De crisis tussen de regels

logo-idW-oud

 

De crisis tussen de regels

De visienota Leren leven van de verwondering heb ik gelezen met veel herkenning. Mijn hoop en verlangen. En mijn verlegenheid en ontreddering. Misschien heb ik mezelf er teveel in ingelezen? Zo kan het gaan. Lezen is niet gemakkelijk. Ook de visienota laat zich nog niet zo gemakkelijk lezen en beoordelen. Wat wordt er precies mee bedoeld? Wat gebeurt er eigenlijk als de generale synode (top-down?) haar visie geeft op ‘identiteit, roeping en toekomst’ van de PKN? Al gauw tuimelen de vragen over elkaar heen – bij mij althans. Wat is het precies voor tekst? Men zegt: het zit tussen belijden en concreet beleid in. En: het is geen prioriteitenlijstje. Wat is het dan wel? Wat zijn ‘uitgangspunten voor beleid’? Als iets daar niet bij staat, wat wil dat dan zeggen? Ieder zal wel het hare missen. Hieronder mijn min of meer losse opmerkingen, leeservaringen, uitlopend op een kritische vraag.

Israël

Het staat er in. Israël. Het staat er in – en daar is alles mee gezegd. Want één keer is blijkbaar genoeg. Het staat verder zo geïsoleerd en op zichzelf, dat het nogal obligaat overkomt. Dit moest ook nog even gezegd. ‘Wij weten dat Gods kerk wortelt in Israël … Wij kunnen niet bestaan zonder een diepe verbondenheid met het joodse volk’. Dat staat er. Verder niets. Niet bij wat de PKN allemaal wil zijn. Niet bij de uitgangspunten van beleid. Blijkbaar is er die ‘diepe verbondenheid’, anders zouden we niet kunnen bestaan. Maar waar dat uit blijkt is niet te lezen. En al helemaal niet wat dat ‘wortelen’ en die ‘diepe verbondenheid’ voor theologische consequenties hebben.

Stijl

Een tweede opmerking. Ik schreef al: het visiedocument is niet zo gemakkelijk te lezen. Ik bedoel dat ook letterlijk: het slaat ook op de tekst zelf, de stijl. Dat lijkt wat pietluttig of flauw, maar stijl is niet iets bijkomstigs, alleen een manier van zeggen. Stijl zelf zegt ook iets. ‘Je accent verraadt je.’ (Mat. 26:73) Wat voor taal spreekt de visienota? Ik noem een paar dingen die mij opvielen.

Zo wordt er nogal eens vaag en omslachtig geformuleerd. Bijvoorbeeld: ‘Op landelijk niveau willen we werken aan het versterken van deze eenheid door te werken aan meningsvorming in verscheidenheid die de eenheid versterkt en verdiept.’ Op zichzelf al geen fraaie zin door de woordherhalingen, maar de concrete bedoeling blijft ook onduidelijk. Of: ‘Wij blijven volharden in het vertrouwen dat er alle reden is om tegenover de apathie telkens opnieuw de voortgang van het evangelie te zetten.’ Waarom dat ‘blijven volharden’ en ook nog ‘telkens opnieuw’? Je zou er op voorhand al moe en moedeloos van worden. En waarom dat ‘alle reden’? Geloven we er eigenlijk wel in? Dat wordt wel herhaaldelijk gesteld: ‘we geloven stellig … ‘We zijn er heilig van overtuigd …’ Het klinkt al te vaak. Alsof we onszelf moeten overtuigen. ‘We zetten ons in om tot een verandering van blikrichting te komen.’ De taal verraadt dat dat niet vanzelf gaat. We veranderen niet meteen, we zetten ons in.

Verder is het logische verband van de tekst en de opeenvolging van de zinnen mij in ieder geval niet altijd even duidelijk (bijvoorbeeld in paragraaf ‘kerk-zijn in de gestalte van de verwachting’). Al lezend kwam bij mij vaak de vraag op: Waarom volgt nu deze zin? Waarom (of tegen wie) moet dit gezegd worden? Illustratief wat dit betreft is het gebruik van het woordje ‘daarom’ op verschillende plaatsen. Soms wordt een duidelijke reden gegeven, maar soms ook niet, bijvoorbeeld in de paragraaf ‘Gemeenschap rond het Woord’: ‘De kerk wordt gedragen door het Woord. Daarom kan zij het niet laten om het Woord (…) door te vertellen’. En: ‘De gemeente is daarom missionair’. Hoezo: daarom? Zijn dit beschrijvingen of wensen? Voor een tekst die gaat over identiteit en roeping wordt er wel erg vaak gesproken over ‘willen’, over onze voornemens en onze inzet.

De boodschap van de tekst is: we geloven en hopen en willen weer vooruit. De stijl verraadt echter veel onzekerheid, twijfel en verlegenheid. We zijn het kwijt, we moeten zoeken maar weten niet waar. Ik herken dat. Ook de aarzeling om dat uit te spreken.

