Een nieuwe plek voor Karl Barth

Een nieuwe plek voor Karl Barth

Het wordt tijd Karl Barth een plek te geven in de gereformeerde theologie van de 20e eeuw, meent dr. G.C. den Hartog in een impressie over het vorige week in Emden gehouden Barth-symposium

Eind vorige week waren uit Duitsland, Nederland, Zwitserland, maar ook uit Amerika en Japan ruim 160 geïnteresseerden – meest theologen – naar de uiterste noordwesthoek van Duitsland gekomen, naar Emden, om er een internationaal symposium over Karl Barth bij te wonen. Wie een beetje gevoel voor geschiedenis heeft, zag zijn of haar gedachten al snel met zichzelf op de loop gaan.

Emden heeft immers als plaats een eigen plek in de geschiedenis van het Nederlandse gereformeerde protestantisme. In 1571 kwamen de Nederlandse gereformeerde kerken daar bijeen, omdat het in eigen land niet mogelijk was, en een kerkelijk leven in de geest van de Reformatie tegen de verdrukking in toch vorm moest krijgen.

Andere kijk?

Als herinnering aan die dagen van de Reformatie kijken in de tot bibliotheek omgebouwde kerk schilderijen van à Losco, Hardenberg en anderen op ons neer, alsof ze ons vragen: hoe doen jullie dat eigenlijk vandaag, in trouw aan het Woord van God kerk zijn? Toen Barth in 1922 en 1923 in Emden kwam om daar lezingen te houden, hingen die schilderijen er ook al, zij het op een andere plaats. Barth vond toen voornamelijk dat ze streng keken, maar misschien zag hij ze ook wel in het licht van de kritiek die hij van gereformeerde zijde – niet in de laatste plaats ook uit ons land – te verduren had. Kijken we in de gereformeerde theologie vandaag anders tegen zijn denken aan?

Ontegenzeggelijk is er intussen het nodige gebeurd. Er is een Tweede Wereldoorlog over Europa heen geraasd, en de kerk in Emden – waar Barth van 1935 is geweest- is ernstig beschadigd geraakt. Men heeft hem niet weer opgebouwd, maar de puinhoop een dak gegeven en er een bibliotheek in ondergebracht. De architecten die het hebben uitgedacht, verdienen een groot compliment, maar het neemt niet weg dat het geen kerk meer is. Is het niet illustratief voor waar we vandaag staan met kerk en theologie: je onttrekt de bouwval aan het oog, en je geeft er een andere bestemming aan?

Voor mij zetten deze uiterlijke dingen de zaak waarom het in Emden ging op scherp: wat is de kracht van de theologie, met name ook van Barth? Is hij nog een tegenstander, of inmiddels een kerkvader? Maar een kerkvader kan ook iemand zijn, die vooral verdiensten heeft gehad, maar die voor de situatie van vandaag nog maar weinig te bieden heeft.

Hoogleraar

Het symposium was gewijd aan de tijd die Barth als hoogleraar in Duitsland heeft doorgebracht. Hij kwam er in oktober 1921, omdat hij benoemd was op de leerstoel voor gereformeerde theologie aan de universiteit van Göttingen, en hij vertrok in 1935, toen de nazi’s hem het professoraat aan de universiteit van Bonn ontnamen. In dat jaar aanvaardde hij een hoogleraarschap aan de universiteit van zijn geboortestad Basel, om er tot zijn dood in 1968 te blijven. Het waren turbulente jaren, waarin Barth ongelooflijk hard gewerkt heeft.

