Kritiek van de theologische religiekritiek

KRITIEK VAN DE THEOLOGISCHE RELIGIEKRITIEK II

In zijn in het begin van de jaren zeventig uitgegeven lezingen, de zg. Grifford Lectures, „Kritiek van hemel en aarde” (1) geheten, formuleert A. Th. van Leeuwen een belangwek­kende kritiek op de theologie van Barth. Met name op de door Barth verwoorde religiekritiek. Deze kritiek komt in de kern hierop neer: Barth heeft Marx niet serieus genomen.

Bij Barth is de theologie niet door het oog van de naald van Marx’ „Kritiek van hemel en aarde” gekropen. Daarom is Barths theologie in al haar radicaliteit toch nog steeds geen theologie die bij de tijd is.

Marx onderscheidt drie niveaus van religiekritiek nl. het niveau van de religie, het niveau van recht en politiek en het niveau van de politieke economie. Barths religiekritiek, zegt van Leeuwen beweegt zich uitsluitend op het eerste niveau van de religie.

Van Leeuwen haalt enkele centrale elementen van Barths religiekritiek uit de K.D.1.2 §17 aan. Ten eerste noemt hij het feit dat Barth de religie onder de kritiek stelt van Gods openbaring als opheffing van de religie.

Ten tweede haalt hij de bekende karakterisering van de religie door Barth aan nl. religie is ongeloof. Ten derde noemt van Leeuwen de definitie die Barth van de religie heeft gegeven: „Religie is de poging van de mens om ten overstaan van een eigenzinnig en eigenmachtig ontworpen beeld van God zichzelf te rechtvaar­digen en te heiligen” (2).

Dit menselijk pogen zich tegenover een zelfgemaakt Godsbeeld te handhaven kan het totaal van de werkelijkheid van het menselijk leven omvatten. Maar, zegt van Leeuwen, dit is bij Barth niet het geval. Bij zijn beschrijving van het veld der religies, blijft Barth op het bekende niveau van de religie, in de geijkte zin van het woord steken. Ook de kritische grenzen, die Barth constateert nl. mystiek en atheïsme doen hem niet boven het niveau van de religie uitstijgen. De reden van dit alles ziet van Leeuwen in het feit, dat Barths interesse uitsluitend een dogmatische interesse is. Deze dogmatische interesse wil de openbaring niet interpreteren vanuit de religie, maar de religie vanuit de openbaring. Van Leeuwen noemt dit: „de dogmatische vraag hoe de christelijke religie bevrijd kan worden uit de fatale netten, waarin de moderne religieopvatting haar heeft gevangen” (3).

Van Leeuwen ziet hier een parallel met Marx’ kritiek op de filosofen nl. Marx’ ontmaskering van de oerzonde van de verwisseling van subject en predikaat. Bij Marx betekent dit: de filosofie heeft altijd abstracte predikaten, eigenschappen, die zij scheidt van het subject, gebruikt. „Alle filosofen hebben de predikaten in subjecten veranderd”, zegt Marx. Deze stelling over de verwisseling van subject en predikaat is de hoeksteen van Marx’ kritiek op de metafysica in haar totaliteit en Hegels filosofie in het bijzonder. Ze is het fundament van Marx’ omschrijving van de „religie als de algemene theorie van de verkeerde wereld”. (4) De denkvormen zijn losgeraakt van de werkelijke mens en de werkelijke natuur, waardoor de mens vervreemd is van zijn eigen wezen.

Bij Barth betekent dit verzet tegen deze oerzonde, dat alleen de christelije religie vanuit Gods openbaring in Jezus Christus gefundeerd kan worden als de ware religie en de openbaring niet vanuit de religies kan worden geïnterpreteerd, d.w.z. de openbaring is geen verbijzondering van de algemeenheid van de religie. Toch is Barth minder radicaal dan Marx in zijn religiekritiek. Dat komt omdat Barth niet boven de posities van Hegel en Feuerbach uitkomt, posities die juist door Marx bekritiseerd werden. Van Leeuwen beschrijft het werk van de jonge Marx als één groot verzet tegen de speculatie zoals hij die tegenkomt bij Hegel, de jong-hegelianen en ook bij Feuerbach. Deze speculatie stelt het „zelfbewust­zijn ” of de „Geest” in de plaats van de werkelijke individuele mens. In het boek „Die Heilige Familie” uit 1844, geschreven samen met Engels, prees Marx Feuerbach nog, omdat hij door zijn humanisme juist deze speculatie bekritiseerde. Bij Feuerbach wordt de metafysische absolute Geest opgelost in de werkelijke mens, die zijn basis vindt in de natuur. Dit