Overschrijdingen van de doodsgrens

logo-idW-oud

 

OVERSCHRIJDINGEN VAN DE DOODSGRENS

Er is in onze cultuur en in ons daadwerkelijk leven nog altijd een impliciet, onuitgesproken geloof in de opstanding uit de dood. Dit geloofsartikel met de kerk expliciet te belijden is onze moderne of postmoderne cultuur weliswaar te gortig, maar de vraag is of er toch geen cultuuruitingen zijn die de mogelijkheid van de overschrijding van de doodsgrens veronderstellen. Of die zelfs feitelijk voltrekken.

Ooit zag ik een Japanse film waarin de doden in diepe stilte begraven werden en overgeleverd werden aan het eeuwige zwijgen. ‘De grote stilte’ -overigens de titel van een beroemde film uit de jaren zestig van de Zweed (!) Ingmar Bergman- legde op een ijzingwekkende wijze beslag op hen. Dat is in Europa doorgaans toch anders. Bij het graf wordt er altijd nog wel een enkel woord gesproken of zelfs een lied gezongen om dood en sterven niet het laatste woord te geven. De overlevenden nemen de doden mee in hun gedachtenis én in hun verwachting. Want gedenken geschiedt met het oog op heden en toekomst. Het is -meer dan louter herinneren- een erkentelijk en dankbaar hernemen van wat het verleden nog bevat aan onvervulde belofte en opdracht.

Ook het verdriet om het smartelijk verlies van een geliefde is niet de enige toonsoort van de rouw. In dit ten einde toe doorleden verlies kan een nieuw begin ontstaan, een wedergeboren worden tot een nieuwe liefde en een nieuwe hoop (Moltmann). De dood is niet het enige perspectief van wie verder leven. In het ‘memento mori’ kan ons het levenslicht zeer lief zijn en de levenstaak aan urgentie winnen. Er is geloof in de toekomst waaraan ook de gestorvenen en zij die gaan sterven deelhebben. De doden worden niet volstrekt vergeten, ook al ruimt men in onze tijd en in onze contreien hun graven en verwijdert men hun grafstenen. Maar dat laatste is dan ook een veeg teken, een bedenkelijke terugval in barbaarse, voor-christelijke tijden en in wezen het opgeven van het geloof in de toekomst en de opstanding der doden. Er is immers niets meer en niets anders dan het door de dood vast begrensde leven met zijn behoeften en begeerten. De satisfactie van die rijk gevarieerde behoeften en begeerten is de ultieme menselijke bestemming. Als dat lukt heten we gelukkig en spreken we van een vervuld of zelfs geslaagd leven. We zouden niet goed weten waarvoor we anders leven en werken.

Toch moeten we ons afvragen of daarmee aan het werken in onze cultuur recht wordt gedaan. Gebeurt dat alleen om den brode, al is dat op zichzelf geen oneerbaar motief? Of reiken we daarin toch ook naar een toekomst aan gene zijde van onze dood? Een toekomst die we zelf niet meer zullen meemaken. Voor de individuele, werkende mens is dat nog maar zelden een levend besef, maar cultureel en collectief gezien wordt er in onze economische en maatschappelijke operaties toch ook toekomst geopend of althans geïntendeerd voor de levenden ná ons. Soms lijkt de economische bedrijvigheid niet meer dan de opmaat tot één groot en grootschalig ‘potverteren’, maar er leeft ook zorg voor wie na ons komen in ons werk. Het ‘après nous le déluge’ is niet het enige refrein in het lied van de arbeid. Er is zeker ook verantwoordelijkheid voor de toekomst. We werken voor een toekomst waarvan we wellicht niet meer zelf de getuige zullen zijn en de vruchten zullen plukken. ‘…maar doe mij in de oogst geloven waarvoor ik dien.’ Die dichtregel van –naar ik meen- Henriëtte Roland Holst is het arbeidsethos zelfs in een neokapitalistische wereld niet geheel vreemd.

Nu, dat mag waarachtig menselijk leven heten: niet alleen voor zichzelf en het eigen geluk leven, maar ook voor dat van anderen en van wie na ons komen. Dan is met onze dood niet alles voorbij, want wat de toewijding en de liefde van ons hart had kan ons overleven en wordt op de baan naar de toekomst geschoven. In deze onzelfzuchtigheid van de liefde vrezen we de dood niet met een laatste vrees en betwisten we hem feitelijk en metterdaad zijn heerschappij over ons bestaan.

