Een geniale anti-filosoof? – Alain Badiou over Paulus

logo-idW-oud

 

EEN GENIALE ANTI-FILOSOOF? – Alain Badiou over Paulus

Alain Badiou werd in 1937 in Marokko geboren, ging wiskunde studeren in Parijs en leeft sindsdien in Frankrijk. Daar is hij vanaf het begin ook politiek links geëngageerd, eerst binnen de socialistische partij, vandaag de dag onder meer betrokken in de Franse discussies over de integratie van allochtonen. Hij noemt zich atheïst; het atheïsme is voor hem zo vanzelfsprekend dat hij voortdurend veronderstelt dat God ‘al minstens tweehonderd jaar dood is’. Dit axioma weerhield hem er evenwel niet van om serieus studie van de brieven van Paulus te maken. In dit artikel ga ik na wat Badiou in de brieven van Paulus vindt en wat de theologie daarmee zou kunnen beginnen.

Het probleem waar Badiou mee inzet, is een typisch postmodern probleem. Het betreft het feit dat ‘waarheid’ steeds meer gekoppeld wordt aan ‘de greep van een gemeenschap, of het nu gaat om een volk, stad, rijk, territorium of sociale klasse’ (33). Waarheid, in het premoderne en moderne denken altijd met universaliteit verbonden, is subjectief geworden. Badiou verzet zich tegen deze trek van het postmoderne denken en beroept zich daarvoor op Paulus.

Nu waren er wel redenen, om waarheid en universaliteit los te koppelen. Die liggen mijns inziens in de vrije val, die (het vertrouwen op) de rede sinds de negentiende eeuw gemaakt heeft. Dat er een universeel geldige redelijkheid zou zijn, is ongeloofwaardig geworden. Het is de culturele context van taal, geschiedenis, sociaal milieu, sexe en levensbeschouwing, die bepaalt wat als redelijk mag gelden. Door het uitgangspunt te nemen in de gefragmenteerde werkelijkheid, is aan het einde de populaire postmoderne conclusie dat ‘ieder zijn waarheid’ heeft. Alain Badiou verzet zich daartegen, maar begrijpt dat hij zich daarvoor niet opnieuw op de rede kan beroepen. Hij ziet dan ook dat bij Paulus de waarheid anders gefundeerd wordt. Waarheid is geen kwestie van weten en kennis, maar van trouw blijven aan een ‘evenement’, aan de beslissende gebeurtenis in je leven die je tot subject gemaakt heeft.

Voor Paulus is dat de Damascus-ervaring. Daar wordt hij van Saulus Paulus. Die nieuwe naam duidt op het ontvangen van een nieuwe identiteit. In de taal van Badiou: hij wordt een subject. Dit subject ontstaat vanuit het evenement, de opstanding van Christus, die zich onderweg naar Damascus als het ware herhaalt in Paulus. Niet het kruis, maar de verrijzenis is dus het centrum van Paulus’ denken. De dood is niet meer dan de locus van de openbaring, van het evenement, aldus Badiou (129).

Dit evenement is een gebeuren aan gene zijde van alle redelijkheid en taal. Het drukt zich vervolgens wel uit in taal, een belijdenis: ‘Jezus is opgestaan’. Deze uitspraak is echter secundair ten opzichte van het evenement zelf en heeft bovendien het karakter van een mythe, aldus Badiou. Het evenement is alleen in mythische taal te vatten en kan daarom voor (post)moderne mensen ook niet geloofwaardig zijn, tenzij het evenement zich aan hen ‘herhaalt’. Badiou ziet echter dat bij Paulus deze mythe wel een nieuwe levenswerkelijkheid fundeert, een universalisme, een manier van mens-zijn waarbij de particulariteiten, die mensen van elkaar onderscheiden, er niet meer toe doen, zodat geldt: in Christus is noch man noch vrouw, noch slaaf noch vrije, noch homo noch hetero, noch allochtoon noch autochtoon, noch rijk noch arm, noch ziek noch gezond (vgl. Gal. 3:28). Deze nieuwe levenswerkelijkheid, daar gaat het Badiou om. En ook al is de inhoud van het Evangelie volgens hem niet geloofwaardig, dan nog kan men dit universalisme vasthouden. Dat is de betekenis van Paulus.

Dit universalisme brengt bovendien een nieuw zicht op vrijheid met zich mee. Dat Paulus door het evenement van de verrijzenis een subject geworden is, betekent dat hij vrij is geworden van allerlei particulariteiten. Die bepalen zijn identiteit niet meer. En juist die vrijheid biedt hem de gelegenheid zich ook elke particulariteit toe te wenden: “vrij ten opzichte van allen, ben ik aller dienaar geworden, om er zoveel mogelijk te winnen, de joden een jood, de grieken een griek” (1 Kor. 9:19vv). Paulus wordt, met andere woorden, een subject. Het evenement fundeert niet alleen het universalisme, maar ook de mens als waarachtig subject. In die zin fundeert de verkondiging van het evenement het ware mens-zijn. Die menselijke identiteit bestaat er dan paradoxaal genoeg in, dat de mens geen eigen identiteit meer heeft: de identiteit van het subject wordt geheel ontleend aan het evenement: ‘niet meer ik leef, maar Christus leeft in mij’ (Gal. 2:20). In deze nadruk op de excentrische identiteit van de gelovige, horen we bij Badiou tonen die herinneren aan Luther.

