Oprecht veinzen

logo-idW-oud

 

OPRECHT VEINZEN

Theo de Boer breekt in Trouw van 1 november een lans voor de uitdrukking ‘oprecht veinzen’ als karakteristiek voor gelóóf. Het gaat in het geloof niet om ‘waarheid’ zoals bij wetenschappelijke of anderszins verifieerbare uitspraken, niet om ‘adequatio reï et intellectus’, om overeenstemming tussen de zaak en het begrip ervan. Als voorbeeld noemt hij ‘bedanken’ en ‘begroeten’, waarbij de waarheid ook niet in het geding is. Wie met zijn geloofsuitspraken waarheid claimt en er een ideologie van maakt komt in de gevarenzône van het opleggen van dwang. Iemand als Kuitert is daar allergisch voor en dat is hem op zichzelf in dank af te nemen, al kleedt hij tegelijk alle geloofsuitspraken uit tot op hun houdbaarheid of plausibiliteit en dan blijft er niet veel van over. We houden aanzienlijk meer overeind als we geloofsuitingen op de noemer zetten van het ‘oprechte veinzen’. We doen alsof we weten, maar we geloven alleen maar. Dat dan evenwel aan onze onwetendheid en de aan het geloof inherente onzekerheid voorbij. ‘In voorgewende vergetelheid’, zegt De Boer. Hij merkt verder op dat geloof durf veronderstelt. Het is een (klein) waagstuk. Het is in ieder geval een doen dat zich (wellicht) loont. Mooi is wat hij van Pascal aanhaalt: ‘Ga eens naar de kerk, steek eens af en toe een kaars aan, sprenkel wat wijwater en op een gegeven moment merk je dat je ongemerkt bent gaan geloven’.

Ja, zo gaat dat en daar is weinig mis mee. Lees of nog beter: zing eens (oprecht) een psalm (om het wat meer protestants te zeggen) en je bent al aan het geloven. Het geloof van de psalmist deelt zich aan ons mee als we de psalm meezeggen of meezingen. Geloven in christelijke zin is altijd geloven op de wijze en in het spoor van psalmisten, profeten en apostelen en dus op kerkelijke wijze. Het is delen in het geloof van anderen en op hun gezag en voorgang. Ook daar is weinig mis mee. Het geloofsinitiatief ligt niet bij onszelf. Als er al eens een besluit in de mens valt wat het geloof betreft, dan is dat een uitgelokt besluit vanuit de overmacht van de Geest, die werkt en tot ons komt in liederen en gebeden, in woorden, mensen en gebeurtenissen. De weg loopt hier van buiten naar binnen. Het geloof is in eerste instantie ‘lippendienst’ en dat het hart achterblijft in twijfel en mismoedigheid is vaak wel waar en ook wel erg, maar dat maakt het geloof als uiterlijkheid nog niet onwaarachtig of onoprecht. Misschien geloof ik ooit nog eens van ganser harte en met mijn hele daadwerkelijke bestaan. Zo ver is het nog niet, maar de treurnis daarover mag ons leven niet beheersen.

Treffend is ook wat De Boer zegt aan het eind van dat vraaggesprek: ‘Neem een voorschot op je geloof, en voor je het weet geloof je’. Als ik daarbij enige ongevraagde exegese mag geven, zou ik zeggen: Je kunt je alvast aan Gods geboden houden zonder te weten of het ook Gods geboden zijn of je hoort al naar de toekomstmuziek van Gods beloften en stemt er je eigen levenslied op af zonder de zekerheid dat die beloften ook in vervulling gaan. Dat lijkt me exact geloven. Wandelen in de geboden, ademen en zingen op de maatslag van de beloften, inspelen op de toegezegde toekomst van vrede wereldwijd.

Dan vervalt toch eigenlijk ook die schijnbaar beslissende vraag naar het bestáán van God. Want in genade, vrijspraak en vergeving, in het licht dat over ons opgaat in Woord en sacrament is God openbaar en tegenwoordig. Hem daarvan abstraheren zou zijn wezen aantasten. En dat wezen impliceert zijn bestaan! Zijn essentie, wat en wie Hij is, gaat in zekere zin vooraf aan zijn existentie, aan dát Hij is. (Dat meen ik ook – èlders – van Theo de Boer geleerd te hebben). De gelovige heeft geen behoefte aan de affirmatie van het bestaan van God. Dit geloofsartikel is in ieder geval niet los verkrijgbaar. Niet los van het verhaal dat er van Hem rondgaat en dat er aan Hem vast zit. We geloven in God -én we leren Hem kennen- verhalenderwijs, zingenderwijs, spelenderwijs. Kortom: oprecht veinzend.

