Barths theologie blijft prikkelen en uitdagen

Barths theologie blijft prikkelen en uitdagen

Vandaag is het honderd jaar geleden dat de Zwitserse theoloog Karl Barth werd geboren. Bij deze gelegenheid worden er op verscheidene plaatsen herdenkingen georganiseerd, onder meer in Bazel, de plaats waar Barth, nadat hij in 1935 door de nazi’s als hoogleraar in Bonn was ontslagen, tot zijn dood in 1968 gewoond en gewerkt heeft. Ook in Utrecht en in Rijswijk worden vandaag bijeenkomsten gehouden, waar de betekenis van zijn werk onderwerp van bespreking is.

 

Wat heeft deze theologie opgeleverd voor kerk en theologie in de twintigste eeuw? Is zij niet eigenlijk on-twintigste-eeuws? Die gedachte vindt dr. C. van der Kooi maar onzin. Hij is gereformeerd predikant in Leimuiden en promoveerde vorig jaar met lof op een proefschrift over de theologie van de jonge Karl Barth.

Sommigen noemen Karl Barth de kerkvader van onze eeuw, andere typeren hem als de grootste restaurateur van het christendom in onze tijd. In elk geval is duidelijk dat Barth op een geheel eigen en originele wijze heeft geprobeerd de inhoud van het christelijk geloof opnieuw te doordenken.

Daarmee leverde hij een prestatie die vergelijkbaar is met wat in de vorige eeuw Schleiermacher voor de theologie deed en Hegel voor de filosofie. Men hoeft het er niet mee eens te zijn, men kan het er zelfs grondig mee oneens zijn, en toch groot respect hebben voor denkprestatie die Barth met zijn dogmatiek leverde en waardoor hij nog steeds zijn stempel op de huidige theologie drukt.

Nu heeft dogmatiek bij velen een slechte naam, Het zou een bezigheid zijn, die gelijk staat met luchtfietserij of tenminste een stijve halsstarrigheid. Halsstarrigheid komt overal voor, waarom dus ook niet bij dogmatici!

Toch lijkt me het verwijt bij Barth niet op te gaan. Hij is zijn leven lang bezig geweest te proberen op een geordende en bijbels verantwoorde wijze na te denken over de relatie tussen God, mens en wereld. Barth realiseerde zich daarbij, beter dan zijn omgeving, dat het altijd om een menselijke poging gaat, die nooit af is en in principe steeds weer voor herziening in aanmerking komt.

Zelf heeft hij bewezen op zijn ideeën te kunnen terugkomen. Zo is zijn tweede Romeinenbrief van 1922 een correctie op de eerste uitgave van 1919, de Kirchliche Dogmatik van 1934 een herziening van de Christliche Dogmatik van 1927 en de laatste delen van de KD zijn bepaald geen rechtstreekse voortzetting van de eerste delen.

Bijbel

Hoe begon het? Aan de wortel van Barths theologie ligt een groot respect voor de Bijbel. Bijbelteksten zijn geen illustratie voor ons eigen gevoel of onze eigen mening, maar men zal ze in hun vreemdheid moeten leren respecteren en naar ze willen luisteren.

Vele ervoeren Barths Romeinenbrief, waardoor hij beroemd werd, als een ingrijpende ervaring. Hier werd de Bijbel opgeladen wijze uitgelegd, niet als een stoffig document van vroeger, maar als een actuele, op het heden toegesneden boodschap van oordeel en genade,

Barth heeft zijn herontdekking van de Bijbel als Woord Gods eens vergeleken met de situatie van iemand die vanuit een huis door het raam naar buiten kijkt. We moeten ons dan natuurlijk zo’n Zwitsers huis voorstellen met een brede overkapping. De nieuwsgierigheid van de man in het huis wordt getrokken doordat hij de voorbijgangers ziet stilstaan. Ze kijken allemaal omhoog, het hoofd achterover, naar iets dat zich aan zijn zicht onttrekt door het overhangende dak. De aandacht mag in dit voorbeeld getrokken zijn door een vlieger of een ander vliegend ding, de bedoeling is duidelijk. De bijbelse figuren ziet Barth allen naar datzelfde punt kijken, naar God en zijn openbaring. Daar ligt primair de belangstelling van de Bijbel, niet bij wat van beneden komt.

