Heilseconomie en heilsgeschiedenis (I)

logo-idW-oud

 

Heilseconomie en heilsgeschiedenis (I)

“Christ acquired a new faculty,

the timing of the Spirit.

He imparted to us this rightly timed Spirit,

this power not only to proclaim

but also to obey

these promptings in God’s good time,

neither too early nor too late.”

Eugen Rosenstock-Huessy

I am an Impure Thinker

(Argo books, 1970 p. 70)

Crisis van het christelijk zelfverstaan

De huidige management kerk is behoorlijk de kluts kwijt, als je het mij vraagt. Voor zover ik weet heeft de affiche, die in vele kerken hing, met de leuze “Onze vestigingen zijn elke zondag open” geen weerstand opgeroepen. De bedoeling was de aantrekkelijkheid van de gemeente aan te prijzen. De inhoudelijke beleidsnota, die ook in dit blad uitvoerig besproken is, afficheert zichzelf met het thema “Verwondering”, een ervaring, die vroeger alleen maar aan de basis lag van de filosofie. Het blad “Kerkinformatie” heeft een prachtige vormgeving gekregen en briefpapier en logo van de PKN zien er schitterend uit. Verder komt er reorganisatie op reorganisatie. Ook dat hoort bij management, omdat de tering naar de nering gezet moet worden. De toekomst bergt geen gunstige vooruitzichten. Hopelijk kan een nieuwe uitstraling van de kerk een groter deel van de markt veroveren. Zo denken managers.

Een kerk, die het zozeer van de aantrekkelijkheid en van de markt moet hebben, weet eigenlijk niet wat ze te zeggen heeft. Natuurlijk zijn er allerlei mensen, dominees vooral, die heel wat te zeggen hebben. Die gaan dan ook niet mee met de managers, maar staan voor de waarheid – ook al kan die nog meer of minder orthodox uitpakken. Ze vormen zo nog steeds een lastig obstakel voor de managers die een leuke en aantrekkelijke kerk willen hebben, die goede dingen doet en waar de mensen graag komen. Hun waarheid echter blijft opgesloten in hun eigen wereld. Dat is de wereld van de preek, van de dominee, van de christelijke levensbeschouwing. Waar de kerk wel wat te zeggen heeft, is dat alleen bestemd voor de eigen kring en is het missionaire eraf. Waar de kerk missionair is, zet de kerk zich in voor de vele goede dingen, die eigenlijk iedereen wel wil. Als “iets te zeggen hebben” betekent: “tegen iemand iets te zeggen hebben”, mag men toch de vraag wel stellen, wat de kerk nu toevoegt.

Daar nu zit het gemis. Wat mij betreft legt Patijn in een van de vorige nummers van “In de Waagschaal” de vinger bij de zere plek als hij vraagt naar “God als factor in het verloop der gebeurtenissen, in het publieke leven”. Wij slagen er als kerk niet in te zeggen wat men in het publieke leven met “het christelijke” moet. Zolang die vraag geen antwoord krijgt, kan de kloof tussen dominees en managers, christelijke levensbeschouwing en het seculiere leven niet overbrugd worden.

Christelijk bestaan

Levinas merkt ergens op, dat als er buitenaardse levensvormen zijn, die op de aarde landen, en wij kunnen die in vrede ontvangen, dat zij dan de Thora bij zich hebben. Moreel gevoel is een bestaansvoorwaarde voor mens-zijn. Wie dat moreel gevoel heeft, heeft de Thora al bij zich. Joods besef, besef van de morele dimensie, is niet iets dat erbij komt, terwijl alles er al is. Het is de kern van alles wat er is. Als er niet dat kleine beetje morele niet-onverschilligheid is, dat mensen vrede doet sluiten, dan stort de maatschappij in elkaar en is er geen vrede. “Jood zijn is mens zijn”. Zo maakt hij de boodschap van het jodendom tot een soort existentiaal van mens zijn. Maar dan wel een existentiaal, die een historische oorsprong heeft. Ooit is die uitgevonden, of theologisch gesproken, geopenbaard.

Als wij van christelijke zijde ook aan die eis proberen te beantwoorden, dan is het met alle christelijke levensbeschouwing dadelijk gedaan. Het christelijke is dan namelijk niet een kwestie van beschouwing, maar van bestaan. De claim van Levinas is, dat de joodse traditie het echte menszijn ter sprake brengt en daarom iets te zeggen heeft. Psychologen, sociologen, economen, historici, die moeten zich daarmee verhouden, willen zij het nog over echte mensen hebben. Er zijn ook managers, die Levinas bestuderen. Waarschijnlijk niet degenen, die nu het PKN-apparaat besturen.

