Een dissertatie over Noordmans en de filosofie

logoIdW

EEN DISSERTATIE OVER NOORDMANS EN DE FILOSOFIE

Oepke Noordmans blijft de aandacht boeien. Opnieuw – als ik goed geteld heb: voor de tiende maal – verscheen er een aan zijn theologie gewijde (VU-)dissertatie. C.P. Boele, econoom en filosoof, bestuurlijk werkzaam in het hoger beroepsonderwijs, promoveerde afgelopen voorjaar op een studie over ‘Noordmans, de filosofie en christelijk leiderschap’ (Boekencentrum, 2013). Een beschrijving van Noordmans’ kijk op de filosofie Žn een toepassing daarvan op een actueel vraagstuk: hoe christelijk leiderschap zou kunnen/moeten functioneren.

De verhouding tussen theologie en filosofie is bij Noordmans een belangrijk thema. Zelf sprak hij wel over het onderscheid tussen ‘kerk’ en ‘school’. Kernachtig zegt hij in Herschepping (1934): ‘In de filosofie hebben wij al dadelijk drie onderwerpen: God, wereld en mens. Die kunnen elkaar daar eigenlijk niet leren kennen en hoe meer men zich in hun wezen verdiept, hoe vreemder ze elkaar worden. In de theologie gaat het zo niet. Daar is God allŽŽn. Dat is het verschil tussen kerk en school.’ Niet voor niets plaatst Boele dit citaat als motto voorin (5).

Hij laat trouwens weg wat Noordmans verduidelijkend toevoegt: wij moeten (als predikers/theologen) niet ‘teveel over de wereld-op-zichzelf of de mens-op-zichzelf praten’; ‘wij moeten alles in Gods licht zien’ (VW 2, 222). Hier is te denken aan Noordmans’ spreken, verderop, over de schepping als: ‘een plek licht rondom het kruis’. De belijdenis van God de Vader, de Schepper, en die van de Zoon, de Verlosser, horen bijeen; over de schepping kan niet worden gedacht los van de verlossing. Het klinkt mee in Noordmans’ korte formulering: ‘scheppen is scheiden’ (VW 2, 245-247,251v).

In elk geval: Noordmans houdt filosofie en theologie uiteen. Hij constateert dat de theologie telkens de neiging heeft, in haar domein de filosofie de dienst te laten uitmaken. Gevaarlijk. Want – zo formuleert Boele het gevaar dat Noordmans hier ziet – ‘filosofie dringt de theologie achter de openbaring terug’ (17).

Hij ziet achter Noordmans’ theologische positiekeuze telkens dit motief. Zo in zijn discussie, 1909/10, met A.H. de Hartog, die opkwam voor de rationaliteit van de christelijke religie en daarom niet wilde blijven staan bij de ‘heilsfeiten’ van kruis en opstanding. Maar ook in zijn latere oppositie tegen de vrijzinnige theologie, tegen de apostolaatstheologie van H. Kraemer of de incarnatietheologie van W.J. Aalders en G. van der Leeuw. Telkens ziet Boele Noordmans een tendens signaIeren tot een theologiseren aan de openbaring (het Woord) voorbij; waar men direct teruggrijpt op de historische Jezus, of de incarnatie ziet als een zich (in de kerk) voortzettende mysterieuze werkelijkheid (17-26).

Daarbij vraagt Boele aandacht voor een andere kenmerkende trek in Noordmans’ theologiseren: dat hij (in lijn met de Reformatie) de waarheid van het evangelie (dus: het dogma) direct betrokken zag op het leven. Volgens Boele zag Noordmans ook hier gevaar dreigen van de kant van de filosofie: ‘filosofie weekt het dogma los van het leven’. Sinds Descartes en de door hem ge•ntroduceerde manier van waarheidsvinding (niet uit principes, maar uit waarneming) is de natuurwetenschap dominant geworden. De werkelijkheid wordt zo gereduceerd tot wat geteld, gemeten en gewogen kan worden; het leven is er uit. Noordmans signaleerde dat de natuurwetenschappelijke methode in de negentiende eeuw ook in de theologie is doorgedrongen; in het historisch-kritisch bijbelonderzoek of (heel anders) in Schleiermachers concentratie op het menselijk, constateerbaar beleven (28-32).

