Dietrich Bonhoeffer: In gebeden opgedragen en gedenken

logoIdW

DIETRICH BONHOEFfER: IN GEBEDEN OPDRAGEN EN GEDENKEN

‘Mijn liefste Dietrich, elke morgen om zes uur, als we samen onze handen vouwen, weten we dat we een groot vertrouwen mogen hebben tot elkaar en nog ver, ver daaroverheen, toch? En dan kun je ook niet meer verdrietig zijn.’

Mei 1943. Bovenstaand fragment is afkomstig uit een van de brieven die Maria von Wedemeyer aan haar verloofde Dietrich Bonhoeffer schreef. Het tekstgedeelte spreekt van hoop en verwachting. Dietrich verblijft op dat moment al een aantal weken in voorarrest, vanwege zijn contacten met leden van een verzetsbeweging die het totalitaire regime van het Derde Rijk van binnenuit poogt te ontwrichten. Vanaf het midden van de jaren dertig heeft Bonhoeffer zijn oecumenisch-kerkelijke relaties steeds vaker als dekmantel aangewend om samen met hoge officieren een staatsgreep voor te bereiden. Het onderzoek tegen Bonhoeffer is in volle gang; zijn bewegingsvrijheid in gevangenschap is zeer beperkt, maar schrijven mag hij wel. Op kerstavond 1943 schrijft Dietrich: ‘Mijn Maria, je bent overal om mij heen, waar ik ook kijk in mijn cel, ik zie jou. Weliswaar ben je ver weg; op dit ogenblik – het is vijf uur – zullen jullie waarschijnlijk in de kerk zitten en jij zult aan mij denken en voor mij bidden tot God, zoals je dat elke dag op vaste tijden doet.’

Beiden zijn van elkaar losgerukt door een wispelturig lot; er is een afstand ontstaan die alleen al in fysieke zin onoverbrugbaar is. Om over het aanhoudend oorlogsgeweld verder maar te zwijgen. Desalniettemin of wellicht juist daardoor zijn Dietrich en Maria intens op elkaar betrokken in de gebeden, zo getuigen de twee hierboven opgenomen passages. Ook nemen zij op gezette tijden alsof het een orde of regelmaat betreft anderen op in hun voorbeden onder wie naaste familieleden en vrienden. Over dit bidden, en het bidden voor de broeders van Bekennende Kirche, voor zijn oud-studenten strijdend aan het Oostfront, voor medegevangenen, voor de naaste in het algemeen – ja, zelfs voor de vijand – schrijft Bonhoeffer in Gemeinsames Leben: ‘Voor de ander bidden is niets anders dan de broeder voor God brengen, hem zien onder het kruis van Jezus als de arme mens en zondaar die genade nodig heeft. Ik ken aan de broeder hetzelfde recht toe dat ikzelf ontvangen heb, namelijk om voor Christus te staan en deel te hebben aan Zijn barmhartigheid.’ De ontmoeting met de broeder is ten principale een ontmoeting met Christus die zich in de ander present stelt, evenals hij in mij, stelt Bonhoeffer. Het is niet onwaarschijnlijk dat deze gebedspraktijk, tezamen met de beoefening van het Bijbellezen volgens een lectio continua, het leren memoriseren van hele Bijbelpassages – je weet immers nooit of je Bijbel je in hechtenis afgenomen wordt – en de discipline van de meditatieve oefeningen, de zgn. stille tijd, de basis heeft gelegd voor de integriteit die hij als pastor in gevangenschap jegens zijn medegevangenen heeft kunnen bewaren. Eberhard Bethge, Dietrichs vriend en latere bio-graaf herinnert zich: ‘De gebeden voor de gevangenen ontsproten aan zijn eigen gebedspraktijk, zijn dagelijkse omgang met het psalter en de koralen. Anderen zagen kans de gebeden in de cellen uit te delen. (….) De meeste bewakers waren fatsoenlijk of zelfs goed. (…) Hij (Bonhoeffer, LMS) mocht dikwijls naar de ziekenkamer, waar hij veel vrienden ontmoette, of hij mocht gevangenen bezoeken die zijn geestelijke hulp wensten. Hij leefde het leven van honderden om hem heen en deelde hun angsten, ontberingen en kleine vreugden. Geestelijke contacten groeiden hieruit op natuurlijke wijze op.’ Voor Bonhoeffer gold de voorbede als dé articulus stantis et cadentis ecclesiae, het onderdeel waarmee de gemeenschap van gelovigen staat of valt. Ik schreef eerder dat Bonhoeffer zelfs voorbede deed voor de vijand. Deze contradictio in terminis, het bidden voor de vijand, vereist een toelichting. ‘Liefde jegens de vijand,’ schrijft Bonhoeffer in zijn boek Nachfolge, ‘is niet alleen een onverdraaglijke ergernis voor de natuurlijke mens. Het druist in tegen zijn begrip van goed en kwaad. (….) Maar wie heeft nu meer de liefde nodig dan degene die zelf zonder liefde in haat leeft? (…..) Wie is de liefde meer waard dan mijn vijand? Niet slechts dulden moeten wij het kwaad en de boze verdragen, niet alleen een slag met een slag terug beantwoorden, maar in hartelijke liefde moeten wij onze vijand toegedaan zijn.’ De liefde tot de vijand brengt de discipel op de weg van het kruis en in de gemeenschap van de Gekruisigde. In feite, concludeert Bonhoeffer, schuilt in iedere vijand een potentiële broeder. Immers werden wij in de tijd dat wij nog Gods vijanden waren al niet met hem verzoend door de dood van zijn Zoon? We werden van tegenstander tot medestanders gemaakt (Rom. 5: 8-11).

Begin april 1945 had Hitler besloten alle gevangen kopstukken van het verzet na een mislukte bomaanslag stante pede te executeren, ook Bonhoeffer. Op 9 april vindt hij in Flossenbürg de dood door ophanging. Een kamparts, ooggetuige schrijft 10 jaar later: ‘Ik zag pastor Bonhoeffer neergeknield in innig gebed met zijn God (…) Ik heb in mijn 50 jaren praktijk als dokter zelden een man zo vol overgave aan God zien sterven.’

Dirk Lammers

Auteur studeerde onder meer theologie in Brussel en is werkzaam in het onderwijs