Er treedt zo een verschuiving in de aandacht op: theologen zijn gewend zich af te vragen wat nu kenmerkend en uniek is aan de christelijke boodschap. De vraag is echter wat er uniek en kenmerkend is aan het christelijke leven. Als met het jodendom een verworvenheid in de geschiedenis is binnengetreden – morele niet-onverschilligheid tegenover de eerste de beste – zonder welke vrede niet mogelijk is, is zoiets dan ook het geval met de christelijke traditie?

Heilsgeschiedenis

Welke verworvenheid is met het christelijk leven in de geschiedenis binnengetreden? En is dat een verworvenheid, die evenzeer als de joodse een onontbeerlijke voorwaarde is voor de moderne maatschappij? Als wij deze vraag stellen laat de moderne geschiedeniswetenschap ons volkomen in de steek. Historici zijn er goed in feiten en afzonderlijke ervaringen te verzamelen. En sommigen wagen zich dan nog aan enige samenhang in de zin van oorzakelijke beschrijvingen. Zij vragen niet hoe en wanneer een bepaald gebeuren de mensen zozeer veranderd heeft, dat er een nieuwe eigenschap de wereld binnentreedt. In de natuurkunde wordt tegenwoordig gesproken over “emergente” eigenschappen, namelijk eigenschappen, die nieuw zijn er niet oorzakelijk uit het voorgaande verklaarbaar. Wie er opmerkzaam op maakt, dat ooit vaders (nee, mannetjes) een andere verhouding tot hun dochters (nee, de jonge wijfjes van de horde) gevonden moeten hebben om in gezinsverband samen te kunnen leven, kan zelf wel denken, dat hij daarmee een evident feit constateert, maar de meeste historici zullen de vraag alleen al naar het rijk der speculatie verwijzen. Zelf komen ze dan bijvoorbeeld met het woord “ontwikkeling”, dat alles moet verklaren, oftewel dat elke verklaring dicht stopt.

Het voorbeeld maakt overigens duidelijk, dat men de vraag naar historische verworvenheden en menselijke kwaliteiten niet alleen tot de christelijke traditie of tot het jodendom hoeft te beperken. De vrede tussen de geslachten, tussen man en vrouw, waarvan het gezinsleven uitdrukking is, is ooit net zo’n krachtige openbaring geweest als de verantwoordelijkheid voor vreemdeling, wees en weduwe in de Thora bij de Sinaï. Het leven in stammen is een eerste stap in de heilsgeschiedenis geweest. Wie hier, waar het over stammen gaat, over heilsgeschiedenis spreekt, brengt met die term de nieuwe verworvenheid in rekening, die op dat moment de wereld binnentrad.

Met de grote rijksculturen treden opnieuw belangrijke nieuwe verworvenheden binnen. Hiërarchie en arbeidsdeling zijn alleen mogelijk, als ongeacht de afkomst naar stammen aan de man aan de top en zijn priesters/ambtenaren bijna goddelijk gezag wordt toegeschreven. Het leven van grote mensenmassa ‘s, zoals in het rivierdal van Egypte, hing daar van af. In de geschiedenisboeken wordt meestal geschreven over het complexere organisatorische vermogen van deze culturen. Daarbij wordt niet in rekening gebracht dat die complexere organisatie nieuwe menselijke kwaliteiten en historische verworvenheden vereist: gehoorzaamheid aan de baas (ook al is die geen familie), specialisatie (wat een vorm van ascese is: je kunt niet alles zijn).

De verworvenheden van Egypte zijn als het ware het Oude Testament van Israël, zoals Israël het Oude Testament is voor de kerk. In beide gevallen betekent “Oude Testament” noch oud noch testament, want bij de volgende stap blijft de vorige verworvenheid behouden. Sterker nog: vaak is een volgende stap nodig, wil de vorige verworvenheid niet door eenzijdigheid teloorgaan.

Onze moderne economie teert nog steeds op de verworvenheden van de hiërarchie van Egypte en andere Rijken. Toch is desondanks in onze moderne economie een drang naar voren geaccepteerd die Egypte niet kende en die zonder wat zo mooi de joods-christelijke traditie heet niet deel van onze levensorde geworden zou zijn, en die dat in veel delen van de wereld nog steeds niet is. En waarschijnlijk is zonder een dergelijke drang naar voren een globale samenleving, die geen enkele cultuur uitsluit ook niet mogelijk. Dat betekent, dat alle culturen – willen zij kunnen deel uitmaken van een wereldomvattende samenleving – een zekere onvrede nodig hebben met wat nu bereikt is, een verlangen naar een hogere gerechtigheid, willen zij zich voor elkaar kunnen openen. Noem ik daar niet een eigenschap – verlangen naar een hogere gerechtigheid -, die nergens zo nadrukkelijk gecultiveerd is als juist in jodendom en christendom?