Grotere rol

Eén van de resultaten van Barths theologie is tenminste dat de Bijbel en de uitleg van de Bijbel een veel grotere rol spelen binnen de dogmatiek dan voorheen. De Bijbel is niet meer, zoals vroeger wel eens de praktijk was, een verzameling van bewijsplaatsen van de christelijke leer, ook de systematicus heeft te speuren naar zin en bedoeling van de bijbelse geschiedenis. Christelijke leer is zo een vorm van consequente exegese. In het spoor van Barths omgaan met de Bijbel kreeg ook de exegese een stimulans. Exegese mag niet enkel bestaan in louter filologische en tekst-kritische arbeid, maar heeft tenslotte een theologische taak. De bijbelse teksten bevatten een boodschap, hebben theologisch gehalte, en die boodschap moet tot spreken gebracht worden.

In zijn eis van strengere theologische aandacht voor de bijbel meende Barth weer aan de kunnen sluiten bij de reformatoren Luther en Calvijn. Trouwens, in veel bredere zin achtte hij kun denken voorbeeldig. Vooral Calvijn laat duidelijk blijken dat het om God gaat en niet heimelijk om een verering van de mens, wat Barth op de filosofie en theologie van de achttiende en negentiende eeuw tegen had. Terwijl in de Verlichting een ontwikkeling begint, waarbij het uitgangspunt meer en meer genomen wordt in de mens – zijn rede, ethisch besef of gevoel – en God steeds meer de problematische factor wordt, is Barth er hoe langer hoe meer toe gekomen de omgekeerde weg te bewandelen: van God naar de mens. De bijbel stelt God niet problematisch, maar de mens. Vanuit de openbaring wordt een licht geworpen op de mens. Niet God is het probleem, maar de mens in zijn rebellie tegen een leven in Gods nabijheid.

Deze volgorde zorgt ervoor dat Barths denken een enigszins onaangepaste indruk maakt in het geheel van wat we in onze eeuw gewoon zijn. Hier lijkt iemand aan het woord te zijn, die totaal geen relatie heeft met zijn eigen tijd, geen gevoel voor de moeite die de mens heeft om over God te praten, geen gevoel voor het atheïsme van onze cultuur. Plaatst men Barth naast tijdgenoten als Tillich, Brunner, Gogarten en Bultmann, dan valt op dat deze theologen expliciete aandacht schenken aan de moderne cultuur en het probleem van de atheïstische mens. In hun theologie nemen ze de mens als het ware bij de hand en proberen hem tot in de voorhof van het christelijk geloof te leiden en liefst nog een eindje verder.

Bij Barth ontbreekt deze directe gerichtheid op de moderne cultuur geheel. In plaats van aansluiting te willen zoeken bij het moderne denken wekt hij eerder de indruk de confrontatie te zoeken of, erger nog, zich te goed te achten voor een voortdurend grensgesprek. Met die cultuur praten alsof men haar vooronderstellingen zou delen is onmogelijk. De theologie heeft in de huidige tijd de opdracht uiteen te zetten hoe de werkelijkheid er in de bijbelse optiek eruit ziet.

Dat maakt meer indruk dan halfzachte verzoeningspogingen.

Hiermee hangt samen dat Barth vooral kerkelijk theoloog wilde zijn, theologie in dienst van de verkondiging van de kerk en niet primair gericht op de cultuur. Hij heeft met zijn scherpe pen dan ook veel meer gefulmineerd tegen het heidendom binnen de kerk dan tegen het heidendom buiten de kerk.

Atheïsme

Inderdaad klopt het dat Barth geen begrip kan opbrengen voor een atheïstische levensbeschouwing. De ontkenning van het bestaan van God staat voor hem gelijk met het blaffen van een hond tegen de maan Feuerbachs theorie dat God een protectie is van menselijke wensen, noemt hij banaliteit die zijn weerga niet kent.

Maar anderzijds kan men ook verdedigen dat er juist een heleboel atheïstische momenten verwerkt zijn in Barths openbaringsbegrip. Of sterker nog, de mogelijkheid van het atheïsme bestaat dankzij de wijze waarop God zich tot de wereld verhoudt. Terwijl in de voorgaande liberale theologie God en mens nog als een symbiotische eenheid werd beschouwd, rekent Barth daarmee af. De negentiende eeuw ging nog van het axioma uit, dat het goddelijke op een of andere wijze direct gegeven is met het menselijke of met onze wereld en in het verlengde ligt van de zedelijkheid.

Barth komt daarin het levensgevoel van de twintigste eeuw op merkwaardige wijze tegemoet, dat hij illusieloos is ten opzichte van deze geschiedenis. De wereld blijft wereld en moet niet opgehemeld worden.

