Over de dagen van Bert ter Schegget

logoIdW

 

OVER DE DAGEN VAN BERT TER SCHEGGET

Voor wie, zoals ondergetekende, in de zestiger jaren van de vorige eeuw aan de Universiteit van Amsterdam theologie studeerde, heeft het boek waarvoor ik hier aandacht vraag een bijzonder belang: het roept veel op van de controversen, conflicten en gedrevenheden die voor die tijd kenmerkend waren. Daarmee is niet gezegd dat deze studie niet interessant zou zijn voor een lezer van een latere generatie. Maar voor mij werd de lectuur ervan sterk gekleurd door de eigen herinneringen die het boek opriep aan een maatschappelijk en ook theologisch opwindende periode. Bert ter Schegget, wiens turbulente leven De Jongh beschrijft, was toen een van de meest uitgesproken, besproken en omstreden theologen.

Eerder al publiceerde De Jongh een biografie van J.J. Buskes (Buskes, dominee van het volk, 1998, met in 1999 zelfs een tweede druk). Hij schreef het tijdens de eerste jaren van zijn pensionering na zijn werkzaamheden als socioloog aan de Universiteit Twente. Daarop volgde een biografie van de Utrechtse ethicus dr J. de Graaf (Hannes de Graaf, Een leven van bevrijding, 2004). De vorig najaar verschenen studie is dus de derde van een drietal levensbeschrijvingen, waarbij De Jongh steeds eenzelfde methode volgde: een grondige voorbereiding, die vooral gekenmerkt wordt doordat hij niet alleen uitgebreide literatuur- en archiefstudie verricht, maar ook een groot aantal mensen interviewt uit de meer of minder directe kring rond de betreffende theoloog. Voor zijn laatste boek waren dat er meer dan honderdtien.

De gegevens die hij aan deze gesprekken ontleent verwerkt hij in de vertellende passages van zijn boek. Dat geeft ze vaak een levende sfeer, maar heeft ook als nadeel dat geregeld de vraag rijst wie de informant is van de weergegeven indrukken of oordelen. Niet altijd is duidelijk of hij zijn eigen indruk weergeeft, of die van een – vaak ongenoemde – bron die hij interviewde. Dat nadeel heeft De Jongh zo goed mogelijk proberen op te vangen door zijn teksten voor te leggen aan een aantal meelezers, theologen vaak. Maar het is duidelijk dat andere meelezers, die minder sympathiek staan tegenover Ter Schegget in de controversen die hij opriep (of die kerkelijk en/of academisch over zijn hoofd werden uitgevochten), De Jonghs visie zouden hebben willen nuanceren.

Want de grondtoon van het boek – en dat is wat mij betreft volkomen terecht – is die van een grote warmte en sympathie voor de persoon en de theologisch-maatschappelijke positie van Ter Schegget. Zijn leven wordt in beginsel chronologisch beschreven. Geboren (1927) in een gereformeerd (hersteld verband, dus na de oorlog hervormd) predikantsgezin groeide hij op in Amsterdam en studeerde daar theologie aan de – toen nog – Gemeentelijke Universiteit. Na naar verhouding rustige jaren in zijn eerste gemeente, Vreeland, werd hij predikant op Curaçao. Tropenjaren heet het hoofdstuk waarin De Jongh die periode beschrijft. Beslissende jaren, de slotparagraaf, begint met de zinnen: Voor Ter Schegget zijn de Curaçaose jaren beslissend geweest voor zijn verdere leven. Zij hebben er een richting aan gegeven die niet door hem was gewenst en niet door hem is bepaald. Het zou een leven van blijvende onrust worden. Zijn bezoeken aan de verstrooide Nederlandse protestanten in Venezuela waren de aanleiding, blijvend als achtergrond was de ellende waarin grote delen van de bevolking moesten leven, afspiegeling van de wereldarmoede. Het heeft zijn ogen geopend voor wat er in de geschiedenis broeit. Zijn conclusie was dat vóór alles het onrecht geanalyseerd moest worden. Welke krachten en machten zitten hierachter? Dat was voor hem de belangrijkste vraag. De confrontatie met genoemde situatie, samen met de ervaringen van het fascisme en de oorlog, is de basis geweest voor zijn verdere theologische denken en handelen. (pag. 71)

