Dankwoord van Karl Barth

logo

AAN EEN VERSLAG van Werner Koch in de „Junge Kirche” ont­lenen wij de volgende samenvatting van Barths antwoord aan de feest­redenaars op zijn tachtigste verjaar­dag: „Hij was nu al een aantal jaren overgeplaatst van de ecclesia docens (de onderwijzende kerk) naar de ecclesia audiens (de luisterende kerk), zei hij gnuivend. Zo was het immers ook ‘s morgens voor hem geweest, hij had als een eenvoudig lid van de luisterende gemeente op zijn stoel gezeten. Maar nu wilde hij toch opstaan en laten weten, dat hij deze dag met zeer gemengde gevoe­lens had zien komen. Hij was name­lijk enerzijds hevig geschrokken en anderzijds was er ook een gevoel van diepe dankbaarheid voor deze dag over hem gekomen.

Eerst — voorzover het de schrik be­trof — moest hij zich afvragen of datgene waarmee de heer Chroesjtsjow zoveel moeite had gehad, de „persoonlijkheidsverheerlijking” na­melijk, nu ook voor hem, die van­daag zoveel gelukwensen in ont­vangst nam, nog een plaag zou moeten worden. Hij had toch waar­achtig tot zijn eigen ontzetting er­gens gelezen, dat hij „de grootste theoloog van deze eeuw” was. Wat moest deze flauwiteit eigenlijk betekenen? „De eeuw is toch nog hele­maal niet voorbij! En wie weet er dan eigenlijk wat er nog in de luiers — om zo te zeggen: in de theologi­sche luiers — ligt!?” Afgezien daar­van: wat betekent grootheid als men het over een theoloog heeft? Daar kon toch alleen maar het kleine groot genoemd worden! Misschien • zou op de jongste dag een of ander mannetje of een of ander vrouwtje, dat een keer ergens een goede bij­belstudie gehouden had, tot de „grootste theologen van de eeuw” gerekend worden. En dan was er nog iets verschrikkelijks gebeurd, men had hem geschreven, dat hij tot de „grote leraren van de kerk” be­hoorde! Lievedeugd! Een van de erkende leraren van de kerk, Tho­mas van Aquino namelijk, had eens geschreven, dat drie soorten mensen een aureool verdienden, namelijk in de eerste plaats de martelaren, in de tweede de heilige maagden en in de derde de leraren van de kerk. „Kijkt U mij nu eens goed aan, ziet U zo­iets als een aureool op mij?”

Nu wilde hij ons ook nog een bij­zonder geheim verklappen: er was immers zoveel sprake geweest van zijn commentaar op de brief aan de Romeinen, die uitleg van de brief aan de Romeinen, die in de geschiedenis van de theologie van deze eeuw zo een belangrijke rol gespeeld had. Hij had hier nu zijn eigen exemplaar van de tweede druk uit 1922 meegebracht. Hij had dat in­dertijd aan zichzelf opgedragen en er in geschreven „Karl Barth aan zijn dierbare Karl Barth”. En toen had hij er een citaat van Luther on­der geschreven, waarin Luther tegen zichzelf zei, dat hij nu wel een prach­tig en geleerd boekje geschreven en daarvoor veel lof geoogst had, maar dat hij, zou hij zich iets gaan ver­beelden, een echte ezel zou zijn, de ezelsoren zouden wel op zijn hoofd gaan groeien, hij hoefde maar eens met zijn hand naar zijn hoofd te grijpen, dan zou hij ze wel voelen…! Dit had hij toen in zijn eigen boek geschreven om zichzelf te waarschu­wen.

