De dijk

logo-idW-oud

 

DE DIJK

Tusschen de Betuwe en tusschen de Veluwe
Daar lag de dijk door het waterig land,
Als iets waaraan niets was te veranderen: –
De koeien en de kikkers aan d’eene kant,
En de zilveren visschen aan d’andere.
Zoo bleven ze ieder in hun element,
Daar was dan ook ieder al lang aan gewend
Daar tusschen de Betuwe en tusschen de Veluwe.

En onder aan den dijk daar glommen de blommen: –
Die zwierden en tierden maar overal,
Die stonden te bloze’ en te bloeien,
Die knikten en knakte’, en die lachten maar al
Om die klapperdekakkende koeien.
En de koeien die tilden hun steerten op
En zagen nadenkende uit hunnen kop.–
Ja, ónder aan den dijk daar glommen de blommen!

En óver den dijk daar floten de booten: –
Die toeterde’ en ploeterden door de rivier,
Die waren geweldig aan ‘t sleepen,
En hadden een onfatsoenlijk pleizier
In de deftig zeilende schepen –
Die hielden zich quasi wat achteraf,
Maar eigenlijk legden ze ‘t leleijk af, –
Ja, óver den dijk daar floten de booten.
En benéde’ aan den dijk daar had je het stadje: –
Dat lag daar zoo kluchtig, zoo klein en zoo rein,
Als was ‘t maar een hapje, een stapje –
Dat kon eigenlijk wel eens niet anders zijn
Dan een echt-Hollandsch schildersgrapje!
Maar van den toren is dat niet gezegd,
Want de ouwe toren was zeker echt! –
Ja, benéde’ aan den dijk daar had je het stadje.

En bóve’ op den dijk daar voeren de boeren: –
Die holderdebolderden over den dijk
In hun hossebossende sjeezen –
Die reden hun glanzende peerden te kijk,
En hun wijf in heur Zondagsche wezen,
En die klapte’ hunne zweep en die dachten maar: “krak,
Hoort gij die rijksdaalders wel in mienen zak!” –
Ja, bóve’ op den dijk daar voeren de boeren!

Adana van Scheltema, 1918