Na enige jaren als (studenten)predikant in Berlijn en bij een oecumenische gemeenschap in het Italiaanse Varese (Overgangsjaren, 1963 – 1965) volgen vijftien jaren als docent aan Kerk en Wereld/De Horst. Uitgebreid verhaalt De Jongh over de verwikkelingen, waarin Ter Schegget terecht komt – en die deels ook door hemzelf worden opgeroepen – vanwege de droom en het protest rond structurele maatschappijveranderingen, maar ook door het zich verkijken op de mogelijkheden daartoe. (pag. 90) Voor zover ik zien kan is De Jonghs weergave van de verschillende posities die de situatie aan De Horst kleurden evenwichtig en fair. Ter Schegget is inspirator voor velen, maar ook voor bestuurders en collega’s soms een lastpak die zijn onafhankelijkheid koestert. Met dat laatste heeft ongetwijfeld te maken dat hij er op gestaan had ook als docent predikant te willen blijven. In deze periode begint ook zijn merkwaardige weg naar het hoogleraarschap (pag. 89). Bijna een kwart van het boek wordt in beslag genomen door de – soms ronduit onverkwikkelijke – situaties welke Ter Schegget meemaakte op die lange weg, die na betrokkenheid bij zes mogelijke hoogleraarschappen ten slotte (1981) uitkwam bij de positie van kerkelijk hoogleraar voor christelijke ethiek en apostolaat aan de theologische faculteit van de Universiteit Leiden. Ook hier geldt dat De Jongh, voor zover ik zien kan, de verschillende posities van Ter Scheggets opponenten fair weergeeft. Dat maakt dit overzicht van deze lijdensweg ook na alle inmiddels verlopen tijd des te schokkender.

Het is vooral het hervormde kerkelijk establishment geweest dat zich met een bijna onbegrijpelijke vasthoudendheid vastbeet in de mening dat er voor Ter Scheggets stem geen plaats was aan de opleiding voor predikanten. Datzelfde establishment had er overigens in 1964 al voor gezorgd dat de synode hem passeerde bij de benoeming tot secretaris van de Raad voor Kerk en Israël, terwijl hij door die Raad zelf als eerste op de voordracht was geplaatst.

Maar ook van academische zijde is er verzet tegen een professoraat van Ter Schegget; hij zou niet wetenschappelijk zijn. Zeker achteraf gezien is het duidelijk hoezeer in die periode de strijd over het hoe en wat van het al of niet wetenschappelijk karakter van de theologie over zijn hoofd werd uitgevochten – afgezien van de, soms onberedeneerde, angst voor de persoon van Ter Schegget; een angst waartegen hij uiteraard weerloos was. Gelukkig blijkt dat er ook binnen de leidende kringen van de toenmalige Hervormde Kerk anderen waren die het ronduit voor Ter Schegget opnamen. Dr. F.O. (Ted) van Gennep en ds C.B. Roos zijn twee namen uit velen. Maar het heeft wel erg lang geduurd voordat hun invloed de doorslag gaf.

Hoofdstukken over de Leidse jaren en de jaren van het emeritaat voltooien het boek. Ter Schegget blijft schrijven en blijft verrassen. Maar veel van de opwinding van de jaren zestig en zeventig lijkt te zijn weggeëbd. Soms dreigt hem somberheid over hoe het gaat in de wereld. In 1994 schrijft hij een nieuwjaarsbrief aan zijn vriend mr. A.W. Kist, waaraan De Jongh het volgende commentaar verbindt: Bert had weer wat moed gevat. Er was weer een spoor van licht te zien. Al zou hij zoals altijd rusteloos blijven, hij hervond zijn evenwicht. Geen berusting en niet cynisch geworden. Inzet voor structurele veranderingen kon niet door geweld, maar langs de weg van de liefde. Het moest te doen zijn. Wel was dan nog de vraag of God het gebed om een nieuwe wereld wel zou horen. Maar de belofte was er. ‘Ik leef op Zijn adem’, had Bert gezegd. Hij herinnerde zich een uitspraak dat de zonde tegen de hoop de ergste zonde is die er kan zijn. (pag. 352/3)

De Jongh weet zich duidelijk maatschappelijk, theologisch en spiritueel verwant met Ter Schegget. Daarbij maakt hij van de gelegenheid gebruik om, soms uitgebreid, in te gaan op personen en groeperingen die in Ter Scheggets leven een rol speelden: de Amsterdamse Studentenecclesia, Huub Oosterhuis en pater Jan van Kilsdonk (aan wiens nagedachtenis, als herder en leraar, dit boek gewijd is), de Septuagintgroep, waarbij Ter Schegget zeer actief betrokken was, dr. G.C. van Niftrik, bij wie hij promoveerde, Frans Breukelman, Kleijs Kroon, dr. Kr. Strijd, en zo nog vele anderen. In een uitgebreid register zijn hun namen te vinden. De Jonghs sympathie voor Ter Schegget heeft gelukkig niet betekend dat hij kritiekloos te werk ging: aandacht is er ook voor zijn moeilijke kanten, de keerzijde van zijn gedrevenheid. Voor mij bevestigde de lezing van dit indrukwekkende en fraai uitgegeven boek het besef hoezeer iemands theologie met diens biografie verwezen is. En evenzeer versterkte het mijn vermoeden, dat je ook in de theologie enorm moet oppassen om al te grote woorden te gebruiken.

Taco Noorman

E.D.J. de Jongh, Vloeken en bidden om een nieuwe aarde. De dagen van Bert ter Schegget, Hilversum: Verloren, 2010

Auteur is emeritus predikant (PKN) te Rotterdam