Reactie op artikelen Kanselboodschap

logo-idW-oud

REACTIE OP ARTIKELEN KANSELBOODSCHAP

Kort vooraf: Onderstaand artikel schrijf ik op persoonlijke titel: als betrokken lezer van ons blad en niet vanuit mijn hoedanigheid als beleidssecretaris van de scriba van de Protestantse Kerk in Nederland

.

De discussies in de vorige nummers van ‘In de Waagschaal’ naar aanleiding van de kanselboodschap maken goed duidelijk in welke verlegenheid we als kerk zijn terecht gekomen in onze verhouding tot de cultuur en de samenleving. Zo lijkt de discussie over de kanselboodschap in ons blad niet te gaan over de kanselboodschap an sich, maar over de rol van godsdienst in de samenleving. Het probleem daarbij is echter, dat het debat over de plek die godsdienst in de samenleving inneemt, voor sommige scribenten (Polhuis, de Wijer) feitelijk niet gevoerd kan worden. Het gesprek dat zij voeren is van meet af aan een binnenkerkelijk gesprek, al zullen ze dit onmiddellijk ontkennen. Het is immers duidelijk, dat zij slechts over godsdienst willen spreken in de context van het systematisch-theologische discours. Vandaar dat ze onmiddellijk ten strijde trekken gewapend met de paragraaf over de religie uit KD I,2, § 17 (Gottes Offenbarung als Aufhebung der Religion).

Overigens –maar dit terzijde – moet hierbij wel de vraag gesteld worden, of op deze manier recht wordt gedaan aan Barth’s spreken over de religie. Op z’n minst moet dan ook KD IV,3, 122-188 meegelezen worden.

Het probleem is echter, dat we op deze manier de pointe zouden missen van het gesprek dat momenteel in alle geledingen van de samenleving wordt gevoerd. Het gaat daar niet om de rol van de religie in haar theologische betekenis, maar over de godsdienst als fenomenologisch verschijnsel. Wie in dit gesprek uitsluitend de invalshoek kiest van het theologisch spreken over de betekenis van religie, zet zichzelf buiten spel. Immers, over religie is het laatste woord theologisch al gesproken.

Op die manier onttrekt men zich echter aan de discussie over de rol van godsdienst in onze samenleving; een discussie waarvan de uitkomst nog allerminst vaststaat en die ook voor de kerk grote gevolgen kan hebben. Bijna als vanzelfsprekend wordt er vanuit gegaan dat de kerk van dit gesprek is uitgesloten. Zij is in deze visie immers niet een religieus instituut; zij is niet een belichaming van de religie, maar ze is (als het goed is) de voorlopige gestalte van de verzoening door Jezus Christus.

In de huidige discussie gaat het daar echter niet over. In het vigerende debat gaat het over de vraag naar de (schadelijke) invloed die godsdienst op de maatschappij kan hebben en over de vraag naar de plaats van godsdienst in het publieke domein. Godsdienst is niet langer een min of meer achterhaald verschijnsel waaraan voorbij kan worden gegaan. Het thema staat opnieuw op de agenda, tot frustratie van velen die meenden dat aan deze duisternis eindelijk een einde was gekomen. Godsdienst is allerminst een onschuldig verschijnsel. Daarom worden de preken van sommige imams scherp in de gaten gehouden. Bij overschrijding van de grenzen wordt niet geaarzeld om een imam het land uit te zetten.

Het is buiten kijf, dat de overheid iedere persoon of instantie die aanzet tot geweld, hard dient aan te pakken. Maar waar liggen de grenzen van het optreden van de overheid inzake de vrijheid van godsdienst? De VVD beginselcommissie heeft inmiddels een antwoord op die vraag gevonden. Artikel 1 van de Grondwet, het non-discriminatiebeginsel, gaat boven de vrijheid van godsdienst. De VVD kiest er dus voor om een rangorde aan te brengen in de Nederlandse grondrechten. Hoe men hier verder ook over denkt, duidelijk is wel, dat de godsdienstvrijheid in onze samenleving zwaar onder vuur ligt. Maar misschien vergis ik me, en zijn we slechts bezig de godsdienst te domesticeren. Als ik De Wijer mag geloven, dan behoort dat ook voor de kerken een hoge prioriteit te hebben. Mijn vraag daarbij is die naar het criterium. Bij De Wijer lijkt het criterium de dialectiek van de Verlichting te zijn. De vraag is dan hoe zich deze dialectiek verhoudt tot de vrijheid van de prediking. Is de vrijheid van het Woord gebonden aan normen die kennelijk buiten het Woord zelf liggen? Is Gods openbaring in Christus primair een redelijk gebeuren? Wordt hier het geschiede en geschiedende Woord niet opnieuw onder de tucht van de prologemena gesteld? Wat betekent het, wanneer gezegd wordt, dat het bij de vreze des Heren gaat over onze ‘selbstverschuldigte Mundigkeit’? Is hier aan de vrijheid der kinderen Gods niet een grens gewezen, namelijk de door de Verlichting voorgegeven grens van de zichzelf emanciperende mens?

Is hier niet de Verlichting het hermeneutisch kader geworden voor de openbaring? Met andere woorden: zijn we zo niet bezig het getuigenis der Schriften aan de banden te leggen van de rede en de redelijkheid uit angst voor onrust in de samenleving? Ik besef dat dit harde vragen zijn, maar zo langzamerhand begrijp ik niet meer wat er –ook in theologenland- aan de hand is. Mijn angstige vermoeden is, dat we uit angst voor de islam onze epistemologische redding zoeken bij datgene waar het weldenkend deel van onze samenleving het nog tenminste nog over eens is: de Verlichting. En zo lijkt de Verlichting plotsklaps redding te brengen uit onze postmoderne scepsis met betrekking tot onze identiteit. We zijn ineens openbaringspositivisten geworden. Maar voor ons hoeft niemand bang te zijn. Wij zullen geen woorden spreken die de werkelijkheid tot omkeer pogen te brengen Wij hebben immers de openbaring aan banden gelegd, zoals we onze huisdieren aan de riem hebben. Dat is immers wat er met ‘domesticeren’ wordt bedoeld. Maar zijn we zo niet bezig met datgene waarvan gezegd moet worden dat het een ‘Angelegenheit des gottlosen Menschen’ is?

J. M. van ‘t Kruis