Wat de vierde these van Barmen mij toch te denken geeft

logo-idW-oud

 

WAT DE VIERDE THESE VAN BARMEN MIJ TOCH TE DENKEN GEEFT

De vierde van de Barmer Thesen lijkt mij wel de minst uitdagende, zogezegd de minst ‘sexy’ van de zes. Opeens gaat het na de vlammende, geladen eerste drie thesen broodnuchter over ‘de ambten’. Tja. These 4 heeft een concrete aanleiding in de pogingen om de kerk ook in kerkorde en organisatie ‘gelijk te schakelen’ aan de nationaal-socialistische staat, met name de benoeming van een Reichsbischof. De vierde these lijkt enkel een uitwerking van de derde. Je zou kunnen denken: deze zou gemist kunnen worden, zeker als het over de tekst als actuele belijdenis gaat. Het is de adempauze voor het vuurwerk in de twee laatste uitspraken. In, ach ja, een zestal opmerkingen over Barmen en these 4 zoek ik naar actuele betekenis en zeggingskracht.

1.
Om te beginnen wekt het mijn verwondering – en ik geloof ook weemoed, jaloezie misschien wel, een soort heimwee – dat de kerk de moeite van staatsbemoeienis waard was. In de cultus van het Duitse volk kon de kerk van belang zijn, relevant. Mijn verwondering wordt natuurlijk opgeroepen door de actuele, volkomen geseculariseerde en ontkerkelijkte situatie. Dat de staat in de kerk – niet zomaar als maatschappelijke organisatie, zoals nu soms gebeurt, nee, als kerk, als religieus verband – een bruikbaar middel zou kunnen zien, dat is iets uit een andere wereld.
Maar Barmen gaat meer over het omgekeerde: de gelovigen, de kerkleden, die de kerk relevant willen laten zijn in de – nationaal-socialistische – samenleving vormen het front. Dat maakt het spannender: want wie wil geen relevante kerk? Die roep klinkt telkens weer – en ik roep weleens mee. De kerk moet niet zomaar kerk op zichzelf zijn! Het evangelie gaat ook over politiek en samenleving! Barmen remt: de kerk moet allereerst kerk blijven. Ze moet goed weten wat dat betekent: kerk-zijn. Dat is onmiddellijk eminent politiek, maar die maatschappelijke relevantie is geen doel op zich.

2.
Barmen is een ‘theologische verklaring’ en mocht geen belijdenis heten. Maar met stelling en verwerping is onmiskenbaar een status confessionis aan de orde. Men onderkende een ontwikkeling die weersproken moest worden. Barmen betrof weliswaar vooral de (binnen-)kerkelijke consequenties van het nationaal-socialisme. Maar er werd tegenstand, vijandschap waargenomen, anti-christelijks. En men protesteerde, men beleed. Er werd niet zomaar iets geloofd, als: ‘de christelijke geloofsartikelen voor waar houden’. Men werd door het evangelie ergens geleid. Dat is voorbeeldig en de naam Bekennende Kirche herinnert daaraan. Dat Barmen opgenomen is in artikel 1 van de Protestantse Kerkorde vraagt om er een punt van te maken dat het in de kerk niet zomaar om geloof gaat. Daar kleeft altijd het ‘voor waar houden’ aan en daarmee het religieuze, innerlijke en subjectieve. De kerk en de christen belijden. De moeilijkheid is wel dat de tegenstand en vijandschap nu diffuus zijn (al was dat destijds niet anders; weinigen zagen scherp). Maar een andere prealabele moeilijkheid is dat in de (breedte van de) kerk voor zover ik zie nauwelijks nog beseft wordt dat het evangelie ook tegenstand en vijandschap betekent, de noodzaak van belijden, tegen anti-christelijks en onmenselijks.

3.
Ter zake: de ambten. Ogenschijnlijk voegt Barmen 4 niets toe aan ‘onze ambtsvisie’: ‘Die verschiedenen Ämter in der Kirche begründen keine Herrschaft der einen über die anderen, sondern die Ausübung des der ganzen Gemeinde anvertrauten und befohlenen Dienstes.’ De ambten worden kortom goed reformatorisch aan de gemeente gebonden en ‘heersen niet over elkaar’. De ‘bijzondere’ ambten komen op uit het algemeen priesterschap der gelovigen. Die ambtstheologie is een wankele constructie. Er is veel geloof, veel vertrouwen voor nodig om het overeind te houden. Organisatietechnisch, bestuurskundig zou je zeggen: dit moet institutioneel beter verankerd worden. Te zwakke organisatie, te weinig leiderschap. Maar dat was het punt! Dat was wat de Deutsche Christen wilden: leiderschap, ein Führer, ook in de kerk. Geen tegenover, geen een en ander, geen kerk en staat, maar alles onder een hoofd.
In de kerk, zo stelt Barmen lapidair, staat alles en iedereen onder een Hoofd. En het Schriftwoord van These 4 laat er geen misverstand over bestaan hoe anders dit leiderschap is. Men vraagt een voorname plaats naast Jezus – hoge kabinetszetels, het pluche: zitten, heersen, oordelen – terwijl Hij juist die plaats verlaat en de onze inneemt. Heersen en regeren – zo zal het bij jullie niet zijn. Waar Jezus leidt, worden de leden tegenover elkaar gezet, op elkaar aangewezen, om voor elkaar in te staan. These 4 was essentieel! ‘Wir verwerfen die falsche Lehre, als könne und dürfe sich die Kirche abseits von diesem Dienst besondere, mit Herrschaftsbefugnissen ausgestattete Führer geben und geben lassen.’