Intensief hield Noordmans zich bezig gehouden met de theologie van Karl Barth. Ondanks geestverwantschap had en hield hij fundamentele bezwaren. Barth concentreerde zich zijns inziens te eenzijdig op het geschiedende Woord – als blikseminslag, ‘senkrecht von oben’ – en had dus te weinig oog voor het eigen werk van de Geest, de Trooster, die blijft. Ook dit, zegt Boele, is een symptoom van Noordmans’ strijd leveren tegen de (filosofische) tendens, het dogma – het Woord – los te weken van het leven (33v).

Apart besteedt Boele aandacht aan Noordmans’ strijd, vooral in de jaren 30, voor een andere kerkstructuur. Noordmans verzette zich tegen de kerkinrichting van 1816, die van de kerk een vereniging met bestuur had gemaakt, meer op besturen dan op belijden ingesteld, met functies in plaats van de vroegere ambten. Boele vat samen: Noordmans zag de presbyteriale kerkorde verpolitiekt. Net als de oppositie daartegen, die pleitte voor terugkeer tot de belijdenis via juridische maatregelen. Als algemene grondfout zag Noordmans: gerichtheid op het verleden, op behoud c.q. herstel van het vroegere; in plaats van gerichtheid op de toekomst. Weer bespeurt Boele bij Noordmans verzet tegen de invloed van de filosofie; in dit geval: tegen de dominantie van aan de kerk wezensvreemde politiek-filosofische, juridische en bestuurlijke modellen (42-45).

Wel erkende Noordmans, zegt Boele, ook de positieve betekenis van filosofie. Hij achtte voor een theoloog filosofische kennis nodig, om het denkklimaat van zijn eigen tijd te kunnen begrijpen. Bij bepaalde filosofen, en grote literatoren (bijvoorbeeld Dickens of Dostojewski), herkende hij bovendien een diep inzicht in de mens (zondaar Žn heilige). En hij kon er op wijzen dat filosofie kan dienen om andere filosofie te corrigeren. Op Descartes had hij kritiek, maar in Geloven op gezag (1921), in zijn strijd tegen de moderne neiging om alles zelf te willen uitvinden en weten, beriep hij zich op diens inzicht dat althans historische kennis is aangewezen op het woord en het gezag van anderen (49-55, 27).

Voorop staat Noordmans’ overtuiging: filosofie is voor de theologie gevaarlijk. Boele neemt dat over en maakt het tot uitgangspunt van eigen beschouwingen over christelijk leiderschap. Jarenlang had Boele in zijn werk te maken met vraagstukken op het gebied van management en bestuur, ook in christelijke organisaties (13). De vraag hoe leiderschap zou kunnen/moeten functioneren zit hem hoog. Het is daarop dat hij met behulp van Noordmans’ filosofiebeoordeling antwoord zoekt. Leiderschapsvisie is immers een vorm van filosofie.

Aan literatuur daarover momenteel geen gebrek. Leiderschap zou vandaag, ook in de kerk, vooral motiverend, inspirerend moeten zijn, zegt men. Sommigen, zoals G.G. de Kruijf, denken na over de rol die de kerk als zodanig in de samenleving zou moeten spelen: niet dominerend of ‘profeterend’, maar eenvoudig actief participerend in het democratisch proces (en zo, hopelijk, inspirerend, 112-117).

