Godgeleerde samenbinding

Godgeleerde samenbinding

Los-van-Bartb-beweging!

Weet men wat men doet, als men zich losrukt van, zich los-stelt naast; anderen opwekt, geen vaste verkering aan te gaan met deze theologie? Zien wij de verwarring, die dagelijks groeit, open en stoer aan, en kiezen dan bewust, met verachting van het nieuwe éénheidsferment dat ons reeds gegeven was, voor deze weg? Of nemen wij de gelegenheid waar, om onszelf te zijn, zo mogelijk met een toegespitst theologoumenon, nu die ander ginder ook weer begint met zijn principes en zijn drijven? Het laatste, de weg van het groepsbewustzijn, is stellig een verzoe­king, zodra een synthese, een’ commune mesure’, een gemeen­schappelijke taal toch weer een hersenschim schijnt te zijn. Nationaal verweren wij ons allen tegen ‘the great society’ en haar algemene; vage, ongewortelde leuzen; iets dergelijks, op’ een miniem terrein; moet zich afspelen in de reactionnaire verschijn­selen; die ons kerkelijk erf teisteren. Ook hier intussen zou de reactie ongetwijfeld te billijken zijn, wanneer er niet een princi­piële, gedegene, gereformeerd-karaktervolle en oecumenisch ­brede theologie bestond. Dit is naar onze overtuiging wel het geval en wordt tenslotte door niemand ontkend. Welnu ‘dan is het hoogst onverantwoordelijk, zich van deze zaak te distan­ciëren. Theologie alleen kan ons verenigen. Niet de wetenschap, ook de wijsbegeerte niet meer; wonderlijk genoeg moet men zeggen: ook het instituut der kerk niet meer, Zal dan de staat het moeten doen? Waar geen gemeens,chappelijke theologie is, als ruimte van bezinning, daar ontstaat of het ‘Warenhaus des Geistes’ (Bry) of de politieke akademie, het trainingsinstituut voor de leiders van de volk- of klassenmatige levens beweging.

Het wordt wel tijd, dat we deze dingen breed zien en uit het provincialisme van onze standpunten uitkomen. De R.K. kerk dankt haar wijdheid, soepelheid en vastheid in de moderne tijd niet zozeer aan een uitgewogen rechtsstelsel, als wel aan een theologie, die, gelijk die van Thomas Aquinas,zonder naar de inhoud volstrekt opgelegd te zijn, formeel, naar methode, struc­tuur en taal faktisch, als leidinggevend wordt erkend ook door theologen van een ‘andere orde.

Het is o.i. een waan, dat bij ons de belijdenis zou fungeren gelijk bij Rome de theologie. Onlangs zei iemand in een gesprek over de richtingen (waarin ik o.a. stelde, dat een richting anders dan als zeer tijdelijke correctie geen bestaansrecht heeft, tenzij ze een eigen theologie heeft) dat de’ gereformeerde bond’ toch zeker een eigen theologie had. Ik had daar nooit van gehoord en kwam hem tegemoet: u bedoelt het neo-calvinisme? ‘Neen’, zei hij: ‘heel eenvoudig de theologie van onze oude belijdenisgeschriften’. Nu, het ziet er naar uit, dat men dan lang verder praten kan. Ik pro­beerde nog: dus u bent eigenlijk confessioneel of zult u in elk geval met de confessionelen één weten in theologisch opzicht? ­Volstrekt niet… enz. Dit voorbeeld is niet al te toevallig en wille­keurig; het is m.i. in alle roerende argeloosheid tekenend, voor de twist om de interpretatie der belijdenis, een geding, dat juist niet theologisch wordt gevoerd, maar waarin de behoeften der men­sen, de voorkeur van het levensgevoel in de gemeenten, de con­currentie. van andere groeperingen, de vaak ongelouterde be­levenissen en de veelal onopgehelderde geloofsvoorstellingen een beslissende rol spelen, een geding, waarin men er niet tegen op­ziet gravamina van niet gering gewicht achter de hand te hou­den. Neen, hoewel de belijdenis als spreekregel der kerk in haar prediking blijft gelden, zou het b.v. niet geraden zijn een sym­posion te houden van Woelderink en Severijn, Schilder en Ber­kouwer, Hepp en Haitjema en nog anders getinten der gerefor­meerde gezindheid, over de genoemde en ongenoemde bezwaren, tenzij er een gemeenschappelijke theologische taal is erkend en wordt beoefend.

