Zomaar wat – Kracht en zwakheid van het geheugen

logo-idW-oud

 

ZOMAAR WAT – Kracht en zwakheid van het geheugen

Deze zomer is vol van herinneringen. Het EK-voetbal in Portugal deed en doet de gedachten terugggaan naar 1974, toen het Nederlands elftal onvergetelijk goed speelde op het WK in Duitsland. Studio Sport besteedde er een hele avond aandacht aan. Nederland verloor in de finale tenslotte van de Duitsers. Sommigen dragen er nog een licht trauma van mee. De penalty van Neeskens in de eerste minuut, toen nog geen Duitser de bal had aangeraakt: 1-0. Dat leek groots te worden. Ik dacht zeker te weten dat Neeskens die strafschop moest overnemen en ook de tweede keer raak schoot. Maar de videobeelden bevestigden mijn herinnering niet. Ik was verbaasd over mijn vergissing. Wat bleek echter? Tegen de Bulgáren was het dat de strafschop overgenomen moest worden. Die herinnering had zich genesteld in die dramatische finale –om het drama nog wat te intensiveren misschien. Ons geheugen is geen computer. Althans niet zo feilloos.

Vanuit die wedstrijd Duitsland – Nederland gingen de gedachten nog weer dertig jaar terug. Tom Egberts van Studio Sport had ontdekt dat twee spelers uit die finale in hun familiegeschiedenis diepe wonden hadden opgelopen in de oorlog: Overath van Duitsland en Van Hanegem van Nederland. De eerste had twee oudere broers verloren en Willem van Hanegem zijn vader: Jo van Hanegem. Die verloor zijn leven in het Zeeuws-Vlaamse Breskens, oktober ’44, toen hij een ventje van een paar jaar met zijn lijf beschermde tegen de granaatscherven. Deze inmiddels grijs geworden Breskenaar vertelde het verhaal. Overath en Van Hanegem het hunne. Voetbal is beter dan oorlog. De bondscoach, die destijds beide gelijkstelde, had het verdiend onmiddellijk de laan te worden uitgestuurd, aldus Hasselaar in dit blad. Daar is niet naar geluisterd. De ‘Generaal’ –want die was het – is nu een gemoedelijke oude baas die geen vlieg meer kwaad doet en nu nog wat bijverdient met best geestige reklame-boodschappen voor ontbijtkoek.

Zelf herinner ik me de zomer van 1944 als een zonnige. Overvliegende vliegtuigen beschoten door de Duitsers. Meestal zonder succes, een enkele keer raak. Ik ervoer het als een spannend vermaak. Dat zou anders worden toen ons dorp eind oktober zelf enkele dagen in de frontlinie kwam te liggen. Dan wordt oorlog ultieme verschrikking. Maar in de naïviteit van een zes-jarige vond ik het vooral spannend.

D-day (6 juni, maar dat is kennis achteraf): de bij ons ingekwartierde Duitse onder-officier juichte. Betekende zijn enthousiasme dat hij de vijand nu ging bevechten óf –en dat is waarschijnlijker- dat hij hoopte dat de oorlog spoedig voorbij zou zijn? Hij verdween richting Frankrijk en nooit is de vraag in mijn familie beantwoord of deze ons zo sympathieke Franz Daller zijn land en zijn geliefden nog ooit heeft terug gezien.

Na Franz Daller kwam Krüger, wiens voornaam ons niet bekend was, maar die we dan maar Paul Krüger noemden. Hij had volgens mijn vader aan het oostfront gevochten, maar liet zich met ons als kinderen, anders dan Franz, niet in.

Ik bewaar één herinneringsbeeld: mijn oudste zusje wordt op 18 juni 10 jaar, een verjaarsdagpartijtje met Zeeuwse bolussen en andere lekkernijen. Paul Krüger staat zich in zijn blote bovenlijf- met- littekens te wassen achter het huis. Zo iets doet een geharde Duitser blijkbaar buiten. Het zal mijn moeder wel geweest zijn die voorstelde ook Krüger een bolus te brengen. Want mijn goede moeder wist dat je ook je vijanden moest liefhebben; een gebod waar mijn vader wat meer moeite mee had in die tijd. Op een schoteltje biedt mijn jarige zus enigszins beschroomd hem de bolus aan. Hij accepteert hem, maar tot mijn en ons aller verbazing laat hij hem op het schoteltje liggen, eet hem niet op… ‘Nam hij hem dan niet mee naar zijn kamer’, vroeg mijn jongere zus, toen ik deze herinnering dezer dagen ophaalde op de 70-ste verjaardag van mijn oudste zuster. Kijk, dat weet ik nou niet meer. Het geheugen is een groot wonder de mens ingeschapen, maar het is ook zwak en feilbaar. Als de mens zelf.

Rens Kopmels