Gods eeuwigheid en heerlijkheid

[1] Bij de behandeling van de volkomenheden van de goddelijke vrijheid had Barth eerst Gods eenheid en alomtegenwoordigheid (pp 495-551) en daarna Gods bestendigheid en almacht (pp 551-685) besproken.

[2] De eeuwigheid is zelf de substantie van God, die niets veranderlijks heeft; daar is niets verleden alsof het niet meer is; er is niets toekomstig alsof het nog niet is. Er is daar alleen maar ‘is’.

[3] ‘was’ en ‘zal zijn’.

[4] Hij was, omdat hij nooit ontbrak, hij zal zijn, omdat hij nooit zal ontbreken; hij is, omdat hij altijd is.

[5] Gij waart dus niet gisteren en zult niet morgen zijn, maar gisteren en vandaag en morgen zijt Gij, of liever: noch gisteren noch heden noch vandaag zijt Gij, maar Ge zijt gewoonweg buiten alle tijd. Want gisteren en vandaag en morgen is niets anders dan ‘in de tijd’. Gij echter zijt, hoewel niets zonder U is, toch niet in de ruimte en de tijd, maar alle dingen zijn in U. Niets omvat U immers, maar Gij omvat alles.

[6] De eeuwigheid van God is de wezenlijke eigenschap van God, waarmee wordt aangeduid dat God door geen enkele tijd wordt begrensd, en dat hij noch enig begin noch enig einde van bestaan heeft, maar dat hij eerder is dan alle tijd en later dan alle einde en in absolute zin boven opeenvolging verheven altijd helemaal tegelijk is.

[7] Eeuwigheid is het gehele, gelijktijdige en volmaakte bezit van het onbegrensde leven.

[8] Het ‘stilstaande nu’ tegenover het ‘vloeiende nu’.

[9] Eeuwigheid.

[10] Bezit van het leven.

[11] Nu.

[12] Stilstaan en vloeien.

[13] Tot de kennis van de eeuwigheid moeten wij geraken door middel van de tijd.

[14] Bezitter van het onbegrensde leven.

[15] Hier verwijst Barth naar wat hij KD II, 1, pp 522v had betoogd.

[16] Tegelijk

[17] Dat de benamingen van de verschillende tijden aan God worden toegeschreven, voor zover zijn eeuwigheid alle tijden omsluit.

[18] Dat hijzelf niet verandert door heden, verleden en toekomst.

[19] Dat de eeuwigheid in haar geheel tegelijk is, maar in de tijd eerder en later is.

[20] God ziet alles in zijn eeuwigheid, die, omdat die enkelvoudig is, aan de hele tijd tegenwoordig is en de tijd zelf omsluit.

[21] Voor iedere tijd of heden van de tijd is de eeuwigheid in het heden aanwezig.

[22] Het nu van de eeuwigheid is onveranderlijk voor alle delen van de tijd tegenwoordig.

[23] Met dit aanwezig zijn, insluiten of omsluiten.

[24] Tegelijk

[25] Eeuwige duur (afgeleid van semper, altijd).

[26] Dit is kennelijk een drukfout. Er zal immutabilitas, onveranderlijkheid, hebben gestaan.

[27] Zoals het hemelgewelf in een voortdurende beweging draait rondom de onbeweeglijke poolster, en wel zo dat noch de onbeweeglijkheid van de poolster door de beweging van het hemelgewelf verstoord noch de beweging van het hemelgewelf door de onbeweeglijkheid van de poolster tot stilstand wordt gebracht, zo bestaat de eeuwigheid met de delen van de tijd die elkaar opvolgen, en wel zo dat noch de vaststaande onbeweeglijkheid en onveranderlijkheid van de eeuwigheid door de voortdurende opeenvolging van de stromende tijden worden verstoord, noch de opeenvolging der tijden door de vaststaande onbeweeglijkheid van de eeuwigheid wordt opgeheven.

[28] Het gehele, gelijktijdige en volmaakte bezit van het leven.

[29] Wat aan Jupiter is toegestaan, dat is niet aan de os toegestaan (een bekende woordspeling).

[30] Het nu van de eeuwigheid.

[31] Nu van de eeuwigheid

[32] Deze oorsprong van de orde wordt noch uitgesloten door de eeuwigheid noch daar tegenover geplaatst.

[33] Het Duitse woord ‘Gegenwart’ kan, zoals bekend, zowel ‘heden’ als ‘tegenwoordigheid’ betekenen. We vertalen het in de verschillende verbanden met een van deze woorden.

