‘De opbouw van de gemeente is de grote gevechtsactie tegen de chaos.’

logo-idW-oud

 

‘De opbouw van de gemeente is de grote gevechtsactie tegen de chaos.’ (K. Barth K.D. IV,2, 766)

Marius Noorloos drukt mij zijn boek in handen. Het is de vijfde, opnieuw bewerkte, uitgebreide en geactualiseerde druk van zijn veelgebruikte handleiding voor gemeenteopbouw Leven uit de Bron, (Kampen 2003). ‘Reageer daar nou eens op’ zegt hij ‘Jij bent toch ook met gemeenteopbouw bezig geweest’. Hij heeft gelijk. We zijn beiden zestigers en kennen elkaar uit een vorig leven als predikanten in de Zaanstreek. Hij was toen nog gewoon gereformeerd en ik voelde me van de weeromstuit buitengewoon hervormd. Door onze opdracht, hij in het provinciale toerustingswerk en ik in de opleiding voor predikanten, zijn we in aanraking gekomen met het vak, dat in de jaren tachtig ongemeen populair werd: ‘gemeenteopbouw’. Hij is wat Bernard Luttikhuis zou noemen een bouwvakker, zo één die er behagen in schept levende stenen op te metselen tot een robuust Godshuis. Ik ben daarentegen zo’n boer die zich waant in het wijde land waar de zon niet onder gaat en die veel van Gods water verwacht. Wat ons bindt is dat we het technische aspect van het vak willen voeden door het hartelijke gesprek met de schrift. Marius is om zo te zeggen een bevindelijke bouwvakker. De ondertitel van zijn boek luidt dan ook: ‘via geloofsopbouw naar gemeenteopbouw’. Dat is niet verkeerd. En daar komt nog iets bij. Marius heeft zijn boek niet geschreven vanuit de vaktheorie, maar vanuit het veldwerk. Het is gegroeid uit een geslaagde training met een kerkenraad die zich in een conflict verslikt had. Die training heeft hij sindsdien tientallen malen gegeven. Het daarbij horende stappenplan dat in vijf, zes avonden kan worden uitgevoerd, heeft hij uitgewerkt tot een handzaam model, voorzien van een bezinning en aangevuld met 18 bijlagen, zoals signalen uit de praktijk en een paar preekschetsen. Het kan niet eenvoudig genoeg en precies dat maakt het boek bruikbaar.

We weten natuurlijk wel dat deze praktische eenvoud mogelijk gemaakt is door de grondleggers van het vak gemeenteopbouw. Marius verwijst terecht naar K.A. Schippers en J. Hendriks. Zij hebben in vele gemeentes de geesten echt enthousiast weten te maken. Maar men denke ook aan Van Kessel en aan het magistrale ontwerp van Van der Ven in Kerk in Context. Het is opvallend dat de founding fathers van het vak in Nederland voorgekomen zijn uit Kampen, de V.U., Nijmegen en Tilburg. Zij hebben de discussie in Nederland zeker sinds de jaren tachtig in beweging gezet. De Hervormde traditie vertoont hier schijnbaar een lacune. Hoe is dat daar in zijn werk gegaan? De discussie over de opbouw van de kerk had de Hervormde kerk decennia lang tot en met de jaren vijftig in haar greep gehad. Het werk van iemand als Noordmans is er van doordesemd. Ik heb zelf als schooljongen het voorrecht gehad om P.J. Roscam Abbing als Scheveningse wijkpredikant in de jaren vijftig gemeenteopbouw in de praktijk te zien uitvoeren. Daar ging élan vanuit. Maar toen er eenmaal een heuse kerkorde klaar lag, was het blijkbaar wel genoeg geweest. Men ging over tot de orde van de dag: apostolaat, deelname aan de maatschappelijke discussie, kerk zijn voor de wereld en tegelijk het innerlijk toelaten van de secularisatie en de religiekritiek. Dat riep dan weer de vraag op naar de identiteit van de kerk, haar belijdenis en haar geheim. Terwijl tussenbeide de polarisatie uitbrak, schoof men de vragen van de opbouw van de gemeente door naar het seminarie Hydepark. De voorsprong die men had genomen op het gebied van gemeenteopbouw verkeerde in een achterstand op academisch gebied. Schijnbaar, want men vergisse zich niet. De kruidige ecclesiologische inspiratie die er sinds de jaren tachtig uitging van het werk van Ter Schegget, Van Gennep en Dingemans werkt in vele hoofden en harten door. Men had het echter niet zo op dat bedrijvige woord ‘gemeenteopbouw’. Die reserve was zelfs door Karl Barth niet helemaal weggenomen. Die had toch in zijn verzoeningsleer de discussie over de kerk georganiseerd door drie verschillende en niet tot elkaar te herleiden toegangen te onderscheiden. Men spreke belijdend over het ‘zijn’ van de kerk, maar men werke ook aan de ‘opbouw’ van de gemeente en men ga ook als Gods volk op weg ‘onder de volken’. Berkhof sloot zich in zijn Geloofsleer bij deze onderscheiding aan. Maar het hielp allemaal niet echt om een zelfstandige aandacht voor het vak ‘gemeenteopbouw’ te stimuleren. Wat de boer niet kent dat lust hij niet. En zo komt het dat we nu uiteindelijk bij de bouwvakkers in de leer gaan. Terecht kijkt Marius Noorloos me aan: reageer daar nu eens op. Welnu, laat ik mijn betrokkenheid bij zijn project uitdrukken door enkele vragen te stellen.

