Twee dichters: George Herbert een Wendy Cope

logo-idW-oud

TWEE DICHTERS: GEORGE HERBERT EN WENDY COPE

George Herbert leefde in de zeventiende eeuw (1593-1633) en Wendy Cope is geboren in 1945. Zowel de gedichten van Herbert, dichter en anglicaans geestelijke, als van de dichteres Wendy Cope werden en worden veel gelezen. In nummer 4 van de vorige jaargang, in het artikel ‘George Herbert en de nieuwe aartsbisschop van Canterbury’ liet ik zien dat de aartsbisschop Herbert uitvoerig aan het woord liet bij zijn intronisatie. De aartsbisschop liet merken dat hij wist dat in de kerk de vorigen, al zijn ze lang geleden gestorven, blijven meedoen en dat we hen aan het woord moeten laten komen.

Al vroeg in haar leven kwam Wendy Cope in aanraking met het werk van Herbert. In de kerk en in de kapel van de school zong zij de liederen ‘Teach me, my God and King’, ‘King of Glory, King of Peace’ en ‘Let all the world in ev’ry corner sing’, zonder dat zij aandacht schonk aan de naam van de persoon die de woorden schreef. Jaren later kocht ze in een tweedehandsboekhandel een bundeltje met een keuze uit Herberts gedichten. Zij was blij verrast toen ze bemerkte dat ze reeds enkele gedichten van hem bijna uit haar hoofd kende. Dat vertelt ze in een artikel, getiteld ‘A poet true to himself’, in de Guardian van 6 december 2003. Zij schreef dat artikel nadat een door haar geredigeerde anthologie met een keuze uit de gedichten was uitgekomen: George Herbert – The Golden Age of Spiritual Writing (SPCK).

Wendy Cope voelde zich onmiddellijk aangetrokken door de speelse poëtische vorm van Herberts gedichten. Speels poëtisch! En toch waren de gedichten ernstig en gingen ze over christelijke thema’s. Zij ontdekte ook humor en vindingrijkheid in de gedichten.

Toen Wendy Cope de gedichten van Herbert kocht was zij geen kerkgangster meer en beschouwde zij zichzelf als atheïst. Onder letterkundigen wordt gediscussieerd over de vraag of je de gedichten van Herbert wel kunt waarderen als je geen gelovig christen bent. Wendy Cope kan die vraag bevestigend beantwoorden. Je kunt ook als niet-christen Herberts gedichten wel degelijk genieten. Wel moet zij erkennen dat haar christelijke opvoeding het lezen van de gedichten vergemakkelijkte.

Negen jaar geleden – zij weet nog precies wanneer het was – begon zij weer naar de kerk te gaan, waarschijnlijk naar de kathedraal, want zij woont in Winchester. In die negen jaren is haar bewondering en liefde voor Herberts gedichten nog toegenomen en waardeert zij – om een uitspraak van de dichter W.H. Auden te lenen – deze gedichten als ‘expressions of Anglican piety at its best’.

Herbert stamde uit een aanzienlijk geslacht. Het kan zijn dat Herbert ambitieus was en streefde naar het verwerven van een hoog ambt. Toen de wegen waren afgesneden, koos hij voor het geestelijk ambt. Dat vertelt althans zijn eerste biograaf, Izaak Walton. Amy Charles, die ook een biografie van Herbert schreef, maar veel later, is een andere mening toegedaan. Volgens haar wilde Herbert al eerder dan 1625 als geestelijke gewijd worden. Zeker is in ieder geval dat in zijn gedichten sporen zijn te vinden van een strijd met wereldse ambities en van onzekerheid over wat te doen met zijn leven. In het gedicht ‘Affliction’ komen de woorden voor dat hij hier nu wel is, maar wat de Heer van hem wil dat toont geen van zijn boeken hem aan. Hij leest en zucht; hij wenst dat hij een boom zou zijn. Bij een boom is niets onzeker; een boom groeit om vrucht te geven of schaduw.

Now I am here, what thou wilt do with me

None of my books will show:

I reade, and sigh, and wish I were a tree;

For sure I then should grow

To fruit or shade.

De woorden zijn ook een voorbeeld van Herberts humor, die Wendy Cope opmerkte. Het kan zijn dat Herbert bij het beeld van de boom ook heeft gedacht aan Psalm 1.