Of wordt zodoende het persoonlijke denken, parallel met het particulier initiatief in de volkshuishouding, bedreigd? Theologie is waarachtig niet dáárin met de kunst verwant, dat het woord pas voluit woord is, indien er een stem, een zielehouding in dóór. komt – theologie is een,-zeer bijzondere wetenschap, waarin het gaat om een in hoofdzaak vaste woordvorm, om voorstellingen en begrippen, die op algemene geldigheid aanspraak moeten maken, minstens in de gemeente, in de kring van hen, die de Schrift lezen en wensen te horen als Góds Woord. Ik weet: nu eerst recht begint het tragische; nu, zal men zeggen, de theolo­gen spreken elkaar tegen! zonder einde! Ik zeg: niet zoals de wijsgeren, die de .onverzoenlijkste tegenstellingen belichamen; en nooit zonder de belofte ener verzoening, indien werkelijk de Heilige Schrift ons enig richtsnoer is, indien we werkelijk het ge­heel daarvan in zijn symphonische kracht en helderheid laten’ gelden. Wie dit .ontkent, wie er óók bij de vervulling van déze voorwaarde, een zwaar hoofd in heeft, die gelooft niet (tot leed­vermaak van Rome) in de ‘perspicuitas sacrae scripturae’ ,de doorzichtigheid van de H. Schrift. De bèpaling: quo ad salutem (voorzover het heil aangaat) schijnt mij te beperkt, te inpidu­eel gevat, als men niet zou willen toestemmen, dat voor de kerk als zodanig een moment van het heil ligt in de klaarheid en dat voor de theologie de doorzichtigheid verder gaat dan het voor de zaligheid onmisbare. Het is juist dit, wat als onvervulde taak op de kerken der Reformatie rust: te bewijzen, te tonen, voorbeelde­lijk te tonen, dat de Schrift doorzichtig genoeg is, om éénheid in de theologie te bewerken, rijk genoeg om een variëteit van accen­ten te rechtvaardigen, nl. in een hiërarchische orde, in een be­paalde neven- en .onderschikking, maar vooral ook te tonen, dat de H. Schrift nog zozeer .onontgonnen is in menig opzicht, dat radicale verrassingen niet uitgesloten zijn, integendeel met grote waarschijnlijkheid te verwachten zijn. De dialectische theologie heeft deze onvervulde taak .op zich genomen; het Schriftbegin­sel is opnieuw verwòrven in een zo brede verantwoording, dat èn Rome èn het Modernisme een nieuwe eerbied hebben geleerd; de functie der belijdenis is hersteld op een wijze, die met het Schrift­beginsel niet in strijd komt; het gemeenschappelijke van Luther en Calvijn is opnieuw in het licht gesteld; de gereformeerde scholastiek is opnieuw ernstig genomen; de waarheidselementen van het piëtisme en van de Aufklärung, van het humanisme en de moderne bijbelwetenschap hébben een rechtvaardige, theolo­gisch verantwoorde ,plaats gekregen. Het bleek mogelijk, door de Schrift geleid, met de ‘Enthellenisierung’ van onze christelijke gedachten een aanzienlijke stap verder te gaan dan vroeger in de kerk werd gewaagd. De bijbelse grondwoorden werden nieuw gépeild in wetenschappelijke verantwoording. De exegese ont­ving hoger inspiratie nu ze onmiddellijker vanuit de éénheid der Schrift op de éénheid der prediking en de éénheid der kerk werd gericht. Minder dan ooit te voren werd een bepaalde reeks ‘bewijsplaatsen’ verdrongen door een overwicht van een andere, willekeurig tot hoger betekenis. verheven reeks. De oude tegenstellingen van heteronomie en autonomie, van het voor­werpelijke en het onderwerpelijke; van algemene en bijzondere hermeneutiek, van de’ opvatting der zonde als substantie en de opvatting als accidens, van heilstijd en wereldtijd, van anthropologische en ‘theologische’ uitgangspunten werden overwonnen; de schatten der z.g. irreguliere theologie ‘in de negentiende eeuw door enkelingen neergelegd, die door de kerk destijds niet werden erkend, Kierkegaard, Kohlbrugge, Blumhardt, worden in het levend gebouw ingevoegd. Het moderne levensbesef wordt niet. meer als de baarlijke duivel. op ‘een afstand gehouden, maar het wordt beleden als hen àllen eigen, die zich de ontzettende dingen van onze lotsbedeling hebben aangetrokken. Voor het eerst wordt de laatste klassieke systematische wijsbegeerte van Descartes toten met Hegel wer­kelijk van ‘christelijke zijde’ ernstig genomen, nl. als bewust­wording van de geestelijke existentie,’waarin de mens deels altijd verkeert, waarin anderdeels bijzonderlijk de nood en zelfhand­having van de moderne mens gestalte heeft gekregen; de excur­sen b.v. over Descartes en Leibnitz in III, 1, over Fichte, Nietische en Jaspers in III2 zijn niet alleen intellectueel kleine meesterwer’­ken; de zakelijkheid er van komt voort uit een waarheidsdrift, die niet bedreigd maar gesteund wordt door het hartstochtelijk ver­langen de solidariteit met alle menselijk, groots en zondig, on­mogelijk en gerechtvaardigd streven, de solidariteit met alle ‘vlees’ te bekennen. Dit alles – en wat hier nog meer te noemen zou zijn – wordt niet, gelijk het in zulk een opsomming schijnen kan, incidenteel ter sprake gebracht; het verschijnt als moment in het architectonisch bestek van een dogmatiek en (daarmee vervlochten) ethiek, die langzaam, laag voor laag, verdieping na verdieping, oprijzende, een geslotenheid van bovenpersoonlijke stijl vertoont, waarnaar ook roomsen en anglicanen, luthersen en orthodoxen met eerbied en niet zonder verwachting opzien.