Maar er is wat ik zou willen noemen een typisch protestantse ketterij, die zegt: ‘Eerst weten en dan geloven’. Ik begin er niet aan als ik niet weet of God bestaat of zelfs zeker meen te weten dat Hij niet bestaat. Als agnost of atheïst heb je in de kerk niets te zoeken, want dat zou toch veronderstellen dat God er is en juist dat meen ik te moeten betwijfelen of ontkennen op rationele en/of empirische gronden. Zo maakte ik eens een student mee die graag zong in de cantorij van de studentengemeente, maar er mee ophield toen hij bij zichzelf ontdekte dat hij niet in God geloofde. Voor ‘oprecht veinzen’ voelde hij dus niets. Het was een ernstige jongen. Het geloof als ‘een zeker weten of kennis’ ging bij hem vooraf aan het ‘vaste vertrouwen’, dat het geloof volgens de Heidelbergse Catechismus (Zondag 7. Vraag 21) óók is. Deze volgorde was hem principieel en is dat voor veel protestanten en vooral ex-protestanten naar mijn stellige indruk.

Dat is weliswaar niet het hele verhaal -want de arglist van het menselijk hart nemen we er niet in mee-, maar een omkering van de volgorde van geloof als kennis en geloof als vertrouwen lijkt zeer ter zake. Eerst je toevertrouwen aan de geloofspraxis en dan ga je ook kennend en wetend geloven. (Of ook niet, want het is geen garantie). Je zult Gods Woord toch eerst moeten horen om het te kennen en het te verstaan; Jezus eerst volgen, al is het maar met de vinger in de Schrift, en hem al vertrouwen schenken om vervolgens (en hem al volgend) te leren en te ervaren wat er in deze Naam besloten ligt aan belofte en bemoediging, aan kracht en kritiek, aan licht en wegwijzing.

Jezus als het Woord van God tot ons en tegenover ons verzin je niet. Hij is geen fictie, geen product van onze verbeelding, al maakt hij verbeeldingskracht, creativiteit en inventiviteit in ons los, want de sprake die er van hem uitgaat is ook tegenspraak en oordeel. Het geloof in Christus vindt in hem ook zijn kritische maatstaf.

Daarmee wil ook gezegd zijn dat kennis en weten geen irrelevante zaken zijn in het geloof. Wel degelijk is er op de weg van het geloof sprake van ‘cognitio’ (kennis), ja, van aan de ‘externe referent’ (=het openbaringsgetuigenis) verifieerbare en corrigeerbare kennis. Het betreft hier niet louter ‘opinio’ van het gelovende subject, maar echte ‘cognitio’ van het object, die niet alleen maar voor dat subject geldt. We krijgen te maken met bevrijdende en verplichtende waarheid. Praktisch-existentiële waarheid weliswaar, meer betrouwbaarheid (’emeth’) dan onverhuldheid (‘aletheia’), maar het geding en de strijd om de waarheid houden we niet buiten de deur, als we het geloof opvatten als een ‘oprecht veinzen’.

Ook is het niet om het even wat en hoe we geloven. In ons geloven als acte, als moedige daad komen we de subjectiviteit en de interioriteit van ons bestaan niet te boven. Het is niet meer dan fluiten in het donker. Daar is niets verachtelijks aan, integendeel, maar in het horen van het evangelieverhaal begeven en bevinden we ons in de ruimte en in het kritische licht van de over ons en onze wereld uitgesproken en geopenbaarde waarheid. Van die waarheid, dat Woord zijn we niet zelf het subject. Dat zal ook betekenen dat we er niet de beschikking over hebben en elkaar de waarheid inderdaad niet kunnen opleggen, maar we mogen elkaar de waarheid ook niet onthouden of doen alsof daar geen sprake van zijn kan.

Het oprechte veinzen vindt zijn grens in de waarheid, die ons gevangen neemt en die ons zo oprecht en vrijmoedig spreken en handelen doet. Aan elk veinzen voorbij.

Het is een goed begin van het geloof, maar geen laatste woord. Dat zal Theo de Boer ook niet willen pretenderen.

Rens Kopmels