Zoals gezegd kan het evenement volgens Badiou alleen een mythe genoemd worden; het kan niet beredeneerd of herhaald worden, alleen verkondigd. Maar de mythe fundeert wel het waarachtige mens-zijn. Juist door de waarheid te onttrekken aan de greep van elke particuliere gemeenschap maakt Paulus alle mensen tot aanspreekpunt van de universele waarheid van het evenement. Alleen door aan een voor-redelijk gegeven, het evenement van de verrijzenis vast te houden, kan dus aan het redelijke menselijke bestaan invulling gegeven worden. Daarom, aldus Badiou, zoekt Paulus het evenement door te geven op de wijze die er wel bij past. Dat is de verkondiging. Door de verkondiging kan het evenement van de verrijzenis zich aan mensen ‘herhalen’, en daardoor kunnen mensen waarachtig subject worden, vrij.

De waarheid die verkondigd wordt, is dus ‘van de orde van het evenement’ (45). Dat brengt Badiou ook tot een kritiek op het klassieke waarheidsbegrip, dat waarheid opvat als overeenstemming van het denken met de werkelijkheid. Waarheid is echter ook geen gebeuren in de taal, noch is het een metafysische grootheid die aan alle taal en werkelijkheid onttrokken is. Waarheid, in de woorden van Badiou, existeert niet, maar insisteert. Zij komt op uit het evenement en dringt zich van daaruit op aan het individu, dringt aan op verandering, op verwerkelijking van de waarheid, doorwerking van het evenement in de werkelijkheid.

Voor deze verkondiging, en daarmee voor dit evenement, zijn alle mensen vatbaar. Dat is het universalisme waarvan hier sprake is. Universeel wil dus niet zeggen: algemeen redelijk inzichtelijk, maar: dit evenement heeft allen op het oog, en in principe is iedereen er ook vatbaar voor. En in hun vatbaarheid voor het evenement zijn alle mensen dan reeds gelijk. Dat is het wezenlijke universalisme, dat aan het werkelijke voorafgaat. Zo is het meest bijzondere (het evenement) de fundering van het meest universele, het subjectieve van het objectieve, het mythische van het redelijke. De waarheid is volledig subjectief, en tegelijk universeel, een ‘universele singulariteit’. Hier knoopt Badiou, zonder het te noemen, aan bij Kierkegaard.

Badiou noemt het feit ‘dat de subjectieve positie binnen het vertoog een argument vormt’ (50) een anti-filosofische trek in het denken van Paulus. Het universalisme wordt door Paulus op een niet-filosofische, niet-redelijke manier gefundeerd. Paulus is echter wel een ‘geniale’ (185) anti-filosoof. Door het subjectieve van de verrijzenis zo fundamenteel in zijn denken toe te laten, kan Paulus iets doen wat de filosofie niet kan: het universalisme funderen. De voorwaarden voor het universele, zo Badiou, kunnen immers niet conceptueel zijn (185). Met andere woorden: als je in de postmoderne situatie toch wilt blijven spreken over universele waarheid, kan dat alleen op een niet-filosofische manier, op de manier van Paulus. Hier laat Badiou als filosoof een zeer fundamentele plaats aan de theologie. Het discours van de filosofie is wezenlijk ‘een discours van de totaliteit’ (85). Daarbinnen kan het evenement niet verkondigd worden. Er is een totaal nieuw discours nodig, ‘een taal waar kennende rede, orde en kracht worden vervangen door dwaasheid, schandaal en zwakte’ (94). Badiou toont zich hier gevoelig voor het radicale van Paulus’ kruistheologie, zoals verwoord in de Korinthebrieven.

Is Paulus die geniale anti-filosoof, die de fundering heeft gelegd voor een universalisme, dat we juist in deze postmoderne tijd hard nodig hebben? Of moet de theologie nog iets heel anders van Paulus zeggen? Hieraan wordt een volgende bijdrage gewijd.

Willem Maarten Dekker

1. Alain Badiou, Paulus. De fundering van het universalisme, Kampen 2009. De cijfers tussen haakjes verwijzen naar pagina’s van deze uitgave. Zie over dit boek ook Willem Jan Otten, ‘Als ik, dan iedereen’ in: Trouw zaterdag 30 mei 2009, 73-77 (bijlage Letter & geest).
2. De wiskunde speelt ook in de filosofie van Badiou een fundamentele rol, met name in zijn hoofdwerk over ontologie, L’Être et l’événement, 1988.
3. Geciteerd bij R. Reeling Brouwer, ‘De locus de novissimis als perspectief voorbij de identiteiten. Een ontmoeting met Alain Badiou en Giorgio Agamben’, in: Ontmoetingen, tijdgenoten en getuigen. Studies aangeboden aan Gerrit Neven, Kampen 2009, 357 n. 44.