roomskatholieke kerk. De generatie BarthThurneysen heeft een ijzeren uithoudingsvermogen, waarin ze de volgende overleeft.

Barth gaf een eenvoudige inleiding in „plat” Bazels dialect. We geven hier een uittreksel van Barths lezing.

Geen droom

Oecumene heeft met de christelijke kerk te maken. Wat is eigenlijk „kerk”?

„Kerk” komt van „ecclesia” dat betekent dat ze de verzameling is van diegenen die samengeroepen zijn, die de stem van de Heer hebben gehoord. Maar tegelijk komt „kerk” ook van „circa” of „circus” dat wil zeggen dat de kerk het centrum is van de geroepenen. Daarom is er maar één kerk, zoals er maar één God, één Christus en één Heilige Geest is.

In die kerk bevindt zich het volk van Christus dat een belofte en een opdracht heeft voor de hele wereld. Die éne kerk bestaat in veel sociologische vormen. Toch is ze één en, omdat ze door God geroepen is, ook heilig. Verder is ze algemeen, allesomvattend, katholiek. Oecumene betekent: dat wat de hele bewoonde wereld omvat. Daarom is de ene kerk geen ideaal, geen droom of utopie. Ze existeert reeds als kerk van Christus. „Ik geloof in één, heilige, oecumenische kerk”. Die hoeft er niet meer te komen, die is er al.

Een schandaal

De werkelijke kerk wil ook verwerkelijkt worden. Ze bestaat uit mensen die die eenheid tonen. Wat hebben wij ervan gemaakt? De ene kerk is niet meer te herkennen. Kan dat zo blijven? Dat is de grote oecumenische vraag. Mogen wij de gescheidenheid zo laten bestaan? Daar is maar één antwoord op: nee! Wanneer men „ja” zegt tegen Christus dan kan men alleen maar „nee” zeggen tegen de scheidingen die er tussen de kerken bestaan. Het mag zo niet blijven!

U vindt de oecumenische gedachte al in het Nieuwe Testament, waar ook scheidingen voorkwamen. Denk aan Efese 4: „Eén lichaam en één Geest. . . één Heer, één geloof, één doop”. Dat is oecumene. Daarom mag het ons niet onverschillig laten dat er zoveel kerken naast elkaar bestaan. Het is een schandaal. De reformatoren kunnen ons daarin de weg wijzen. Luther, Zwingli en Calvijn hebben geen eigen kerk willen stichten. Ze wilden de éne, heilige en katholieke kerk reinigen en vochten vertwijfeld tegen een uit elkaar gaan. Het mag zo niet blijven! De oecumenische onrust moet ons bezig blijven houden.

Bij de paus

In de kerk is het verder gegaan. In 1925 is in Stockholm de eerste oecumenische wereldconferentie gehouden en het ontwikkelt zich steeds verder. De rooms-katholieke kerk stond eerst afwijzend, ze veroordeelde het eenheidsstreven en had maar één advies: „Kom naar ons”. Dat is sedert Johannes XXIII en het tweede Vaticaans concilie totaal veranderd. Ze sturen nu waarnemers naar Uppsala zoals er ook protestantse afgevaardigden in Rome waren. De zaak is in beweging gekomen en het is „achterlijk” om dat te ontkennen.

U mag daarom niet met wantrouwen tegenover de katholieke kerk staan, alsof ze ons zo gauw mogelijk willen vangen. Zelf ben ik in Rome geweest en ik heb daar tegenover de paus gezeten. Nu, ik ben nog steeds niet katholiek geworden. Hij is notabene jonger dan ik! Zijn eerste woord tegen mij was: „Wat is het zwaar om de sleutels van Petrus te dragen”. Ik heb geantwoord: „Kan ik me voorstellen”. Zijn laatste woord was: „Ik zal voor u bidden”. Ja, dat kan, voor en met elkaar bidden, zelfs bij de paus. U moet meedoen in de oecumenische beweging, niet stil blijven staan. U moet bereid zijn naar elkaar te luisteren en van elkaar te leren. Daarbij wil ik twee werkregels voorstellen.