[34] Deze zin loopt in het Duits niet.

[35] In deze eeuwigheid als in een overvolle bron of liever oneindig wijde oceaan zwemt die vloeiende druppel.

[36] ‘mitzeitlich’, ‘inzeitlich’. De door Barth gebruikte woorden ‘vorzeitlich’, ‘berzeitlich’ en ‘nachzeitlich’ zijn in het Duits ook ongebruikelijk en kunnen niet letterlijk worden vertaald.

[37] Nu van de eeuwigheid.

[38] heden

[39] Dat God nu verklaart dat hij hem heeft verwekt, dat moet worden betrokken op de waarneming en kennis van de mensen. Dus het woord ‘heden’ duidt de tijd van die bekendmaking aan, omdat, nadat bekend was geworden dat de koning van Godswege is geschapen, hij naar voren trad als iemand die om zo te zeggen zojuist uit God was verwekt.

[40] Tegelijk rechtvaardig en zondaar.

[41] Bedek wat ik heb geleefd!

[42] Bestuur wat ik zal leven!

[43] Uit hem en door hem en tot hem zijn alle dingen.

[44] Uit hem

[45] Door hem

[46] Tot hem.

[47] Tot hem.

[48] Door hem.

[49] Dit is wellicht een zinspeling op een badge ter gelegenheid van een nationaal-socialistische ‘Gautag’ in Gera in 1934. Daarop stond: ‘Es lebe das ewige Deutschland!’.

[50] Dit is een zinspeling op het feit dat de socialistische partijen in Europa, die elkaar nog in 1912 hadden beloofd dat zijn Europese oorlog, die de kapitalistische regeringen wellicht zouden willen beginnen, zouden verhinderen, en op het feit dat de meeste liberale theologen in Duitsland instemden met de oorlogspolitiek van hun regering.

[51] De bekende leuze van Albert Schweitzer. Er bestond jarenlang een duidelijke antipathie tussen Barth en Schweitzer. Schweitzer beschouwde Barth als een theoreticus en Barth zag in Schweitzer een moralist. In K D IV, 3, p 35, heeft Barth het wel over de indrukwekkende weg die Schweitzer is gegaan.

[52] Er is immers geen verschil tussen de jaren van God en God zelf, maar de jaren van God zijn de eeuwigheid van God.

[53] Zie over de perichorese o.a. K D I, 1, pp 390v

[54]Bedoeld is het zijn van God en Jezus Christus.
[55]Eer van God
[56]Die niets anders is dan het wezen en de wezenlijke eigenschappen van God.

[57]De eer van God is zijn wezenlijke majesteit, waardoor men begrijpt dat hij werkelijk in zijn wezen dezelfde is als wat hij gezegd wordt te zijn: helemaal enkelvoudig, volmaakt, oneindig, eeuwig, onmetelijk, onveranderlijk, levend, onsterfelijk, gelukzalig, wijs, kennend, alwetend, verstandig, willend, goed, genadig, het goede liefhebbend, barmhartig, rechtvaardig, waarachtig, heilig, kuis, machtig, ja almachtig, en dat hij zich in al zijn werken als zodanig betuigt. Kortom: de wezenlijke eer van God zijn de krachten die in God zelf bestaan en in zijn werken oplichten.

[58](Gods) majesteit, waardoor men begrijpt dat hij werkelijk in zijn wezen dezelfde is als wat hij gezegd wordt te zijn.
[59]De eer van de mens is God.
[60]Noot 6

[61]De te kennen en te openbaren glans van de oneindige verhevenheid.

[62]Niet door zijn omvang, maar door de majesteit van zijn volmaaktheid.

[63]Verhevenheid.

[64]Glans.

[65]De kennis van deze verhevenheid waardoor die het aangezicht van God wordt genoemd.

[66]De lofprijzing of bekendmaking van de door de lichtglans gekende verhevenheid, die meer adequaat verheerlijking dan heerlijkheid genoemd wordt.

[67]Door de totaliteit waarvan de almacht, de alwetendheid, de onuitputtelijke goedheid van God wordt gekend en verheerlijkt.

