Zomaar wat (De jeugd van ‘68)

logo-idW-oud

 

ZO MAAR WAT (De jeugd van ‘68)

In de jaren zestig ging de naoorlogse jeugd zich roeren en breken met een belast en benepen verleden. Geert Mak stond er bij stil in zijn televisieserie ‘In Europa’ van 1 februari jl. Hij kon zichzelf als getuige en gesprekspartner oproepen, want als ‘een braaf gereformeerd speculaasje’, zei hij n.a.v. een foto, ‘kwam ik, in 1965 vanuit Friesland naar het woelige Amsterdam’, met de hippies, de provo’s, de protesten tegen de Vietnam-oorlog. Het zou bij hem en bij velen blijvende sporen achterlaten.

De vraag is en blijft of het diepe sporen waren. De continuïteit met het verleden kreeg al spoedig het overwicht. Een politiek-maatschappelijke omwenteling, waarvan men droomde, kwam niet tot stand. Het leek er even op, mei 1968 in Parijs, maar de inzet van de studentenrevolte en de arbeidersopstanden zijn tot de dag van vandaag onduidelijk gebleven en De Gaulle had na enkele weken alles weer op de rails. Slechts voor even was de verbeelding aan de macht geweest. Een kort oplichtend vermoeden dat het leven en samenleven veel meer konden betekenen en geven dan ze feitelijk deden. Een ‘surplus du sens’ (Levinas). Het bleef bij een illusie, maar toch een onvergetelijke.

Maar er voltrokken zich zichtbare en opvallende veranderingen eind jaren zestig. Een reeks kleine revoluties, zonder duidelijk aanwijsbare revolutionairen. Geert Mak noemde Oss, waar de firma Organon in 1963 met de pil op de markt kwam. Dat werd een niet onbelangrijke factor in de sterk veranderende omgang tussen jongens en meisjes. De afstand en de afstandelijkheid tussen de seksen namen af, de strenge scheidingen werden opgeheven en het zogenaamde ‘voorechtelijk geslachtsverkeer’ (de jongste jeugd weet nauwelijks nog waar we het over hebben) verloor zijn zware taboe en werd spoedig vrij algemeen geaccepteerd. De keurigste meisjes en de braafste jongens gingen samenwonen en vrijwel niemand sprak nog over ‘hokken’ als over iets verwerpelijks of verachtelijks. Ook homoseksualiteit werd geleidelijk aan geaccepteerd en niet meer abnormaal of abject gevonden, zij het dat de weg hier wel wat langer was. Tegen de achtergrond van de jaren vijftig nog waren dit ongehoorde veranderingen. Veel 30-plussers in 1968 hebben er lange tijd moeite mee gehad en bleven bedenkingen koesteren, totdat die tenslotte ook wegsmolten als sneeuw voor de zon.

Verdacht was trouwens ieder van boven de dertig in de ogen van de nieuwe wegen en vormen zoekende jeugd. Het betrof ook een scherp generatieconflict dat misschien nooit goed is opgelost en tot rust gekomen.

Toch veranderde er ook wel iets tussen ouderen en jongeren in die jaren. Een klein symptoom daarvan is dat we zien dat in die tijd plotseling de voornamen, ook die van de maatschappelijk hooggeplaatsten, aarzelend te voorschijn komen en met nog meer aarzeling ook in het aanspreken gebezigd worden. Mannen voelden zich daarbij soms als op het naaktstrand waar ze voor het eerst helemaal uit de kleren gaan. Vrouwen hadden minder schroom krijg je de indruk, zowel met het noemen van hun voornaam als ook op het naaktstrand. Het is een nog niet geheel voltooid proces met die voornamen, maar wat het gewicht ook is, het wijst op een gewijzigde relatie tussen ouderen en jongeren, en titels en status betekenen geen onoverbrugbare scheidingen meer. ‘Zeg maar jij en zeg maar Jan!’ Anticiperen we daarmee op een samenleving van vrijheid, gelijkheid en broederschap? De oude socialisten gingen ons al voor. Ook dat is een gevolg van die jaren zestig.

Onder theologen was de grote en zeer geleerde Frans Breukelman wel een van de eersten die men wijd en zijd bij zijn voornaam noemde en aansprak. Ook in zijn wijde schipperstrui en met zijn wilde haardos belichaamde Frans in zekere zin de jaren zestig, maar bij hem kwam het uit een andere inspiratie en bevlogenheid voort, al zal een superieure minachting voor academische titels en erkende geleerdheid er niet geheel vreemd aan geweest zijn. In ieder geval vond hij ruimschoots navolging in de Amsterdamse Faculteit waar hij vanaf eind jaren zestig docent was. Bij de hooggeleerden Beek, Mönnich of Van Niftrik had men geen flauw vermoeden van hun voornamen – die hoorde men pas bij hun overlijden – maar bij de volgende generatie docenten volstond men vaak met de voornamen. Overigens waren er hier lokale verschillen: in Utrecht en ook Leiden bleven de titels en de achternamen in ere, al was het om aan te geven dat men daar met die jaren zestig weinig te maken wilde hebben. Niet meer dan een dwaze uitglijder.

En ja, dan de kleding en het haar. Vrouwen gingen lange broeken dragen en nog maar zelden de op scholen vroeger verplichte rok. Ik heb hier de ontwikkelingen niet nauwgezet en op de voet gevolgd, weinig geïnteresseerd in rokken en broeken als ik ben, maar er zal zeker een verband zijn met de tweede feministische emancipatiegolf van begin jaren zeventig. Nog opvallender was de verandering bij de (jonge) mannen: de haren, soms ook die van de baard, liet men wild woekeren, het colbertje werd verwisseld voor de coltrui, de knellende stropdassen werden weggesmeten om pas schuchter in de jaren tachtig een enkele keer terug te keren.

Het was een protest tegen het ‘burgerlijke’, een term die een van de ergste scheldwoorden werd. Men wenste zich ‘proletarisch’ te kleden, rookte shag en zag er bij voorkeur enigszins ongewassen uit, maar de meesten kende men al na tien jaar nauwelijks meer terug. Terug naar de uiterlijke keurigheid, zij het een stuk hipper dan in de jaren vijftig. Alleen bij enkele nonchalanten herkent men nog de afkomst uit de jaren zestig.

Zo onschuldig en vrij van emoties verliep dit alles overigens niet: er werd venijnig van ‘langharig tuig’ gesproken en de marine ranselde op eigen initiatief de damslapers (een woord dat mijn computer niet kent!) een keer uit elkaar. Nee, deze linkse jeugd genoot geen brede populariteit. Zij moesten zich staande houden in hun dromen en idealen, maar die verflauwden en vervlogen, gaandeweg. Toen hadden ze niets meer om voor te leven of naar te verlangen De meesten hebben zich illusieloos gevestigd in de maatschappij en genieten de weldaden van de welvaart.

Maar zo hadden zij het niet bedoeld, destijds, de zestigers, zeventigers van nu – en soms moetenzij even huilen. Zonder te weten waarom precies en als cynisme hun hart niet heeft dichtgeschroeid.

Rens Kopmels