4.
Dat is misschien mooi gezegd over Jezus’ plaatsbekleding, maar wat brengt ons dat ambtstheologisch verder? Het protestantisme staat hier zwak: het heeft niet de robuuste kerk- en ambtsleer van Rome, terwijl het toch meer wil dan laagkerkelijk, puur functioneel spreken. Het ambt lijkt wel in een permanente crisis te verkeren en maatschappelijke ontwikkelingen versterken dat. Ook maatschappelijke ‘ambten’ zijn aan erosie onderhevig. Ambtsgewaden en titels zeggen niets meer. Leraren en artsen, advocaten, rechters en notarissen, en niet in de laatste plaats: politieke bestuurders – het basisvertrouwen is afwezig, hun gezag ondergraven.

Voorstellen tot ambtstheologische renovatie zoeken het veelal ‘hoogkerkelijk’: men roept om een bisschop. Mij lijkt dat de kern van de zaak elders ligt: in de basis in en verwantschap met het algemeen priesterschap. Waar niet geloofd wordt dat iedere gelovige feitelijk ambtsdrager is, bekleed met Christus, om hem te representeren, daar kan het ambt niet anders dan verschrompelen.

Dat speelt bij ook de maatschappelijke ambten: het algemene ambt van burgerschap, van gedeelde, gemeenschappelijke verantwoordelijkheid ontbreekt. Dat is niet verwonderlijk: de ‘burger’ is – bijvoorbeeld privatisering – steeds meer consument geworden. Hij koopt met zijn belastingen zijn onderwijs, zorg en rechtspraak, meer dan dat hij bijdraagt aan gemeenschappelijke voorzieningen.

5.
Voor Arie Spijkerboer is These 4 een verademing, juist vanwege de nuchtere ambtsvisie: predikanten zijn maar gewone gemeenteleden. Barmen tekent hen bij uitstek als dienaren van het ene Woord Jezus Christus. Die klassieke benaming is onverslijtbaar, maar afgaande op actuele profielschetsen en advertentieteksten voor predikanten, toch niet vanzelfsprekend. Uiteraard moet een predikant nog altijd de Schrift uitleggen. Maar ook wordt (liefst inspirerend, bindend en motiverend) leiderschap gevraagd, ondernemerszin, en beleidsmatige en bestuurskundige talenten. Natuurlijk moeten de ‘predikant als manager’ en de ‘dienaar des Woords’ niet tegen elkaar uitgespeeld worden. Maar er is wel een spanning en als ik me niet vergis is de trend om de ‘bediening van het Woord’ sterk te verbinden aan ‘management’. De kerk neemt ook bijpassend jargon over: het beleidsplan wil nieuwe doelgroepen bereiken met een aanbod van inspirerende vieringen en activiteiten. Op zich niet verkeerd, maar ook niet zonder risico’s. Want voor je het weet is het gemeenteleven een product geworden, het gemeentelid een consument en de gemeente een vereniging voor inspirerende activiteiten.

6.
Tot slot nogmaals de predikant en het ambtelijke. In de beleidsvorming omtrent het professionele pastoraat in de PKN ontbreekt het ambt als gegeven. Om pragmatische redenen: daar komt men theologisch niet uit. Ondertussen worden wel wissels omgezet en is het predikantschap als baan, werk en functie ingevuld. De predikant is niet langer de van baan en werk vrijgestelde, door de gemeente, voor het verrichten van datgene wat het geloof vraagt.

En verder zijn er de vaag, half of on-ambtelijke ‘Dienstenorganisatie’ (heerst of dient zij? ik weet het niet) en de kerkelijk werker. Vanuit protestants ambtsbesef kan men daar op zichzelf niet tegen zijn. Maar als de basis in het algemeen priesterschap niet tot gelding wordt gebracht en arbeidscontracten en organisatiestructuren (aansturing!) de dienst uitmaken kan men er als kerkelijk beleid ook onmogelijk voor zijn.

Dat is wat Barmen 4 mij te denken geeft.

Coen Constandse