Herbert werd in 1630 rector in Bemerton, toen heel landelijk, nu een buitenwijk van Salisbury. Hij was er maar kort, want hij stierf toen hij nog geen veertig jaar oud was. Kort voor zijn dood zond hij zijn gedichten naar Nicholas Ferrar, leider van een communiteit in Little Gidding, met het verzoek ze te publiceren als een ‘arme ziel’ er wat aan zou hebben en ze anders te verbranden. Ook schreef hij aan Ferrar, dat de gedichten zijn ‘een beeld van de vele geestelijke worstelingen die tussen God en mijn ziel hebben plaats gevonden, voor ik mij kon onderwerpen aan de wil van Jezus mijn Meester in wiens dienst ik nu volkomen vrijheid heb gevonden’.

Nooit heeft Herbert zijn gedichten in druk gezien. Ze verschenen in het jaar van zijn dood, 1633. Ze werden gelezen en later ook gezongen. In Engeland zijn de liederen heel geliefd. J.W. Schulte Nordholt heeft aangetoond dat ‘Let all the world in ev’ry corner sing’ wel degelijk bedoeld was om inderdaad te worden gezongen. Bij de eerste druk van The Temple staat boven het gedicht geschreven ‘antiphon’, en de eerste twee regels van beide strofen zijn aangemerkt als Cho., de volgende vier als Verse, terwijl bij de laatste twee regels nog eens Chorus staat geschreven.

Naast enkele biografische gegevens schreef Wendy Cope ook iets over de receptiegeschiedenis van de gedichten. Vier drukken verschenen in drie jaar. Daarna werden de gedichten overal bekend; ook tijdens het bewind van Cromwell werden ze gelezen. Menig dichter heeft getracht hem te imiteren, een van hen was Henry Vaugham. In de 18e eeuw was er weinig waardering voor Herbert, maar in de 19e eeuw vond hij in Coleridge en Ruskin ware kampioenen, en in Amerika in Emerson. Tot 1930 waren de meningen over de waarde van het werk verdeeld. Toen leverde T.S. Eliot een bijdrage aan het debat, zo overtuigend dat sindsdien de reputatie van Herbert buiten kijf is.

Voor het eerst las ik van Wendy Cope kleine gedichten in The Observer en andere tijdschriften. Ik vond ze geestig en nam me voor haar in de gaten te houden. Zij kan knap parodiëren. Zij vertoont verwantschap met de dichters Philip Larkin en John Betjeman. Na de dood van Ted Hughes kozen luisteraars van BBC radio 4 haar om hem op te volgen als Poet Laureate. Evenals Herbert beheerst zij vele dichtvormen en is zij een taalvirtuoos. Je merkt telkens hoe ze geniet als ze gewaar wordt wat je allemaal met taal kunt doen. We vergissen ons als we denken dat dergelijke mensen onbekommerd door het leven gaan. In haar leven heeft Wendy Cope zich vaak eenzaam gevoeld. Jaren lang was zij depressief, zozeer dat zij zich onder psychiatrische behandeling moest stellen.

Een voorbeeld van haar humor en haar eenzaamheid is het kleine gedicht ‘A Christmas Poem’. In dit gedicht zingen kinderen en luiden vrolijk de klokken. De winterlucht doet handen en gezichten tintelen; gelukkige gezinnen gaan naar de kerk en onderhouden zich opgewekt met elkaar. In de laatste regel hoor je echter hoe afgrijselijk de hele ‘business’ is als je alleen bent:

At Christmas little children sing and merry bells jingle,

The cold winter air makes our hands and faces tingle

And happy families go to church and cheerfully they mingle

And the whole business is unbelievable dreadful, if you’re single.

In haar artikel zegt Wendy Cope dat in het dagelijks leven dikwijls uitdrukkingen van Herbert haar voor de geest komen. Op zondagen is dat: ‘Judge not the preacher’. Zij moet erkennen dat zij niet kan voldoen aan deze opwekking, hoewel het natuurlijk wel goed is deze telkens te horen. Bij het begin van een nieuw ‘poetry notebook’ schrijft zij ‘Dare to be true’, want evenals Eliot acht zij Herbert een voorbeeld van eerlijkheid. De regels die zij het meest in haar herinnering bewaart zijn uit de laatste strofe van ‘The Church Porch’:

If thou do ill; the joy fades, not the pains:

If well; the pain doth fade, the joy remains.

De door Wendy Cope geredigeerde gedichten zijn uitgegeven door SPCK. Deze letters zijn de afkorting van Society for Promoting Christian Knowledge, opgericht in 1698. De Society heeft overal in de wereld vertakkingen, ‘helping people grow in the christian faith’. Dat helpen gebeurt ook door de uitgeverij.

Niet bij SPCK verschenen van haar drie veel gelezen dichtbundels: Making cocoa for Kingsley Amis (1986), Serious Concerns (1992) en If I don’t know (2001). Ook schreef zij twee kinderboeken.

M.G.L. den Boer