En nu dus de dank! Wanneer hij over het tweede moest spreken, dat hem deze dag zo bezighield, name­lijk over de dankbaarheid, dan moest hij op de allereerste plaats over de dokters spreken. Er was in onze dagen immers al veel gezegd en geschreven over de successen van de medische wetenschap, maar bij hem had zij „ware triomfen ge­vierd”, want anders zou hij hier niet staan en zou hij niet in staat zijn met ons allen zijn verjaardag te vie­ren. Te danken had hij echter ook de verplegers en de verpleegsters, die soms vrij vuil werk met hem hadden gehad. Te danken had hij verder de rectores magnifici van de univer­siteiten van Bazel en Bonn. Er wa­ren inderdaad ook wel een paar on­aangename dingen gebeurd in het verleden, maar hij had zich er al als predikant en later als professor aan gewend een tamelijk dikke huid te hebben, en nu was hij over het mees­te bijna heen… In Bonn was het bijzonder interessant geweest, hoe hoger de golven gingen, des te avon­tuurlijker was ook de tocht. Het was overigens juist op een zaterdag ge­weest, dat men hem in het jaar 1935 in Bonn ontslagen had, maar al op de maandag die daarop volgde, was hij in Bazel opnieuw tot professor benoemd. „U ziet, dat ik dus maar een enkele dag werkeloos ben ge­weest, en omdat dat juist een zondag geweest is, was dat zo helemaal in orde.” Verzwegen mocht echter ook niet worden, dat zijn benoeming in Bazel indertijd alleen dank zij het energieke optreden van twee uitge­sproken atheïsten (hier noemde hij de namen van twee vertegenwoor­digers van de regering van toen) met succes tot stand gebracht kon wor­den…” En zo was hij dan, „Dei providentia, hominum confusione” (door Gods voorzienigheid en door de verwarring der mensen) naar Bazel gekomen…

Maar nu nog een keer terug naar zijn schrik over een soort „persoonlijkheidsverheerlijking”, die men soms rondom hem opbouwde. Nee, nee! „Ik ken mijzelf beter dan de meesten van U. Ik ken mijn neiging tot sommige dingen en mijn aversie van andere, mijn zwaktes, mijn af­gronden en mijn omstandigheden.” Hij had onlangs een brief van zijn vader uit 1890 teruggevonden, daar­in stond toen al veel betekenend: „Kareltje moest vandaag weer een pak voor zijn broek krijgen…” En toen vroeg hij nog een keer te­rug te mogen komen op de kwestie met de ezelsoren, op het Luthercitaat in zijn exemplaar van de „Romer-brief”. Hetzelfde ezeltje had immers ook in het Nieuwe Testament een rol gespeeld, het was toen om een vrouwelijke uitgave van deze dier­soort gegaan, maar er was toen juist gezegd: De Heer heeft haar nodig! Als hij dat in zijn leven een beetje had mogen doen, juist zo een pak-ezel zijn; die de Heer een tijdje had mogen dragen in deze wereld, dan was dat helemaal genoeg geweest. Meer moest men van hem, professor Barth niet zeggen. Ook niet van zijn rol in de zogenaamde kerkstrijd. „Ik heb het meegemaakt. En de vijand werd verslagen, dat is alles.”

En nu zou hij nog een keer op de artsen terug willen komen, zei hij, terwijl hij helemaal tegen zijn ge­woonte in — en overigens veel zach­ter dan in vroeger jaren — duidelijk improviserend sprak. Hij moest ons namelijk nog zeer nadrukkelijk aan­bevelen hoofdstuk 38 uit het boek Jezus Sirach te lezen, waarin de lof van de arts zo mooi gezongen werd. „Eer de arts…, want de Heer heeft hem geschapen… en het medicijn komt van de Hoogste…, daarmee geneest en verdrijft hij de pijn; en de apotheker maakt er medicamenten van…” „Ik houd dat overigens voor een profetie over de producten van de pharmaceutische industrie in Ba­zel…!”

Toen vroeg hij — zichtbaar wat ver­moeid door de lange plechtigheid en door de voortdurende gloed van de grote T.V.-lampen — te mogen eindigen. Hij had indertijd van zijn studenten in Bonn afscheid geno­men met een strofe uit het lied „Nun danket alle Gott” en had dezelfde strofe met zijn studenten opnieuw gezongen, toen hij in de verwoeste universiteit van Bonn in het jaar 1946 een gastcollege had gegeven. Met dezelfde strofe wilde hij ook nu zijn dankwoord beëindigen. En toen sprak hij de zaal in, langzaam en met nadruk op ieder woord:

Der ewig reiche Gott
woll uns bei unsrem Leben
ein immer fröhlich Herz
und edelen Frieden geben
und uns in seiner Gnad
erhalten fort und fort
und uns aus aller Not
erlösen hier und dort.

In de Waagschaal, jaargang 21, nr. 24. 20 augustus 1966