Soms bekruipt me het gevoel dat de gemeenteleden in dit projekt vooral worden aangesproken als gelovige leden van een organisatie. Dat zijn ze ook. Maar dat zijn ze toch zeker niet alleen? Zijn ze niet ook mensen die van Godswege geroepen zijn om het te rooien in het gewone bestaan, in hun culturele milieu, in de economische strijd om het bestaan, met een feest hier en een ramp daar, gelovig, ongelovig, zolang als ze leven? Daar worden ze toch ook door God geroepen?

Soms krijg ik de indruk dat de gemeenteleden vooral worden opgeroepen om zich te concentreren op de ‘bron’. Die beweging naar de bron toe constitueert hun bestaan, zeker. Maar het is toch zeker niet de enige beweging? Deze zelfde mensen bewegen zich toch ook omgekeerd vanuit de bron in het maatschappelijk leven? Daar gaan ze toch op in het bestaan, met de vragen, de angsten, de verwachtingen, de verschrikkingen? Daar wil de Verborgene hen toch ontmoeten? Gaat het dus niet om een dubbele beweging, nu eens op weg in de vreemde en dan weer als pelgrims naar de bron en vandaaruit weer in de vreemde enzovoort?

Soms lijkt het wel in het licht van dit project alsof de gemeente in wezen een groep gelijkgestemden is, die zich van hun eenheid alleen nog maar wat meer bewust moeten worden. Maar is dat werkelijk het begin van alle wijsheid bij de opbouw van de gemeente? Begint het niet bij de schrik die je om het hart slaat, als je ziet hoe voor Gods aangezicht de gemeente een onmogelijke verzameling is van onmogelijke mensen? In Jezus Christus ontmoeten mensen elkaar die heel vreemd tegen elkaar aan kijken: de Jood en de Griek. En wat erger is: ze blijven elkaar vreemd aankijken. En wat nog erger is: die confrontatie herhaalt zich telkens, wanneer er nieuwe sociale, culturele, economische en godsdienstige tweedelingen in de samenleving ontstaan. Die confrontatie maakt ons toch bewust van de ogenschijnlijke onophefbaarheid van deze tegenstellingen? Wat betekent dat voor het vak en voor de praxis van gemeenteopbouw?

Ik hoop dat deze vragen het vak ‘gemeenteopbouw’ niet onderuit halen, maar juist het belang ervan onderstrepen. Het is vechten tegen de chaos.

Maarten den Dulk