Noordmans’ visie ter zake zette Boele al uiteen. Hier spitst hij dat nog toe. Allereerst: Noordmans achtte elke aanduiding van Jezus Christus als sociaal hervormer of kerkvorst misplaatst. Jezus de gekruisigde mist alle franje en schoonheid van het mensenleven. Verzocht door de satan wees Hij de heerschappij over de aardse koninkrijken af: zijn Koninkrijk is een Koninkrijk der hemelen, en Pasen heeft dat niet veranderd, betoogde Noordmans.

Volgens hem hoort de figuur van de ‘leider’ dan ook niet in de kerk thuis. Ambtsdragers zag hij per definitie niet als heersers, veeleer als personen die zich aan hun opdracht moeten houden. En die opdracht is eerder pastoraal dan regerend. Noordmans zei: niet bisschoppelijk, laat staan pauselijk, maar presbyteriaal.

En wat de rol van de kerk in de samenleving betreft: de kerk heeft geen macht, maar een zending, zo vat Boele Noordmans’ visie samen. Wij hoorden Boele Noordmans’ strijd voor kerkvernieuwing, in de jaren 30, typeren als strijd tegen een verpolitiekte kerkorganisatie. Die strijd tegen verpolitieking zette Noordmans nadien voort. Zo in discussies met A.A. van Ruler en Kraemer. Wordt de kerk politieke beweging of onderneming, dan verzaakt zij aan haar roeping, vond hij (119-124).

Dit alles, zegt Boele, impliceert een kritische kijk op het fenomeen ‘christelijk leiderschap’ (13). Hijzelf sluit zich daarbij van harte aan. De Bijbel, betoogt hij, levertgŽŽn’principes’van leiderschap. Christus gaf zijn discipelen macht: tot hulpbetoon, niet tot leiderschap. De apostelen treden op als getuigen, niet als leiders. Wat leiderschap betekent demonstreert het Nieuwe Testament aan Herodes en zijn meedogenloosheid. Paulus spreekt wel (in 1 Korinti’rs 12) over de geestesgave van het ‘besturen’, maar plaatst die achteraan (125-131).

Dit boek roept bij mij gemengde gevoelens op. Het biedt een mooi overzicht van Noordmans’ filosofiewaardering. Boele vat de essentie van Noordmans’ theologie treffend samen in de formulering: ‘afkeer van de “school” en concentratie op de kerkelijke prediking van het Kruis’ (92). Anderzijds vermoed ik teveel schematiek. Een apart hoofdstuk handelt over Noordmans’ historische en biografische context. Maar in Boele’s schematische weergave van Noordmans’ visie functioneert dat niet. De ‘Verzamelde Werken’ zijn en bloc geraadpleegd en worden en bloc geciteerd. Ik had daarbij iets willen horen over het verband waarin bepaalde uitspraken zijn gedaan. Dan had iets kunnen blijken van de ontwikkeling van Noordmans’ denkbeelden.

Bovendien ontbreekt elke kritische beoordeling daarvan. De auteur treedt met Noordmans niet in discussie, laat diens opvattingen gelden als onaantastbare autoriteit. Dat is, zeker in een dissertatie, onbevredigend. De opzet van Boele’s boek wekt trouwens de indruk alsof Noordmans’ opvattingen hemzelf al te goed van pas komen in zijn eigen aversie van ‘christelijk leiderschap’. Wordt d‡‡rom misschien teveel alles bij Noordmans op de ene hoop gegooid van een ‘anti-filosofische’ inslag?

Boele’s aversie tegen ‘christelijk leiderschap’ is me ook te ongenuanceerd. Boele zegt wel (in de geest van Noordmans) dat de kerk niet anarchistisch is en niet kan ‘zonder enige vorm van gezag of leiding’ (149), maar uit zijn voorafgaand betoog volgt dat niet. Door leiderschap tegenover dienst te plaatsen ontstaat al gauw een karikatuur. Anderzijds: er is immers geen leider die zichzelf niet afficheert als werkend ten dienste van degenen die hij leidt?! Taalgebruik op zich zegt niet alles!

Karel Blei

Dr. K. Blei is emeritus predikant en was scriba van de NHK