Het christelijke en het “kruis der werkelijkheid”

Ik ben begonnen te wijzen op Levinas, die jood zijn als kern van menszijn aanwijst. Als een onontbeerlijke voorwaarde voor ons samenleven. Het opmerkelijke is nu, dat Levinas deze kijk op de joodse traditie ontleent aan Rosenzweig, die naar eigen zeggen, in zijn boeken te vaak aanwezig is om hem expliciet te citeren. Rosenzweig heeft de joodse bijdrage omschreven als “eschatologie” en hij bedoelt daarmee: de jood is kritisch jegens elke historische verworvenheid omdat hij het oog al gericht heeft op het einde van de weg, de voleinding, die als een Ster van Verlossing aan de horizon straalt. Rosenzweig antwoordt met het benadrukken van deze bijdrage op de uitdaging van Rosenstock-Huessy. Rosenstock-Huessy heeft namelijk al eerder het christelijke leven als kern van menselijk bestaan beschreven. De mens staat steeds op een kruispunt van vier wegen, en loopt gevaar door alle vier wegen geabsorbeerd te worden. Tijdig met elk van deze wegen te kunnen ophouden, “omvormbaar” zijn, nee tegen jezelf zeggen en anders kunnen, dat is de christelijke verworvenheid.

Die vier wegen zijn:

1. -Leven uit het verleden: oude traditie voortzetten, of platgetreden paden bewandelen, doen waar je goed in bent (bijvoorbeeld in de vorm van stammen, die hun tradities koesteren).

2. -Functioneren in de buitenwereld: zorgen voor je natje en je droogje, deelnemen in de cyclus van productie en consumptie, zoals reeds bij de vleespotten van Egypte (arbeidsdeling).

3. -Overeenstemming zoeken in de binnenwereld: bijvoorbeeld vergelijken door algemene begrippen in een beschouwelijk houding (de Grieken), of een harmonie van tegenpolen instandhouden (China).

4. -Het oog richten op de toekomst: kritisch zijn, eventueel zozeer, dat de verbinding met het verleden en met de andere polen van de werkelijkheid nauwelijks meer te maken is (de joodse profetie).

Rosenstock-Huessy noemt dit kruispunt van vier polen het “Kruis der Werkelijkheid”. Het is ook echt een kruis, want een mens moet voortdurend van ophouden weten en een kleine dood kunnen sterven. Soms ook een grote. Van elk van deze vier polen is veel meer te zeggen dan hier zo kort gedaan is. Verschillende culturen hebben het bestaan op verschillende van deze vier polen meer uitgewerkt en gearticuleerd. M.a.w., elke cultuur heeft zo zijn specialisme en dus eenzijdigheid. Nu is de vraag hoe deze culturen zich naar elkaar kunnen omwenden en zich voor elkaar openen. Zoveel is wel duidelijk: een mens moet met alle vier polen iets aanvangen, zonder zich door elk van hen te laten absorberen. Een tijd met toewijding iets doen en dan weer anders: dat te kunnen is de christelijke verworvenheid. Daarmee is het christelijke leven een voortdurende en daarom ook vaak onzichtbare verbindingsstreep.

De dialogische of dialectische verhouding tussen de benadering van Rosenstock-Huessy en die van Rosenzweig is hier eveneens mee gegeven. De kruisvorm van de werkelijkheid beduidt, dat wij mensen ons steeds wijden aan een bepaalde taak, maar ook steeds opnieuw, van tijd tot tijd, een breuk toestaan en een andere kant uitgaan. Zo worden de brokstukken verzameld en vergaderd onder het hoofd van Christus (Kolossenzen 1: 16,17). Dat proces mag er zijn, ook volgens Rosenzweig, maar als jood zet hij het volle gewicht op de toekomst, eigenlijk om daarmee de christen wakker te houden en te manen, dat het einde nog niet bereikt is.

In een volgende bijdrage hoop ik te laten zien dat het viervoud van deze vier polen in een veelvoud van culturen verder ontwikkeld is, en dat zulks hoogst actueel ook bestaansvoorwaarde is voor moderne grootschalige organisaties en economieën.

Otto Kroesen

(Otto Kroesen is studentenpastor en universitair docent ethiek aan de Technische Universiteit Delft. Contact:

J.O.Kroesen@MoTiv.tudelft.nl“>J.O.Kroesen@MoTiv.tudelft.nl)

(Het tweede deel van dit artikel verschijnt in een later nummer- redactie)