In de eerste plaats is een grote nuchterheid vereist. Geen dagdromen over een spoedige eenheid. Alle verschillen tussen de kerken zijn zo gauw niet weg, misschien hoeft dat niet. In de hemel zijn ze niet allemaal protestant, daarom hoeven we dat op aarde ook niet te zijn. De taktiek van de oeumenische beweging moet die van de „kleine stappen vooruit” zijn. Na het vaticaans concilie was veel ongegrond enthousiasme. Dat gaat zo niet, men moet reëel zijn en stap voor stap verder werken.

Daarnaast is een grondige kennis van uw eigen zaak nodig. Kunnen wij het gesprek met de andere kerken, met Rome aan? Zijn wij zo sterk dat we het contact verdragen kunnen? En dan gaat het erop los! Daarbij moet ons ingewortelde wantrouwen tegen alles wat roomskatholiek is verdwijnen. Wij leven nog altijd met het gevoel dat daar „alles naar wierook smaakt”. Zo is er geen toenadering mogelijk. Het mag ons niet met rust laten dat er in één straat jaren lang twee kerken naast elkaar staan als twee levensmiddelenbedrijven.

De praktijk

Men moet elkaar leren kennen. Spreek er uw buren eens over. Nodig eens roomskatholieke kennissen uit en leer van hen wat voor hen het geloof betekent. U zult merken, dat niet elke katholiek een monnik is en elke monnik nog geen paus. Wat bij Rome op het ogenblik aan de hand is, is fenomenaal. Ze moeten oppassen dat ze daar niet over de kop gaan, maar als het zo doorgaat dan maken ze ons met hun vernieuwingen in korte tijd in. Ga verder eens luisteren hoe daar gepreekt wordt en beleg zo mogelijk een bijbelkring in. uw buurt. U mag niet blijven staan bij onderlinge tolerantie. Tolerantie is een vreselijk vervelend begrip. De één moet de drager worden van de lasten van de ander en zo zullen we samen de wet van Christus vervullen. Het is daarbij nooit goed wanneer in het oecumenische gesprek geprobeerd wordt elkaar over de streep te trekken. Kerkovergangen zijn geen middel tot eenheid. Integendeel.

Grote illusie

Niet de eenheid van de kerken maar hun gescheidenheid is „de grote illusie”. Ik zou zo graag nog wat van de realisering van die eenheid meemaken. Ik geloof niet dat dat nog zolang duren zal. Als ik het niet meer zie, nou ja, dan gaat het net als met het feuilleton in de krant: „wordt vervolgd”. Ik denk dat onze kleinkinderen er iets van zullen zien, en anders de vierde generatie, heel concreet.
Men kan — en dat is één van die kleine stappen — bijvoorbeeld beginnen met het invoeren van een gemeenschappelijk vorm van het Onze Vader. Men kan gebedssamenkomsten beleggen. Het mooiste lijkt me dat bv. op één zondag zowel de katholieke als de protestantse kerk hun collecte voor één gezamenlijk doel bestemmen. Ik ben niet voor gemeenschappelijke avondmaalsviering. Laten we daarmee niet experimenteren, dat is een te grote sprong vooruit, dat laat zich niet forceren.

Brandende vraag

De belangrijkste vraag die nog open staat is echter die naar de plaats van de joden. De oecumenische beweging heeft uit politieke overwegingen steeds over de vraag van Israël gezwegen. Ook op het tweede Vaticaanse concilie bleef dat helaas één groot vraagteken. De Arabieren konden het eens vervelend vinden. Dat is vandaag de grote oecumenische, brandende vraag. Wat kunnen we over Israël zeggen? Wre komen er toch zelf uit voort, we zijn toch van dezelfde stam. Kennen we iets van het verdriet van Paulus uit Romeinen 9 over Israël? Zelf zou ik wel wensen verbannen te zijn ten behoeve van mijn broeders. Wat heeft de wereld met Israël gedaan? Of liever: wat hebben de christenen met de joden gedaan? Die vraag moet in de oecumenische discussie nog naar voren komen. Daarom is het meedoen en meedenken van iedereen zo belangrijk. Nogmaals: wie „ja” zegt tegen Jezus, zegt absoluut „nee” tegen de kerkelijke’ gescheidenheid.

KARL BARTH

(In de Waagschaal, jaargang 23, nr. 16. 11 mei 1968)