Zich daarvan los te maken is voor een protestant, nader: gerefor­meerd en oecumenisch theoloog, een zo niet onbegrijpelijke in psychologische zin (als reactie en herovering van innerlijke vrij­heid) dan toch, naar theologische maatstaf, hoogst bedenkelijke onderneming. Een kans, die in een eeuw niet tweemaal voor­komt, wordt dan prijsgegeven. Een nieuwe weg, waarop we wer­kelijk sámen zouden kunnen gaan met een goed geweten, wordt onklaar gemaakt en versperd.

Een vruchtbare ontmoeting der kerken, om te beginnen die van één type, wordt daardoor zwaar bemoeilijkt.

Welverstaan, ik voor mij geloof nièt, dat dit anders dan een akelig oponthoud en een pijnlijke omweg zal betekenen; ik ben over­tuigd, dat het levenswerk van Barth, dat ons reeds 30 jaren bezig­houdt, zich in oecumenische breedte zal voortzetten en ont­vouwen; ik geloof niet, dat de aanduidingen in opstellen, com­mentaren, essays, verhandelingen (soms schone, waardevolle suggesties, verdiepingen, vereffeningen, meest nieuwe niet onge­vaarlijke eenzijdigheden) – ik geloof niet, dat deze incidentele kritische opmerkingen opwegen zullen tegen de systematische, godgeleerde consequentie, waarvan zij zich bedoelen te verwijde­ren. Het erge is, dat wij in Nederland de kansen missen, en voor ons deel de latente obstructie der niet-gereformeerde delen der oecumene steunen.

Maar, zal men zeggen, het zich (in vrijheid) binden aan de me­thodé en opzet dezer theologie eist offers, die te zwaar zijn, ge­meten aan het gestelde doel: éénheid in de protestantse theologie. Hier moeten we echter wel onderscheiden. Wat verstaan we onder éénheid? Is niet-terugkeren tot een verkeerd inzicht: een offer? Is het op de achtergrond stellen van bijzaken, die ons per­soonlijk ter harte gaan, niet een billijk te eisen offer?

K.H. Miskotte, In de Waagschaal 1950, opgenomen in de bundel: In de Waagschaal, Holland, 1960.


Dit is het tweede artikel in een serie.

Eerste artikel: De los-van-Barth-beweging

Derde artikel: In het jaar 2000