Teleurgesteld over de steun van zijn theologische leermeesters aan de Duitse oorlogsplannen had hij zich gedwongen gezien opnieuw bij het begin te beginnen. Hij ging vooral te rade bij Paulus brief aan de Romeinen. In twee aanlopen had hij leesverslagen geschreven van deze voor het Nieuwe Testament zo fundamentele brief. De tweede versie was net naar de drukker, toen hij benoemd werd. Het was de bezegeling van zijn breuk met de vrijzinnige theologie. Barth moest nu samen met de studenten opnieuw beginnen, en werd overal op predikantenconferenties – ook in Emden – gevraagd te spreken. De boeken, artikelen en colleges uit die tijd zijn wel de spannendste die hij heeft geschreven. Het heeft iets ongelooflijk fris, zoals hij de Bijbel met nieuwe ogen leest, en ook klassieke theologen als Anselmus als gesprekspartner volstrekt serieus neemt. Als hij professor voor gereformeerde theologie wordt, koopt hij eerst maar eens een boekje waarin de belijdenisgeschriften staan afgedrukt. Hij vindt de toegang ertoe, tot de theologie van Calvijn en die van de gereformeerde orthodoxie. De kenners fronsten wel eens de wenkbrauwen, maar één ding moeten ze nageven: hij beschouwt de traditie van de kerk niet als achterhaald en afgedaan.

Theologie

Op dit symposium ging het dus om deze Barth. Vijf en dertig jaar na zijn dood vindt er nog altijd veel onderzoek plaats naar zijn theologie. Niet toevallig was de eerste spreker een Amerikaan, Bruce McCarmack uit Princeton. Hij – en anderen in Amerika – houden zich niet uit enkel historische interesse met Barths theologie bezig, maar ook om zelf theologisch verder te komen. Kort gezegd: men neemt Barth daar serieus als iemand die zich fundamenteel bezonnen heeft op de vraag wat het wil zeggen dat God gesproken heeft en spreekt, in Jezus Christus.

Maar Amerika is niet Europa. Aan deze kant van de oceaan overheersen pogingen om Barth een plek te geven in de geschiedenis van kerk en samenleving. Barth zou een socialist geweest zijn, die een hele theologie heeft geleverd om de keuze voor armen en ontrechten grond onder de voeten te geven.

Anderen stelden dat hij een kind van zijn tijd was, een tijd die als het ware vroeg om autoriteit. Men ging zelfs zo ver Barth als structureel fascistisch in zijn denken te bestempelen, en zo zijn afkeer van de liberale theologie van de 19e eeuw te verklaren. Het enige wat men op zijn tegoed kan schrijven, is dat hij fascistische denkstijl paradoxaal genoeg heeft ingezet om het project van de democratische vrijheden te redden.

Nog weer nieuwe – ingewikkelde – modellen worden met kracht naar voren gebracht. Ze verhelderen altijd weer iets, verrassen door wat je aan nieuws ziet onder de perspectief, maar één ding ontbreekt eigenlijk: de vraag of het Barth niet principieel te doen was om de vraag wat vandaag echt te zeggen is, als je oor te luisteren legt bij apostelen en profeten.

Te kritisch?

Onze landgenoot prof. dr. C. van der Kooi van de VU hield ook een van de hoofdlezingen, over Barths tweede ‘commentaar’ op de Paulus brief aan de Romeinen en de doorwerking daarvan. In dat boek uit 1922 vinden we de grondlijnen van de theologie terug, zoals Barth die in de volgende decennia zou ontwikkelen. Barth weet van de afstand tussen God en mens, houdt niets over dan de rechtvaardiging van de goddeloze, maar – luidde de kritiek van Van der Kooi – het krijgt geen uitbreiding in het leven. Zij theologie blijft kritisch, door alle fasen van zijn ontwikkeling heen, en Barth blijft wantrouwend tegen een beroep op menselijke ervaring.

Deze kritiek klonk ook al in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. Maar we zeggen er nu iets bij. We erkennen dat de kritiek nodig was, gezien de zwakte van kerk en theologie tegenover het nationaal-socialisme. En we zien ook dat die kritiek Barth er niet van heeft weerhouden om zich helemaal aan de kerk te geven, en ook veel betekend heeft voor de vernieuwing van de prediking.

Het wordt – ook voor ons – tijd om Barth zijn plek te geven in de gereformeerde theologiegeschiedenis van de twintigste eeuw. Hij is niet de grote boosdoener, maar een theoloog die de kerk geholpen heeft te rechter tijd te belijden. Maar dán is hij niet slechts een man van gisteren, maar één uit de wolk der getuigen, die ons kunnen helpen om vandaag het rechte woord te spreken. We moesten maar weer eens bij het begin beginnen.

prof. dr. G.C. den Hertog

Nederlands Dagblad, 6 mei 2003

 

Pagina's: 1 2