[68]Te laat heb ik u lief gekregen, o zo oude en zo nieuwe schoonheid! Te laat heb ik u lief gekregen! En zie, ge waart binnen in mij en ik was aan de buitenkant en daar zocht ik u. En als een misvormde rende ik af op deze welge­vormde dingen. U was met mij en ik was niet met u. Die dingen hielden mij ver van u vandaan, die niet zouden zijn als ze niet in u zouden zijn. Gij hebt geroepen en geschreeuwd en mijn doofheid verbroken. Gij hebt geschitterd en geglansd en mijn blindheid verdreven. Gij hebt geur verspreid en ik heb adem gehaald en voor u geademd. Ik heb geproefd en ik heb honger en dorst. Gij hebt mij aangeraakt en ik ben ontbrand tot uw vrede.

[69]Herrlichkeit. Dit geldt ook voor het Nederlandse woord ‘heerlijkheid’.
[70]Genieten.
[71]Genot van God.
[72]Het uiteindelijke doel van God.
[73]Die jou onderhoudt, zoals het jezelf bevalt, heb je dit niet ervaren?
[74]Iets waarvoor men zich moet schamen.
[75]Ze zijn niet schoon omdat ze behagen, maar ze behagen omdat ze schoon zijn.
[76]Schoon zijn de dingen die als ze zijn gezien behagen.
[77]God is niet God omdat hij schoon is, maar hij is schoon omdat hij God is.
[78]verveling
[79]De rede, het geloof dat naar inzicht zoekt.
[80]Nut
[81]Schoonheid
[82]Boven het begrip van de mensen verheven schoon.
[83]Iets behagelijks
[84]Behagen
[85]Welbehagen
[86]Een bepaald beeld wordt schoon genoemd, als het een zaak volmaakt weergeeft.
[87]De gestalte en de schoonheid

[88]Waar de overeenstemming al zo groot is en de gelijkheid en de gelijkenis overtreffend is, in niets verschillend en in geen enkel opzicht ongelijk, maar precies gelijkend op datgene waarvan het het beeld is.

[89]Het volmaakte Woord, omdat daaraan niets ontbreekt, en in zekere zin de Kunst van de almachtige en wijze God … zelf een uit de ene, met wie het een is.

[90]De afstraling van zijn heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen.

[91]Dit is een duidelijke zinspeling op de beroemde woorden van Tertullianus: Wat hebben Jeruzalem en Athene met elkaar te maken, wat de academie en de kerk? De praescriptione haereticorum 7, 9.

[92]Het schone.
[93]Roepen.
[94]De eer, de heerlijkheid van God.
[95]Verheerlijking

[96]De heerlijkheid van God is eeuwig, was altijd dezelfde van eeuwigheid af en blijft altijd dezelfde tot in eeuwigheid, daar kan niets bijkomen en niets van af gaan, en God zou voortdurend zijn eeuwigheid hebben gehad, ook al zou niets geschapen zijn. Deze heerlijkheid van God kan door niemand worden gegeven, verminderd of vermeerderd, maar was en blijft in hem altijd dezelfde.

[97]De verheerlijking geschiedt echter in de tijd door de schepselen en is buiten God en heeft haar fundament in de kennis van de heerlijkheid van God.

[98]Buiten God
[99]Kennis van de heerlijkheid van God
[100]Verheerlijking van God
[101]Doxazein is de infinitvus van het activum, doxazesthai de infinitivus van het passivum.

[102]Drie woorden voor dienst, het eerste duidt oorspronkelijk op de dienst van slaven, het tweede op de eredienst, het derde op de in de cultus verrichte dienst.

[103]Genade
[104]Ik geloof in de Kerk.

[105]God wil dat zijn heerlijkheid wordt verkondigd, en wel noodzakelijkerwijs: in de eerste plaats door de dienaren van het goddelijke Woord. Als de dienaren van het goddelijke Woord het niet willen, als de opzieners het niet willen, dan zullen de leken het doen om de dienaren van het Woord, om de opzieners te beschamen. Als de mannen het niet willen, dan zullen de vrouwen het doen. Als de rijken en machtigen op deze wereld het niet willen, dan zullen de armen en behoeftigen het tot stand brengen. Als de volwassenen het niet willen, dan zal God zijn lof vervolmaken uit de mond van kleine kinderen en zuigelingen. Ja, wanneer mensen het niet zouden willen doen, dan kan God voor zichzelf zonen uit stenen opwekken, ja hij kan zelfs de onbezielde schepselen maken tot zijn herauten. En voorwaar, de hemelen verkondigen Gods eer, zoals wordt gezegd in Psalm 19:1.

Pagina's: 1 2