Optimisme

De teneur van het visiestuk is hoe dan ook positief en optimistisch. Weg bij de apathie, de neergang – en al die andere negatieve taal over de kerk: verlating, vergrijzing, verdeeldheid. Geloof, hoop en groei staan daar tegenover. Dat klinkt verfrissend. We willen weer vooruit! Dat kan, als het gebed verhoord wordt: Heilige Geest, vernieuw uw kerk! Maar ieder hooggestemd optimisme, iedere hoop voor de toekomst heeft haar negatieve keerzijde: in het heden. Het wordt wel niet rechtstreeks gezegd, maar de toestand van de kerk is ondertussen wel zeer negatief neergezet: juist met die woorden waar we bij weg willen. Als die woorden terecht zijn – en de synode zegt het zelf – dan gaat men hier toch wel erg snel overheen. Het zet geloof en volhardend gebed tegenover apathie en pessimisme. Het spreekt van een verandering in blikrichting. Dat willen we. Maar kunnen we dat ook? Gaat dat zo maar? Want niemand is voor zijn lol apathisch. Niemand kiest voor ‘het verlammende gevoel dat het met de kerk een aflopende zaak zou zijn’. Dat dringt zich op. Dat hebben we laten gebeuren. Daar zijn we niet zomaar bij weg. En het is de vraag in hoeverre het aan de visie inherente ideaalbeeld van de gemeente realistisch is voor de meerderheid van de gemeentes. Misschien is dat ongeloof. Maar het zal niet de eerste keer zijn dat hoge idealen en optimisme leiden tot navenante teleurstelling.

Crisis

Dat is wel wat ik vrees. We willen zo graag. Na dat eindeloze, energieverslindende samen-op-weg-proces kunnen we eindelijk weer echt gaan ‘kerk-zijn’. Ja, wie wil dat niet? Krachtige geloofsgemeenschap. Biddend, inspirerend, groeiend, aantrekkelijk. Levensveranderende kracht. Een goed imago. We gaan ons geloof verdiepen en overdragen. Het klinkt allemaal warempel als een breuk met het verleden. Modern gezegd: ‘pimp’ de PKN.

Ik mis bij al dat mooie en nastrevenswaardige – want ik wil dat ook – toch de erkenning van de crisis waarin de kerk in het westen en vooral in Nederland terecht is gekomen. De nota spreekt daar wel over. ‘We kunnen pas spreken vanuit het zwijgen’, na schuldbelijdenis. Maar meteen spreekt men al weer: crisis en aanvechting kunnen niet het laatste woord hebben. Men spreekt van een ‘heilige overtuiging’ dat ‘Gods beloften en koningschap ook aan mensen vandaag een heilzaam perspectief bieden’.

Op het gevaar van overdreven problematiseren (en daarmee werkelijke inzet en verandering van het lijf houdend) af: dat gaat te snel. Ik geloof ook in het evangelie. Maar ik weet dat niet zo meteen missionair, wervend te verwoorden. En ik constateer dat weinigen dat lukt. De nota wijst op de ‘onstuimige groei van geloofsgemeenschappen om ons heen’. Maar dit heeft geen zoden aan de dijk gezet tegen de ‘vloed’ van ontkerkelijking en secularisatie. Bovendien zijn het geloofsgemeenschappen waarin we niet meteen veel zullen herkennen (en die bijvoorbeeld de kloeke belijdenis in de visienota over Israël niet na zullen zeggen). De kerk is de aansluiting en de geloofwaardigheid bij de massa en de intellectuele elite beide kwijt geraakt. En niet zomaar, van vandaag op gisteren. Zo ver als dat teruggaat in de tijd, zo diep zit ook de crisis. Dat gaat verder en dieper dan de op zichzelf waardevolle analyse van ‘de veranderende cultuur’ in de nota. De wereld is totaal veranderd. Door de wetenschap, technologie, nieuwe media, globalisering, politieke, sociale en economische verhoudingen. Wat heeft de kerk in die maatschappelijke constellatie te zeggen? Wat is hier en nu: evangelie? Sluit dat aan bij zingeving en religie, bij de plaats die beide hebben in onze context? ‘Evangelicale’ missionaire benaderingen doen dat wel en dat moet ook, dat is ook goed. Maar het ligt misschien juist op de weg van een ‘ouderwetse’, gevestigde kerk als de PKN dieper te graven. Dieper dan voor mij uit de nota spreekt. Het is niet zomaar aggiornamento, aanpassing aan ‘onze tijd’, een nieuwe toepassing van de ons bekende, aloude waarheid. Een fundamentele herbezinning op het evangelie is nodig.
Op de bijbelse en joodse wortels. Op daadwerkelijke ‘evangelische’ levensverandering.

Daar zijn we niet zomaar. Dat kan wel eens een veel langduriger zwijgen en verstommen met zich mee brengen dan ons lief is. Zonder imago, logo of maatschappelijk aanzien. Is het niet minstens het overwegen waard of het maatschappelijke functie- en relevantieverlies van de kerk een bezoeking van Godswege is? Een weg waarop de kerk gevoerd wordt om nieuwe woorden te vinden. Disciplina arcana. Eenvoudig biddende en het goede doende. Dat lijkt mij de weg van de christelijke, navolgende gemeente. Minder visionair, even gelovig en hoopvol.

Coen Constandse