Barth voor beginners

logo

 In de Waagschaal zal het komende jaar ruimte bieden aan een nieuwe serie, onder de naam Barth voor beginners. Zoals de meeste lezers waarschijnlijk weten staan er in Zwitserland, Duitsland en Hongarije, maar ook in Nederland, een aantal activiteiten gepland rondom een zogenaamd Barth-jaar. Dat feestelijke jaar begint op 10 december 2018, wanneer het 50 jaar geleden is dat Barth overleed, en loopt door tot in 2019. Het is dan 100 jaar geleden dat Barths eerste Römerbrief uitkwam. Vooral Duitsland pakt goed uit, dankzij een zeer forse financiële ondersteuning van de EKD, zodat er zelfs een ‘bezoldigd secretaris’ is aangesteld voor 2 jaar. In Nederland is er rondom de hoogleraren G.C. den Hertog, C. van der Kooi en R.H. Reeling Brouwer, de organisatoren van de jaarlijkse Barth-Tagungen in Nl., inmiddels een comité ontstaan dat eveneens een aantal activiteiten belegt – op dit moment wordt gedacht aan drie of vier conferenties en het uitbrengen van een bundel. Namens de Barthstichting en In de Waagschaal hebben ondergetekenden zitting in dat comité.

Meer dan in het buitenland staan de Nederlandse activiteiten niet zozeer in het kader van het gedenken van de figuur Barth, als wel van de noodzakelijke discipline van dogmatiek als nadenken over het spreken van God, en de noodzaak kerk en academie, maar ook kerk en wereld, blijvend op elkaar te betrekken. Met de nu startende serie Barth voor beginners wil In de Waagschaal meewerken aan deze bezinning. Opzet van deze serie is dat betreffende auteur rondom een bepaald dogmatisch thema puntig en ‘beheerst’ het eigene van Barth ten opzichte van de traditie benoemt – en dat voor oren die eerder ‘buiten’ dan ‘binnen’ staan. Geen gemakkelijke opgave! Maar we gaan het proberen. Rens Kopmels, Wouter Klouwen en ondergetekenden – zij vormen het bestuur van de Barthstichting en hebben de redactie dit voorstel gedaan – zijn na stevig beraad tot een opzet gekomen die er als volgt uitziet:

Rinse Reeling Brouwer gaat in op Barths bijzondere inzet van de theologie als een gedisciplineerd spreken over God; deze inzet zal vervolgens door Eginhard Meijering rondom Barths invulling van de triniteitsleer en door Kees van der Kooi rondom de belijdenis ‘Jezus is de Heer’ worden ingevuld en gefundeerd. Dan komen een aantal beslissende thema’s (en hete hangijzers) bij Barth aan bod: Wouter Klouwen schrijft over ‘Tijd, geschiedenis en historie’; Mirjam Elbers over de beruchte paragraaf 17 en het probleem van de natuurlijke Godskennis; Wessel ten Boom over Barths opvallende leer van Gods verkiezing. At Polhuis duikt in de consequenties van Barths dogmatiek voor de houding ten aanzien van politiek en cultuur, terwijl Rens Kopmels zich buigt over Barths ethiek als lofzegging. Meer structureel aandacht dan voor Barths scheppingsleer, door Willem Maarten Dekker, en Barths verzoeningsleer; die laatste hebben we in twee delen uiteen laten vallen: Dick Boer zal schrijven over ‘de Heer als knecht’ en Maarten den Dulk over ‘de knecht als Heer. Aan een leer van de verlossing, de eschatologie, is Barth niet toegekomen, maar Wilken Veen neemt Barths publieke, met name politieke stellingnamen onder de loupe. Aan Gerard den Hertog tot slot de vraag hoe Barths eigen uitgangspunten rondom Gods openbaring, de Schrift en het spreken van de kerk feitelijk dogmatisch hebben gewerkt. En dan zijn we inmiddels aan een leuke conferentie toe.

We hopen van harte dat de lezer, ook, nee juist de dogmatisch minder getrainde of geïnteresseerde zich, over onze serie zal verheugen. We bedanken de auteurs natuurlijk voor hun bereidheid.

At Polhuis en Wessel ten Boom

(In de Waagschaal, jaargang 46, nr. 10. 7 oktober 2018)