Een tijd lang heeft hij daarom gesympathiseerd met rationalisten van allerlei snit, die de werkelijkheid opvatten als een godloze wereld en die de grenzen van het door mensen kenbare tenminste in acht nemen. Niet omdat Barth zelf niet geloofde dat er geen hoop is, maar hij wilde eerst heel duidelijk stellen dat genade en heil binnen onze wereld als onmogelijkheden aangemerkt moeten worden. Als het heil dan wel gebeurt, dan is dat de onmogelijke mogelijkheid, het wonder van de openbaring.

God moet er zelf aan te pas komen om iets of iemand van Hem te laten spreken. Hij moet mensen zelf aanraken met zijn Geest, van buitenaf, zoals men een glas aan het klinken brengt. Er loopt geen weg van hier naar daar, van een aardse gegevenheid naar God, behalve wanneer God zichzelf geeft.

Genade

Ook wanneer later in de KD het accent bij Barth minder valt op de menselijke onmogelijkheid der openbaring en meer op de werkelijkheid van die openbaring in Christus, waar de kerk in elke preek van uitgaat, dan nog is het moment van die onvanzelfsprekendheid, van de afstand, nog niet verdwenen. Barth is daarin burger van de twintigste eeuw dat hij weet van de onvanzelfsprekendheid.

De mens leeft wel zonder God, maar God heeft besloten niet zonder de mens te willen leven. Als ergens het hart van deze theologie ligt, dan wel hier.

Berkouwer sprak eens van de triomf der genade in de theologie van Karl Barth. Ik denk dat de rode lijn in deze theologie daar op voortreffelijke wijze mee is uitgedrukt. Vanaf zijn eerste pennevruchten tot de laatste is Barths denken een pleidooi om God in zijn oordeel, maar dan ook in zijn genade serieus te nemen. Dan is de mens niet meer de vermoeide Atlasfiguur, die de wereld op zijn nek torst. Niets is belachelijker dan dat.

De mens niets?

Op vele maakt Barths theologie de indruk dat God hier alles is en voor de mens niets overblijft. In zekere zin is dat ook wel zo. In de jaren vijftig heeft Barth toegegeven dat zijn theologie uit de eerste tijd een enigszins ‘onmenselijk’ gezicht had. Maar er moet onmiddellijk aan toegevoegd worden: daar is het niet bij gebleven. De nadruk op de goddelijkheid of de heiligheid van God had mede de functie de gebleken waan van een humaan beschaafd Europa in het licht te stellen. Barth wenst niet meer te buigen voor een ongebroken humanisme, dat zelfs ten overstaan van wereldoorlogen, voortgaande ontreddering en notoire boosheid blijft geloven in de wezenlijke goedheid van de mens.

De moderne mens kan, zo zegt hij, na alles wat hij in deze eeuw gepresteerd heeft, hem niet meer zo imponeren. In de zoektocht naar humaniteit verwijst hij naar het ‘humanisme Gods’.

Dat wil zeggen, hij verwijst naar Jezus als mens waar de menslievendheid van God zichtbaar wordt. Gods goddelijkheid blijkt juist in zijn menselijkheid, zijn vrijheid voor de mens, en de mens leert op zijn beurt bij Jezus menselijk te wezen, een leven te leven dat vrij is voor God en de naaste. Begrippen als mondigheid, vrijheid en verantwoordelijkheid blijken hier wel degelijk de ruimte te kunnen krijgen.

In de kerk

Dit resulteerde bij Barth onder meer in een pleidooi voor de volwassenendoop en tegen de doop van zuigelingen. Terwijl vrijheid en mondigheid veelal de thema’s lijken waar het moderne denken beslag op heeft gelegd, bevat Barths theologie op zijn minst de suggestie, dat juist in de kerk, daar waar men staat onder Gods levende Woord, deze begrippen hun ware inhoud en rijkdom kunnen krijgen.

Als de mens iets weet van Gods vrijheid vóór hem, juist dan is vrijheid geen abstract, losgelaten begrip meer, maar krijgt het plaats als vrijheid vóór de ander, voor een leven dat positief antwoordt op de betrokkenheid van God op ons leven.

Een ontwintigste-eeuwse theologie? Onzin natuurlijk! Maar wel prikkelend en blijvend uitdagend.

 

Ter gelegenheid van Barths honderd jaar oude geboortedag verscheen van J. Fangmeier ‘De theoloog Karl Barth’. Uitg. Boekencentrum Den Haag, 77 blz. Het is een herziene druk van een eerdere uitgave uit 1970.

dr C. van der Kooi

Trouw 10 mei 1986