Voor wie leeft in de toewijding van de liefde is althans de eigen dood niet de grootste ramp. Meer dan de eigen dood vreest hij die van de ander die hem lief is en voor wie hij verantwoordelijkheid draagt. Erger dan het eigen sterven is hem de moord op zijn naaste (Levinas). Voor de alleen egoïstisch levende mens is de dood het einde zonder meer en tevens het ergste wat hem overkomen kan, maar in het in onbaatzuchtige liefde geleefde leven is er overschrijding van de doodsgrens. Daarin valt het licht en de weerglans van de toekomst en leeft het besef dat de zaaiers tegelijk met de maaiers zich verheugen bij het binnenhalen van de oogst. (vgl. Joh.4:36)

Is het dan onze liefde die beslist over de authenticiteit en het blijvend waardevolle van ons leven? Die vraag naar de echtheid en de waarde van ons leven is haast onontkoombaar als we met dood en sterven geconfronteerd worden. Wat was en is werkelijk de moeite waard? Muziek, gedichten, landschappen, mensen? Vriendschap, huis en hof, vrouw en kinderen? Erotiek of esthetische verrukkingen? Het kan allemaal, mits we leefden en leven als verantwoordelijken voor onze naasten, mits we die niet liefdeloos negeerden en aan hun lot overlieten. De liefde is conditie voor het levensgeluk. Wie niet liefheeft en zijn verantwoordelijkheid ontkent of ontwijkt zal het geluk niet smaken. Het zal hem vergald worden door schaamte en schuld. Weliswaar zal de levensgenieter en de gelukzoeker dat heftig ontkennen, maar de aanblik en het oordeel van zijn naaste kan hij niet ontlopen, hoe zeer hij zijn (gevoelige) huid ook beschermt met een pantser van onverschilligheid.

Gaat het in wat dood en doodsangst overwint nu om de liefde waarmee we zélf liefhebben? Of eerder om de liefde waarmee we geliefd zijn? Is in dat laatste de echtheid van ons leven besloten? Omdat iemand van mij houdt ben ik van belang en betekenis. Ik leef niet echt als niemand naar mij omziet, niemand een beroep op me doet, niemand me begroet of verwelkomt. Voor het aangezicht van de geliefde die ook mij liefheeft krijgt het monotone en glansloze leven reliëf, kleur en schittering. De dingen maken zich los uit hun onverschilligheid en gaan ertoe doen. Speciaal elke verliefde man of vrouw weet dat en ervaart dat op een verhevigde wijze. Hij of zij zegt of zingt als de dichter: ‘Ik leef niet echt als gij niet met mij zijt’ (Oosterhuis). Wendt de geliefde haar of zijn aangezicht af, dan valt alles terug in het onbeduidende en eentonige van de alledaagsheid. ‘Verwerp mij niet van voor Uw aangezicht’, bidt de gelovige. ‘Ne me quitte pas’, zingt Jacques Brel in een haast eindeloze en aangrijpende herhaling van die woorden in zijn chanson. Laat mij niet vallen in dat donkere gat van eenzaamheid en dood, waar niemand mij kent en niemand mij liefheeft en waar alle lof en alle lust ons vergaat.

Want als we leven als de mens die we zijn, authentiek en onvervreemd, dan is het in de aandacht en door de vrij geschonken, onverplichte liefde van de ander. Ik ben voor wie mij liefheeft en mij noemt bij mijn naam. In dat gezien en gehoord worden, het gekend en bemind worden ontsta en besta ik als de mens die ik ben en zijn zal.

Op deze liefde die mij beoogt en bedoelt, heeft gevonden, heeft de dood geen vat. Zij blijft ook als we gestorven zijn en wij blijven in haar. ‘Niets’, zegt de apostel (want die hebben we er hier wel bij nodig!), ‘zal ons kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Heer’.(Rom. 8:39)

We mogen geloven en weten dat we leven in Gods eeuwige aandacht, in de herinnering van onze namen waarin we niet worden achtergelaten in de voorgoed verleden tijd, maar in de kracht van de Geest meegevoerd worden naar zijn toekomst, die als de zijne ook de onze is.

Zullen we er ook zelf bij zijn als subject, in een vernieuwde en verheerlijkte lichamelijkheid, met ogen die zien en oren die horen? Etend en drinkend? Als elkaar beminnende mannen en vrouwen?

Het apostolisch evangelie houdt daar in de notie van de ‘opstanding des vleses’ wel aan vast. Ons voorstellingsvermogen en onze geloofscapaciteit gaat dat weliswaar verre te boven, maar dat ons geopende perspectief kleurt en stempelt niettemin ons aardse en tijdelijke leven. Dat is een preludium op het eeuwige leven. We smaken het al hier en nu en ons sterven-moeten kan daaraan geen afbreuk doen. Als de nieuwe mens, die we in Christus zijn, hebben we de dood áchter ons en ‘vieren we onze verjaardagen in schaduwloze vreugde’ (Van Ruler). Het korte en vluchtige leven is transparant naar het eeuwige en toekomstige leven.

Men moet wel christen zijn om dat zo te kunnen zeggen en te beleven, maar de seculiere cultuur heeft er ook (nog) weet van dat het leven niet volstrekt gevangen is binnen de doodsgrens. In woord en lied, in werk en procreatie, in liefde en verantwoordelijkheid geeft zij daar blijk van. De Geest als de kracht van de opstanding en het nieuwe begin heeft haar niet verlaten. Ook dat mogen we geloven.

Rens Kopmels